Categorie: Blog

  • Het is nog maar een halfjaar geleden dat ik voor het eerst Europa durfde te verlaten. Nu ben ik in Bangkok. Ik had grootse verwachtingen en heb heimwee. Ik mis Vasco, hij laat zich niet zien voor de camera die ik in huis heb staan. Ik wil tempels bezoeken en ben moe. Als ik richting mijn tijdelijke onderkomen loop, kom ik langs een zaak die Bahn Mi verkoopt. Het smaakt haast zoals in Groningen, even sta ik voor Mr. Dam in de Astraat.

    Je moet je heimwee niet ontvluchten door altijd maar thuis te blijven, heb ik geleerd. Je kan gewoon even verdrietig zijn als je op reis bent. Het is goed als je van je thuis houdt.

    Ik hou vandaag zo van thuis dat ik haast twijfel aan mijn wens om naar de Randstad te verhuizen.

  • Ik vind mezelf hier verlegen. De groottte van de stad overweldigt me, hoe hoog de gebouwen zijn, hoe veel het verkeer, hoe warm het is. De kleine dingen die anders zijn, dat er overal elektriciteitsdraden hangen, ik vind ze prachtig, een door de hele stad gesponnen web. Hoe rustig veel mensen zijn, ondanks de drukte van de stad.

    Als ik naar de winkel ga om water te halen, wil ik de winkelmedewerker begroeten. Sawadika, hoor ik mezelf op mijn allerzachtst zeggen. Ik voel mijn wangen een beetje kleuren. Dit is de stem die onder de zelfverzekerdheid, routine en jovialiteit zit. Een kleine stem, die alles spannend vindt.

  • Ik ben aangekomen in Bangkok. Ik had me niet gerealiseerd dat tussen de wolkenkrabbers het leven gewoon plaatsvindt. Ik stelde me zo voor dat tussen de wolkenkrabbers alles een soort van klinisch was. Marmer, asfalt, mannen in pakken, prullenbakken. Zoals op Wall Street, ik denk aan het item van Wonder Showzen, waarin een kind witte mannen van middelbare leeftijd vragen als ‘When the revolution comes, where will you hide?’ stelde. Wat ik me niet had voorgesteld, is dat er tussen de enorme gebouwen plaats is voor kleinere gebouwen, en tussen die gebouwen voor nog kleinere gebouwen, en dat daartussen ruimte is voor bomen, katten, muziek, wasrekken, sleutelen aan auto’s. Terrasjes met plastic stoelen, markten en huizen. Bbq’s. Oneindige meters elektriciteitskabels. Spelletjes, bekenden groeten, gekko’s, een kind op een step.

  • Op het vliegveld van Bangkok wachten we op onze koffers. Een gele en een mintgroene. We staan achter drie keurig geklede mensen die het zicht blokkeren op de lopende band die de bagage van onderaf naar de roterende bagageband brengt. Ze staan er strak tegenaan, alsof ze geen tijd te verliezen hebben, hun bagage onmiddelijk moeten pakken en dan rennen naar een belangrijke afspraak.

    ‘Wie het laatst een van onze koffers ziet is een loser,’ wil ik tegen Lola zeggen, maar voor het mijn mond uitkomt wijst ze naar de gele koffer die omhoog komt. Ik zie hem tussen de keurig geklede mensen langspiepen.

    We lopen naar de zijkant van de band om de koffer te pakken, ook de mintgroene ligt inmiddels op de band. Als ik nog eens naar de keurig geklede mensen kijk, zie ik dat ze in dienst van het vliegveld zijn. De midddelste van de drie draagt een zwart stootkussen aan een stok, die hij selectief inzet om al te zware of fragiele koffers die van de lopende band geworpen worden een zachte landing te geven.

  • We hadden ons met onze bagage ingebouwd op een vierzitsplek en er kwam een man met een enorme aluminium koffer bij ons zitten. Hij droeg zijn haar strak in een bewegingsloos naar achter gekamd model en rook naar after shave.

    De man was aan het bellen. Zijn gesprekspartner stond zachtjes op de speaker, voor ons nauwelijks te verstaan. Als de man sprak hield hij de telefoon horizontaal voor zijn mond, als hij even luisterde bracht hij de telefoon naar zijn oor.

    De man sprak luid en in het Engels. Hij had het over sales, over turnovers, over wat de customers niet weten, over tachtig procent en vierenveertig procent, over pushing trough.

    Lola en ik konden elkaar niet verstaan als de man sprak. Even dacht ik dat de man zijn gesprek snel zou afronden, het bestond in mijn hoofd niet dat iemand zo ongegeneerd luid zat te vergaderen. Tot aan station Assen zocht ik geduldig naar de momenten waarop de man stil was en naar zijn gesprekspartner luisterde als ik Lola wat wilde vertellen, maar toen we Assen voorbij waren wist ik: dit gaat nog wel even duren.

    Ik zat schuin tegenover de man en probeerde oogcontact te maken. Onmogelijk. Hij bleef maar recht voor zich uitkijken terwijl hij doorratelde over pipelines en closing deals. Het had iets mechanisch, onmenselijk haast, het functioneren van de man.

    De mensen in het zitje naast ons keken fronsend naar de man. Een breidende vrouw moest een beetje lachen.

    Ik probeerde met een handgebaar de aandacht van de man te trekken. Zonder succes. Even overwoog ik om hem te vragen zijn gesprek te beëindigen, maar ik had het gevoel dat de man zijn vergadering hier veel te belangrijk voor vond, en bovendien was het gedrag van de vergaderende man zo merkwaardig dat hij me een beetje intimideerde.

    De kans bestond dat de man nog 1,5 uur naast ons zou zitten bellen, en ik weet niet goed hoe het ontstond, maar ineens haalden Lola en ik het beste uit de kast om de vergadering te verstoren: omgevingsgeluid produceren.

    We begonnen educatief.
    ‘Ik wil het even hebben over womens rights,’ zei Lola.
    ‘Ja,’ zei ik. ‘Ik wil het graag hebben over trans rights.’
    Lola en ik sneden beurtelings relevante thema’s aan.
    Ik keek met een schuin oog naar de man. Hij zette vergadering voort, nog steeds met zijn blik strak naar voren gericht. Mogelijk kreeg niet mee wat er gebeurde, maar waarschijnlijk wilde hij zich onverstoorbaar tonen.

    Freedom of movement. Abortion. Non-monogamy. Niets stoorde de man zichtbaar.

    ‘Zullen we het nog even hebben over de seks die we gisteren hebben gehad?’ vroeg Lola.
    ‘Je bedoelt de gay seks?‘ vroeg ik.
    Ik keek naar de man. Leek zijn gezichtsuitdrukking nou iets veranderd?
    ‘Kinks,’ zei ik.
    ‘Ik heb een nieuwe cuck chair,’ zei Lola.
    Ropes,’ zei ik.
    Whips,’ zei Lola.

    De man haalde zijn telefoon bij zijn gezicht weg en keek naar het scherm. Had hij opgehangen?

    Swingers.’
    Edging.’
    De man keek weer strak voor zich uit en stak zijn telefoon in zijn broekzak.
    Vulva.
    Clitoris.
    Make a woman come.
    Zonder zijn blik van de eeuwigheid af te halen schoof de man het handvat van zijn koffer uit, stond op, liep richting het balkon.

  • Afgelopen zomer besloot ik vaker ja te zeggen. Ja op voorstellen waarvan ik niet zeker wist of ze bij me pasten, tegen zaken waarvan ik dacht dat ik ze niet verdiende, tegen alles waar ik eigenlijk te bang voor was.

    Twee dagen na mijn beslissing vroeg Lola me of ik met haar naar Jordanië wilde.
    ‘Ja,’ zei ik met een bijna geloofwaardig soort niet gehinderd zijn door angst. ‘Doen we.’
    Lola wist niet van mijn beslissing vaker ja te zeggen en wel van mijn gebrek aan motivatie al te ver voorbij Zwolle te reizen, dus wat haar dreef me deze vraag te stellen, soms ga je haast in een sturend universum geloven.

    ‘Oei,’ zei iedereen aan wie ik vertelde dat ik naar Jordanië ging. ‘Spannend hoor.’
    Ik haalde dan mijn schouders op en probeerde iets uit te leggen waar ik eigenlijk geen verstand van had.

    Ik vond alles prachtig, overweldigd worden door hoe groot Petra is, overnachten in Wadi Rum, door de oude Romeinse stad Jerash lopen, maar sinds mijn bezoek aan Jordanië denk ik vooral bijna elke week aan Amman. Het was niets in het bijzonder, maar op een dakterras zitten, wat drinken, de heuvels van de stad overzien, de oproep tot gebed over de stad horen klinken, weten dat ik ook met heimwee of een slecht humeur me na een wandeling buiten snel beter zou voelen door de kleine gesprekjes die iedereen met me voerde, ook daadwerkelijk naar buiten gaan omdat ik niet gehinderd werd door kou. Door downtown Amman lopen, fruit halen, hoe druk het er was, hoe lekker het er rook, soms elke paar meter weer anders, hoe veilig ik me er voelde. Alles.

    Laatst vroeg Lola me of ik mee wilde naar Thailand, waar ze gewoond heeft.
    ‘Ja,’ zei ik weer.
    ‘Ga je dan ook mee naar het bokskamp?’
    Ik heb in mijn leven nog geen bokshandschoen aangeraakt, maar de politieke tijden vragen er steeds meer om een harde klap uit te kunnen delen. Ook als dat niet zo zou zijn, had ik ja gezegd.

    Afgelopen week pakte ik de tas in die ik speciaal voor Jordanië had gekocht en ik bleef Amman maar voor me zien. Wat moet ik in Thailand, dacht ik. Kunnen we niet gewoon elke keer naar Jordanië, zoals sommige mensen elk jaar naar dezelfde camping in de Vogezen gaan.

    En ondertussen zag ik steeds het nieuws, elke dag meer afschuwelijks. Ik haat het woord nieuws, het heeft iets vervreemdends, alsof alles wat er buiten mijn directe bereik gebeurt een voorstelling betreft en ik ben de toeschouwer, en misschien is dat niet ver van de waarheid, is de wereldpolitiek nog steeds veel te veel een ondertussen voor me. Ik heb er decennia over gedaan mijn jeugd achter me te laten en ver op vakantie te durven. Ik ga op vakantie, mensen worden vermoord. Samenlevingen worde systemathisch uitgeroeid, vakantiegangers vliegen er met een boogje omheen.

  • 1.
    Ik had het met mijn broer over een vakantie uit onze jeugd. ‘Daar heb ik goede herinneringen aan,’ zei ik. ‘Ik niet,’ zei mijn broer. ‘Behalve dan dat we samen op een scooter reden.’ Ik wilde hem vertellen over de leuke dingen die we hadden meegemaakt, maar toen ik terugdacht aan ons bezoek aan de Italiaanse kust stuitte ik op een dichte mist.

    2.
    Het vage gevoel van verdriet dat je kan hebben over alle relatief onbelangrijke dingen je niet beleefd hebt, omdat je maar één leven gekregen hebt. Niet de rouw die komt bij het niet meemaken van grote dingen die je had moeten meemaken, maar bijvoorbeeld het gemis van op je negentiende niet in een tapasrestaurant gewerkt hebben, het gemis van de muziek die je dan nu had gekend.

    3.
    Ik weet niet wat er precies veranderd is, maar tot voor kort voelden bepaalde periodes in mijn leven alsof ze door een ander persoon waren meegemaakt, tegenwoordig voelen alle herinneringen van mij. Er is tot nu toe tamelijk wat vreselijks gebeurd, tamelijk wat moois, alles bij elkaar genomen is het veel, een rijkdom.

  • Ik las in mijn rapportage van gisteren dat ik een bewoner per ongeluk Elvis had genoemd. Zijn naam lijkt er nauwelijks op.

  • Er is plek, precies in de Randstedelijke woongroep waar ik wil wonen.
    ‘Kom,’ klonk het van binnenuit.

    Gisteren keek ik toevallig nog naar of er in de buurt van mijn gedroomde woonplek genoeg werk voor me is. Meer dan. Vorige maand keek ik nog naar hoe lang het rijden naar broer zou zijn. Best ver, maar te doen. Vorig jaar keek ik nog naar of ik naar het strand zou kunnen rennen. Na veel trainen, mits mijn achillespees herstelt.

    Het strand.

    Ik weet niet wie me de stem van de rede ingeblazen heeft, maar ik las de advertentie en dacht: ik blijf nog even waar ik ben. Ik ben net opgekrabbeld uit de overbelasting en wil nog aansterken. Ik moet in de aangeboden woonruimte meer delen dan waar ik comfortabel mee ben. Ik wil nog een beetje sparen.

    En misschien was het de stem van de rede niet, zegt de stem van de rede ‘wie naar de Randstad wil verhuizen grijpt alles aan.’ In dat geval is heeft zich een concessieloosheid van me meester gemaakt, daar ben ik dankbaar voor, dat gaat me nog ver brengen, ik blijf nog even zitten waar ik zit.

  • Iedereen praatte over elkaar.

    Normaal gesproken gooi ik het er meteen uit, bijvoorbeeld ’s avonds aan tafel na mijn eerste invaldienst op een groep, als alle bewoners op bed liggen en de begeleiders in plaats van de dag na te bespreken, het hebben over de collega’s die er niet bij zijn. Het helpt me de stemming nog iets beter te peilen, het helpt soms om het gesprek een andere richting op te duwen. Een keer richtte iedereen die aan tafel zat hun blik meteen van hun telefoons recht naar mij, strak, zonder verder te reageren op wat ik zei. Ik kan een hoop hebben en ik ben ook niet roomser dan de paus, maar ik wist: hier kom ik niet terug.

    Op een plek waar ik nu werk heb ik langer gewacht. Er speelt van alles, zoals eigenlijk overal, maar hier is het een van de redenen dat ik er ben. Toen ik gisteren in een klaaggesprek met twee bloedeerlijke collega’s belandde leek het me tijd.
    ‘Ik ben benieuwd naar wat jullie over mij zeggen als ik er niet bij ben,’ zei ik.
    ‘Niets ergs,’ zei een collega met glinsterde knopoorbel, die ik mag omdat hij het vaak heeft over zijn liefde voor dieren, en zo’n kalm aura heeft dat de bewoners bijna zonder uitzondering rustig zijn als hij in de buurt is.
    ‘Nee,’ zei een collega met gebloemd colbert.
    ‘Dacht ik al,’ zei ik.

    De collega met het gebloemde colbert begon te lachen.
    ‘Wacht,’ zei ze.
    Ze pakte haar tas, haalde er eerst een pak sigaretten uit, toen een haarborstel, daarna haar telefoon. Ze hield haar telefoon op naar de collega met de glinsterende knopoorbel. Hij schudde zachtjes zijn hoofd, maar begon ook te lachen.

    Het gebloemde colbert opende haar telefoon en begon voor te lezen.
    “Is die Jirke een beetje te doen?”
    De knopoorbel verborg zijn hoofd demonstratief in zijn handen.
    ‘Deze vraag stuurde ik Knopoorbel vorige week, voor ik met jou ging werken,’ zei Colbert. ‘Nu komt zijn antwoord.’
    Ik zette met mijn wijsvinger mijn bril, die wat van mijn neus gegleden was weer omhoog. Alsof ik zelf meelas.
    “Een woke safe-the-world-potje. Prima mee te werken.”

    Een seconde zocht ik naar iets om me over op te winden, maar het was niet ver van de waarheid, ik mag Knopoorbel wel, ik heb in mijn leven slechtere recensies gehad.

  • Een vriend opgewekt een plant aan zien wijzen.

  • De meeuwen in Agadir zijn minder onbeleefd dan die in Groningen. We verblijven in de buurt van het strand en daar zijn veel meeuwen, maar we hoefden tot nu toe slechts één meeuw van een bord weg te jagen.

    De meeuwen die ik stukjes eten toegooi zijn kieskeurig, brood vinden ze lekker, aan komkommer en ui hebben ze geen behoefte.

    Ik houd van de opdringerigheid van meeuwen in Nederland. Ze houden zich niet aan de ongeschreven mensenregels, zoals ‘je neemt niet ongevraagd een hap uit het eten dat een onbekende in de hand heeft’. In Agadir houd ik van de kalmte van de meeuwen, hoe ze blijven zitten als je tegen ze praat en je in de rust ziet hoe expressief ze zijn, hoe in elke kleine beweging die ze maken een gedachte of emotie besloten lijkt te liggen, hoe je aan soms aan de houding van zijn kop de overwegingen van een meeuw af kan lezen.

  • Als er een ding was waar ik als kind een hekel aan was het met mijn vader mee als er iets gekocht moest worden, want niemand kon zo goed afdingen als mijn vader. Nu ik al een tijd volwassen ben begrijp ik de noodzaak achter het constante ge-onderhandel en bovendien herken ik mijn vaders gepingel inmiddels als een goed ontwikkeld talent, maar ik herinner me nog precies hoe ik me voelde als ik in de Gamma even twee gangpaden verderop ging staan terwijl mijn vader het voor elkaar kreeg om bij de goedkoopste rookmelder waar absoluut geen cent van de prijs af kon toch nog een extra setje batterijen in de handen gedrukt te krijgen.

    Vandaag ging ik met mijn reisgenoot naar Souk el Had in Agadir. Ik had mezelf beloofd op zoek te gaan naar een ring, een goede ring te kopen in plaats van allerlei onnodige souvenirs. Twee van mijn exen hebben afzonderlijk van elkaar gezegd dat ik van alle mensen die ze kennen wel erg gemakkelijk over te halen ben om iets aan te schaffen; er hoeft maar een gezichtje op iets te staan en ik wil het hebben. Een van hen zei toen ik tijdens het boodschappen doen eens een een pak wegwerpzakdoekjes in limited edition verpakking met vrolijk gekleurde poppetjes uit het schap pakte eens: het kapitalisme heeft een goeie aan je. Zulke uitspraken vergeet je niet, bovendien ben ik met het oog op een mogelijke verhuizing naar de randstand langzaam de bezem door mijn bezittingen aan het halen en daarbij geloof ik er tegenwoordig in dat ik voorlopig nog even besta, en daarna de mensen na mij, dus doe ik ondanks mijn materialistische neigingen mijn best om alleen spullen te kopen duurzaam genoeg zijn om me overleven.

    Ingang negen bleek zoals overal verteld werd toegang te bieden tot veel sieradenwinkels, maar ze hadden meer fake Van Cleef & Arpels armbanden hadden dan ringen in mijn smaak. Ik besloot snel mijn ringzoekmissie los te laten en daarmee ook meteen de kleine teleurstelling.

    De souk is een fenomenale plek voor mensen die van prikkels houden. De winkels en stands die spullen soms metershoog uitgestald hebben; arganolie, honing, shirts van het Marokkaans elftal, Palestinashirts, Labubu’s, theepotten, felgeglazuurd keramiek, huishoudbenodigdheden, kleurrijke sieraden in Berber-stijl, bakken vol thee en kruiden, zwarte zeep in grote hopen, groente, fruit, souvenirs. De geur van ras el hanout, van amberblokken en van leren jassen. De verkopers die je aanspreken, de vogels die er pitjes uit manden stelen. Een kat die te midden van alle drukte een dutje doet. Vers granaatappelsap door een rietje drinken, arganolie op je hand gesmeerd krijgen.

    Dwalend tussen alles en afgeslagen naar steeds wat rustigere paadjes belandden we in een kleine juwelierszaak die ik tijdens mijn latere bezoeken niet terug kon vinden. Een man in gestreepte djellaba trok er een bakje met ringen tevoorschijn en tussen die ringen zat de ring waarvan ik niet wist dat ik hem zocht, zilver, chunky, ongeschikt voor mensen met trypofobie en hij paste me.

    ‘How much,’ vroeg ik de man.
    Hij pakte een rekenmachine met grote toetsen, tikte een bedrag in en schoof het apparaat naar me toe. Achthonderdvijftig dirham.
    Tachtig euro voor een zilveren ring. Ik schudde mijn hoofd, en de man gebaarde me een bedrag in te tikken. Tweehonderd, tikte ik.
    ‘Aaah, non!’ De sieradenverkoper lachte, bracht zijn hand naar zijn voorhoofd die hij in een dramatische frons trok en gooide zijn hoofd naar achteren. ‘Catastrophe! Catastrophe!’
    Zevenhonderd dirham stelde hij voor.
    ‘Seven hundred?’ riep ik uit. ‘My husband will kill me!’
    Driehonderd leek me een goed tegenbod.
    ‘Aaaah, nooo! Catastrophe!’ riep de verkoper weer uit.
    ‘Maybe i don’t need a ring,’ zei ik.
    Vijfhonderdvijftig, stelde de man voor.
    ‘Hans-Jan will not like this,’ zei ik zuchtend en tikte driehonderdvijftig in op de rekenmachine.
    Vijfhonderdvijftig.
    Vierhonderd.
    De man schudde zijn hoofd. Ik haalde mijn schouders op en maakte aanstalten om weg te gaan.

    ‘Okay, four hundred,’ riep de verkoper. Hij lachte breed, stak zijn hand naar me uit en schudde mijn hand stevig. Hij deed de ring in een klein roze zakje, drukte hem in mijn hand en sloeg me amicaal op mijn schouder, vaderlijk haast.

  • Onder de douche spoel ik het strandzand van mijn voeten en terwijl ik de korrels in het putje zie verdwijnen denk ik: ik kan alleen maar nemen, het is haast ondoenlijk om het anders te doen, overal waar ik kom verdwijnt iets.

  • Ik ben op vakantie met iemand met wie ik twee jaar geleden een date had. Na de date spraken we elkaar niet meer, tot we vrienden werden.

    Vandaag zagen we Atlantische Oceaan, onmogelijk om je toe te verhouden, zoveel water, zoveel geschiedenis, zoveel dat nu gebeurt. We verzonnen een ritueel, iets met het zoeken van een steen die we eigenlijk mee naar huis zouden willen nemen, we vonden beiden een steen waarvan we eerst ‘deze houd ik misschien toch voor mezelf’ zeiden, gebruikten de stenen, lieten alles wegnemen door het water.

    We maakten geen foto’s en misschien zijn sommige dingen niet om opgeschreven te worden, sommige dingen zijn om te doen en niet over te spreken, zoals ik vroeger in de zandbak met een vriendin een grot bouwde voor god, waarna we met onze nagels het merg uit pitrusstengels gutsten en omhoog gooiden, zo hoog als we konden, naar god, en het maakte niet uit dat ik niet geloofde, sommige dingen doe je omdat ze moeten gebeuren, sommige dingen zijn niet om gezien te worden, sommige dingen zijn om te doen.