Skip to content

Woede

Op een ochtend stond ik op en was alleen maar boos. Dit einde, dacht ik, is niet mijn schuld. Ik heb alles goed gedaan, ik heb mijn best gedaan, jij hebt compleet verzaakt. Alle moeite die ik deed heb ik in een bodemloze put gestort, was vergeefs, verspild.

Ergens riep een stem dat ik misschien ook een aandeel had in de situatie, maar ik begreep meteen dat nadenken over mijn bijdrage aan het einde van onze relatie ervoor zou zorgen dat ik niet meer boos zou kunnen zijn, en gezien ik in therapie heb geleerd dat ik niet moet nadenken en vooral veel moet voelen, besloot ik dat het voor de verwerking goed zou zijn als ik de komende tijd gewoon aan zou nemen dat alles Oscar zijn schuld was.

(Een paar jaar geleden las ik in een ggz-wachtkamer de autobiografie van Elisabeth Kübler-Ross. Toen een psycholoog me ophaalde wilde ik mijn verbazing met haar delen, hoe kan het dat we collectief zo vasthouden aan de rouwfasen die deze psychiater beschreef terwijl ze ook in dingen geloofde die de meeste mensen als grote quatsch zouden bestempelen? De psycholoog keek me met een lege blik aan. Ze had geen idee over wie ik het had.

Even dacht ik: hoe ga jij me helpen als er geen belletje gaat rinkelen bij het horen van de naam Kübler-Ross? Later dacht ik: je hoeft niet alle theorie paraat te hebben om iets goeds te doen. Het is een gedachte waar ik sinds ik niet meer depressief ben en vol kennishiaten de wereld aanschouw veel aan heb.)

Op de ochtend dat ik boos was, trok ik vloekend mijn panty aan. Vasco keek me aan vanuit mijn kledingkast, waarin zijn mandje staat. Naast hem lagen Oscars T-shirts en onderbroeken nog.
‘Hij zakt maar in de stront,’ zei ik. ‘Fucking lul.’
Vasco gaapte.
‘Hij zakt maar door de grond,’ zei ik.
Ik trok een ladder in mijn panty. Vasco rekte zich uit en ging rechtop zitten.
‘Hij zakt maar door de aarde. Hij zakt maar naar het midden van de aarde.’
Vasco hield zijn kop scheef.
‘Waar de lava is,’ zei ik ter verduidelijking, en begon onbedaarlijk te huilen.

Ik overwoog een boksbal op een veer te kopen, maar dat deed ik niet. Ik wandelde wel veel.

Over een tijdje ontdoen de dingen die ik meemaak de relatie met Oscar van de betekenis die het nu heeft. Ik word verliefd op een vrouw, zij ook op mij, dat blijkt allemaal veel minder eng dan ik dacht, we hebben het bijna altijd fijn en ik denk regelmatig: als Oscar en ik niet uit elkaar waren gegaan had ik dit geluk niet gevonden. Ik kom de ex tegen waarvan ik had gewild dat ik hem pas ontmoet had nadat ik therapie had gehad, we vallen opnieuw voor elkaar, ik raak per ongeluk zwanger, blijk een geboren moeder te zijn, het gezinsleven slokt me op en ik vergeet überhaupt nog aan Oscar te denken. Ik blijf altijd alleen, probeer als ik oud ben terug te denken aan de laatste keer dat iemand me aanraakte, ik weet dat Oscar het was, maar kan me steeds slechter herinneren hoe het voelde.

Dit ligt allemaal aan jou, dacht ik, dat je straks vervaagt, dat alles wat nu belangrijk is zijn relevantie verliest, dat je een voetnoot wordt. Ik wilde niet dat je een voetnoot zou worden. Lul.

Er niet naar vragen

1 reactie

Twee dagen lang had ik me de ogen uit het hoofd gehuild, apathisch voor me uit zitten staren, wandelingen gemaakt en alle aanbiedingen om te komen eten of koppen thee te komen drinken afgeslagen omdat ik liever alleen wilde zijn. Omdat elk woord over de breuk dat over mijn lippen kwam me nog harder aan het huilen bracht. En nu moest ik naar de schrijver. 

Ik ben onderdeel van een kleine groep die de schrijver boodschappen brengt. Door mijn persoonlijk leed zou ik haast vergeten wat de rest van het land ook al vergeten lijkt: er waart een virus door over de wereld en er zijn mensen die daardoor ernstig in hun bewegingsvrijheid beperkt worden. 

Het liefst had ik de schrijver een bericht gestuurd. Ik kan niet komen. Dat deed ik niet.

Op de boodschappenlijst die ik in mijn inbox vond, schreef ik een mail terug. Mijn relatie is net uit. Ik moet om alles huilen en als je me vraagt hoe het met me gaat en ik moet vertellen wat er aan de hand is, gaat het vast mis.

De schrijver berichtte terug. Ik vraag nergens naar.

In de supermarkt hoefde ik niet te huilen.

Nadat de schrijver me bij de voordeur bij had gepraat over waar hij mee bezig is, viel het stil. De volle AH-tas stond tussen ons in. De man keek me een paar seconden aan en ik probeerde te glimlachen.
‘Nou,’ zei de schrijver. ‘Ik vraag dus nergens naar.’
‘Heel goed,’ zei ik.
De schrijver probeerde ook te glimlachen.
‘Volgens mij lukt het wel om er iets over te zeggen,’ zei ik. ‘Maar ik zag er zo tegenop om overvallen te worden door de vraag hoe het met me gaat.
De wind blies zacht door het haar van de schrijver, dat alle kanten opstond.
‘Het is allemaal heel verdrietig,’ zei ik. Ik concentreerde me op mijn ademhaling om mezelf onder controle te houden. ‘Je bent de eerste die ik live spreek sinds het uit is.’
‘Och,’ zei de schrijver. ‘Ik weet nog goed hoe moeilijk het allemaal is. Je moet er dwars doorheen.’
‘Volgens mij doe ik het best goed,’ zei ik. 
‘Ja,’ zei de schrijver.
‘Ik huil niet,’ zei ik.
‘Nee,’ zei de schrijver. ‘En misschien sta je hier over een paar weken wel heel anders bij de voordeur. Lachend. Zeg je: het is maar goed dat het zo gegaan is.’
‘Dat zou best kunnen,’ zei ik.
‘Zit de kassabon weer in de tas?’ vroeg de schrijver. 
Ik knikte.
‘Bedankt,’ zei de schrijver.
‘Bedankt,’ zei ik.

Alleen de echte doorzetters

Ik ben een hardloper. Ik ben niet atletisch gebouwd, ik ren vrij traag en ben sinds ik corona heb gehad alleen maar langzamer geworden. Ik trek mijn hardloopschoenen regelmatig met de grootst denkbare tegenzin aan, maar rennen zit inmiddels zo ingebakken in mijn wekelijkse routine dat het een onderdeel van mijn identiteit is geworden.

Op hardloopdagen trek ik ’s ochtends meteen mijn hardloopkleding aan. Daarna poets ik mijn tanden, neem mijn medicijnen in met een paar happen sojayoghurt, zet mijn koptelefoon op en bij voorkeur dans ik nog paar minuten door de woonkamer voordat ik de deur uitga.

Het is in deze tijd een groot geschenk dat ik in de afgelopen jaren routines heb ontwikkeld, dingen om me aan vast te houden. 

Op de eerste dag dat ik met het grote verdriet wakker werd danste ik niet. Ik trok met dikke ogen mijn sportkleding aan, sjokte met hangende schouders over de galerij en vloekte toen ik voelde hoe koud het buiten was, en hoe hard de regen.

De lucht was gevuld met donkere wolken en ik kwam nauwelijks vooruit. De regen veranderde zo nu en dan in pijnlijke hagel. Er was niemand buiten. Geen mensen, geen vogels. De wind had constant vat op mijn veel te wijde trainingsjas, die ik als een grote paarse remparachute achter me aantrok.

Het voordeel van kutweer is dat je buiten kan huilen. Tranen vallen niet op in de regen en als er niemand op straat is kan je je sowieso laten gaan.

Na een paar kilometer had ik de kracht niet meer om te rennen, en ik besloot me om te draaien en naar huis te wandelen. Ik was doorweekt en voelde me een mislukkeling, slenterend op hardloopschoenen, helemaal alleen, huilend op straat, in een vintage paarse trainingsjas die volstrekt tot zijn recht kwam als ik mijn haar mooi had gedaan, leuke make-up op had en er toffe schoenen onder droeg, maar nu gewoon de jas was van een sukkel. 

Vlak voordat ik thuis was kwam ik een man tegen. 
‘Lekker weertje, he?’ zei ik.
De man lachte. 
‘Je hebt niet eens een muts op,’ zei hij.
‘Nee,’ zei ik.
‘Dit weer,’ zei de man, ‘is voor de sterksten. Alleen de echte doorzetters gaan nu naar buiten.’
De man lachte weer. Ik huilde, maar hij zag het niet.
‘Je hebt gelijk,’ zei ik. ‘Wij zijn doorzetters.’

Voelen

Dit was het moment waarop ik alles wat ik in therapie had geleerd in de praktijk moest brengen. Alles wat ik had toegepast op onverwerkte emoties en trauma’s direct gebruiken op wat zich hier en nu afspeelde.

Niet: de glorie van wat is geweest ontkennen.
Niet: zeggen dat het wel meevalt.
Niet: zeggen dat je Oscar haat.
Niet: naar de kroeg.
Niet: een fles wijn halen.
Niet: naar AliExpress.
Niet: denken dat de beloftes die nieuwe spullen in zich dragen iets verlichten.
Niet: een datingapp installeren.
Niet: een oude scharrel bellen.
Niet: een vervangende pijn verzinnen.
Niet.

Ik besloot te doen wat de psycholoog  me had geleerd: voelen. Waar ik een aantal jaren geleden de grootst denkbare moeite moest doen om onder aanmoediging van de psycholoog (Waar voel je dit? Voel je iets in je armen? Bij je keel? Op de borst? Wat voel je dan?) de emoties in mijn lijf te vinden en zelfs dan niet zeker wist of het antwoord klopte als ik zei dat ik een zwaar gevoel in mijn benen ervoer, was er nu geen twijfel over mogelijk. Mijn keel zat dichtgeknepen. Het was alsof er iets aan mijn romp trok, iets zwaars en dieps en dichts, maar het trok slechts zachtjes. Het was alsof mijn ogen dieper in hun kassen lagen, mijn gezicht voelde klein, alsof een zwaartekrachtveld midden in mijn schedel alles naar binnen haalde. Vlak onder de huid van mijn onderarmen trok zich iets samen, geen spieren, zo diep lag het niet. Iets trok zich samen en ik dacht: het zou fijn zijn als mijn extremiteiten de eigenschappen van slakkenogen hadden, dat ze naar binnen konden trekken, dat ik me kon samenvouwen tot een prop met alleen dit zware gevoel.

Toen huilde ik, ik huilde zo hard dat de buren het gehoord moesten hebben en ik dacht geen moment aan de buren. 

Daarna ging ik naar buiten. In de afgelopen weken had ik door alle spanning dagelijks zoveel gewandeld dat mijn gemiddelde stappenaantal inmiddels bedenkelijk hoog was, maar wandelen was het beste dat ik had. Ik voelde me bijzonder sterk tijdens de wandeling. Het is groot, dacht ik, maar dit kan ik dragen.

Tijdens therapie ga je je ziektes als een entiteit zien. Ik heb het geluk dat ik nooit het gevoel heb gekregen dat mijn depressie verdween of kromp tot een hanteerbaar formaat, dat ik altijd heb geloofd dat ik zelf sterker werd. Ik geloof graag dat ik mijn depressie als een kind aan de hand mee door het leven neem. Een kind dat me respecteert, maar zich soms gewoon als kind gedraagt. Als ik een depressie van dergelijk formaat bij me kan houden zonder dat het me vloert, kan ik ook dit verdriet aan. Het is groot, dit kan ik dragen.

 

Mayonaise

Forel Vissen in Amerika is maar een dun boekje.

‘Hoe laat ben je hier?’ vroeg ik afgelopen zondag. ‘En wil je mayonaise meenemen? We eten gebakken aardappeltjes, verse bieten en het spijt me want dit lijkt me ook niet lekker, maar ik wil het graag proberen: vegan cordon bleu.

Er is weinig in de wereld waar ik blijer van word dan van mayonaise, daarom koop ik het eigenlijk nooit. Ik eet een pot binnen twee, drie dagen leeg. Als ik kook voor Oscar en mij en ik haal mayonaise in huis, geef ik hem de pot mee als hij naar huis gaat.

Toen Oscar en ik elkaar net kenden, pakte hij een van zijn lievelingsboeken uit de kast om me eruit voor te lezen. Forel Vissen in Amerika. Ik vond er niets aan, maar ik had een grote interesse voor Oscar, dus ik luisterde graag. Op avonden dat ik het moeilijk had of slecht in slaap kon komen, pakte hij het boek, las me een of twee hoofdstukken voor terwijl ik in slaap dommelde en af en toe klaarwakker overeind schoot bij het horen van een lelijke vergelijking.
‘Ik snap niet dat dit boek werkelijk uitgegeven is,’ riep ik dan uit. Of ‘Ik geloof niet dat iemand dit echt goed vindt, volgens mij praten alle liefhebbers elkaar na en durft niemand nu meer te zeggen dat het gewoon een slecht boek is.’
Oscar moest dan om me lachen, gaf me een kus en zei: ‘Wacht maar tot we bij het mayonaise-hoofdstuk zijn.’

Oscar zette de pot op het aanrecht, gaf me een kus en ging op de bank zitten.
‘Het gaat niet zo goed tussen ons,’ zei Oscar. Hij vroeg het haast.
‘Nee,’ zei ik. ‘Nee.’
Eerst spraken we over de gebreken. Toen over verwachtingen. Vervolgens over bedoelingen.
We huilden. Eerst een beetje, daarna steeds harder. We hielden elkaar vast, zo stevig hadden we elkaar alleen vastgepakt toen we elkaar net kenden en we geloofden dat we nooit meer los konden laten. We haalden om beurten glaasjes water, maakten een paar grappen die volledig doodsloegen. We hadden veel begrip voor de ander. Spraken waardering uit. We stopten niet met huilen.
‘En nu?’ vroeg Oscar.
‘Ja.’ zei ik. 

Naarmate we elkaar langer kenden las Oscar me steeds minder vaak voor. Dat is niet erg, we hadden meer te doen. Een tijd geleden nam Oscar Forel Vissen in Amerika weer mee naar bed. Ik ergerde me aan een vergelijking, maar was het boek inmiddels steeds meer gaan waarderen.
‘Als het uit is, moet je weer van voren beginnen,’ zei ik. ‘Ik wil geen ander boek meer horen.’
‘Weet je het zeker?’ vroeg Oscar.
Ik knikte.
Forel Vissen in Amerika eindigde met het mayonaise-hoofdstuk. Een prachtig einde, vond ik. Wie een verhaal kan eindigen met mayonaise, is wat mij betreft een grote.
‘Ik zie het hele boek in nieuw licht na het horen dit hoofdstuk,’ zei ik. ‘Ik neem alle kritiek terug.’

‘En nu,’ zei ik. ‘Nu vraagt een van ons of het dan uit is en dan zegt de ander dat het inderdaad uit is, en dan ga je naar huis.’
‘Het leek me duidelijk,’ zei Oscar, ‘dat het uit is. Ik blijf niet meer eten denk ik. Moeten we nu de sleutels aan elkaar teruggeven?’
Ik haalde mijn schouders op.
‘En onze spullen, die moeten we binnenkort aan elkaar teruggeven. In een tasje.’
Ik knikte en veegde mijn wangen droog met mijn mouw. Ik keek naar Vasco, die alles vanaf de salontafel in de gaten had gehouden.
‘Ik denk dat ik maar moet gaan,’ zei Oscar.
Hij stond op, pakte zijn jas, kwam nog een keer teruggelopen. We hielden elkaar nog maar eens vast, we keken elkaar nog een keer aan. Toen ging ik weer op de bank zitten en liep Oscar richting de voordeur. 
‘Wacht,’ zei ik. 
Oscar draaide zich om.
‘Wil je alsjeblieft de mayonaise weer mee naar huis nemen?’

Werk

‘Nou raakte ik laatst met een man aan de praat,’ zei ik, ‘en die kende iemand die misschien thuis hulp kon gebruiken, dus nu heb ik misschien een extra werkplek.’
‘Wat goed,’ zei de militair. Het stemde hem altijd tevreden als ik mijn volwassen zaken goed op orde had. Werk, geld, huishouden.
‘Bij een oude dienstweigeraar,’ zei ik.
De militair maakte een afkeurend geluid, nam toen een slok van zijn cola.
‘Wat,’ zei ik.
‘Ja wat,’ zei hij.
We waren beiden stil. Toen moest de militair hard lachen.
‘Ik ben blij dat het goed met je gaat,’ zei hij.

(Het volgende deel van De logé is onderweg!)

De logé – deel 4

Toen we thuis waren ging het meisje naar bed en viel meteen in slaap. Ik ging naar het balkon, zat een tijd op het bankje en gooide vervolgens de asbak leeg.

Ik dacht veel na over hoe ik het meisje kon helen zonder haar weg te jagen.

Therapie ondergaan herinner ik me als een zware bezigheid, maar het helen van mijn innerlijke kind heug ik me (misschien ten onrechte) als vrij eenvoudig. Je haalt je 6-jarige zelf voor de geest – als je zoveel in je hoofd hebt geleefd als ik, is daar geen kunst aan. Je vertelt het kind alles wat het vroeger te horen had moeten krijgen, sowieso moet je het kind vertellen het niets kon doen aan wat het allemaal overkwam, dat het hun schuld niet was. Daarna pak je het kind op, houdt het vast, zegt ik hou van jou en meent het. Tenslotte maak je goed wat het kind tekort gekomen is. Je verft je huis geel, leest de hele dag dikke boeken, trekt gekke jurken aan, koopt My Little Pony’s. Het kind verdwijnt stilletjes, je hoeft geen afscheid te nemen. Als het kind later plotseling opnieuw voor je neus staat, zeg je: hoi lieverd, ben je daar weer?

Door de muren heen hoorde ik gesnurk uit mijn slaapkamer komen, het was alsof er een oude kerel te slapen lag. Toen ik de deur op een kier zette zag ik het meisje op haar rug liggen, haar armen uitgespreid. In haar linkeroksel lag Vasco, opgerold als een egeltje. 

Ik probeerde te bedenken wat het meisje tekort gekomen was, wat ik haar kon geven, wat we samen konden doen. Er kwam geen enkele nuttige gedachte op. Even leek het me een goed idee om aan het meisje te vragen wat ze van me nodig had, maar ik wilde niet dat ze het gevoel kreeg dat ik  alleen maar op zoek was naar een manier om haar weg te krijgen. 

Tijdens onze wandeling had het meisje veel voorovergebogen gelopen, met haar gezicht naar de grond gericht. Af en toe leek ze zich bewust te zijn van haar houding, dan trok ze haar schouders naar achteren, stak haar kin omhoog en sprak ineens veel helderder. Alle informatie over het meisje leek relevant, maar ik wist niet wat ik ermee moest.

Ik besloot ook te gaan slapen, ik zag op tegen de volgende dag. Voordat we ook maar iets anders gingen doen zouden we het huis opruimen, de vuilniszakken van het balkon weggooien, het aanrecht leegmaken, stofzuigen, de post openen, instanties bellen. Het meisje moest het leren en ik wist dat het met veel tegenzin zou gaan.

Met mijn benen ingetrokken paste ik net op de bank. Ik legde mijn hoofd op een klein kussentje en trok een fleecedeken over me heen. Het duurde meer dan een uur voordat ik in slaap begon te vallen.

Toen ik net wegdoezelde schrok ik wakker. Het meisje schudde aan mijn schouder.
‘Kom je bij me in het bed slapen?’ vroeg ze. ‘Ik ben bang.’

***
Eerder verschenen:
De logé – deel 3
De logé – deel 2
De logé – deel 1

De logé – deel 3

‘We lopen eerst langs het huis van Sanne,’ zei ik.
‘Sanne?’ 
‘Ze woont vlak om de hoek,’ zei ik. ‘Hebben jullie ruzie?’
Het meisje knikte.
‘Jullie gaan nog wel ergere dingen meemaken,’ zei ik. ‘Geeft niets. Jullie kunnen wat hebben.’
lk voel aan de sleutelbos in mijn jaszak.
‘Sanne heeft een kat,’ zei ik. ‘Vlokje. Ik geef hem soms eten als ze Sanne er niet is.’
Het meisje glimlachte klein.

Toen we voorbij Sannes huis liepen en afsloegen richting onze oude werkplek pakte ze mijn hand steviger vast.
‘Shoarma Town zit hier niet meer,’ zei ik. We stonden even stil voor het pand waar het meisje kilo’s shoarma van het spit sneed. Er zat een vestiging van een grote Amerikaanse pizzaketen.
‘Er is brand geweest.’
De ogen van het meisje werden groot. Ik wist wat ze dacht, wat ze meegemaakt had. Het gedoe, de ruzies, het geschreeuw. De spanning en de constante kritiek. De messen die op een slechte dag eens door de keuken vlogen. Haar kleine daden van verzet. Stiekem de UK Subs draaien als er geen collega’s waren, klanten gratis koffie geven. Huzarenslaatjes in de vorm van penissen serveren. Die keer dat ze op nieuwjaarsdag moest werken, rechtstreeks van een feestje kwam en de shoarma letterlijk uit de pan zag kruipen, waardoor ze genoodzaakt was alle klanten te vragen om alsjeblieft alleen patat met een frikandel te bestellen.
‘Goed voor ze,’ zei het meisje.
Ik wees naar een pand aan de overkant van de straat.
‘Het zaak bestaat nog steeds.’

Ik pakte de hand van het meisje vast en trok haar met me mee. We staken de straat over, het meisje kwam iets achter me aan. We liepen langzaam langs Shoarma Town. Ik fungeerde als buffer tussen het meisje en de shoarmazaak. We zagen de oude baas. Hij was grijs geworden en had een grote frons tussen zijn wenkbrauwen. De man zei iets tegen een jonge medewerker en schudde geërgerd zijn hoofd.

We naderden het huis van Tom.
‘Moeten we niet naar huis?’ zei het meisje.
‘Kom,’ zei ik.
‘Woont Tom hier nog?’
‘Ik denk het wel.’
Het meisje zuchtte.
‘Tom is zo, nou ja,’ zei het meisje. ‘Je weet wel.’
Ze stamelde. 
‘Tom is zo wat?’ vroeg ik.
‘Nou, gewoon.’
‘Hij wilde dat je zijn moeder ontmoette,’ zei ik. ‘Hij was lief voor je. Er valt niet zoveel slechts over hem te zeggen.’
Het meisje maakte een geërgerd geluid.
‘Zie je mama nog?’ vroeg ik.
Het meisje knikte.
‘Papa?’
‘Laten we doorlopen,’ zei het meisje. ‘Wat als Tom ons ziet?’
‘Ik hoop het niet,’ zei ik.
‘Hoezo?’ vroeg het meisje.
‘Later krijg je een lange relatie met iemand die je intenties altijd in twijfel trekt.’
‘Wat heeft dat ermee te maken?’
‘Ik weet niet wat ik tegen Tom moet zeggen als we hem nu tegenkomen. Als hij vraagt waarom we hier staan.’ 
Ik voelde mijn wangen rood worden. Mijn hart sloeg in mijn keel.
‘Het blijft moeilijk om niet te twijfelen aan mijn eigen bedoelingen.’
‘Sorry, hoor,’ zei het meisje. ‘Maar ben jij er niet om mij gerust te stellen?’
‘Tom vindt het vast niet erg dat we hier even staan.’ zeg ik.
‘Ben ik gemeen tegen hem geweest?’ vroeg het meisje.
‘Ik ben bang dat je niet de goeierik in dit verhaal bent.’
‘Zullen we anders even bij hem langsgaan?’ vroeg het meisje. ‘We zijn er nu toch.’
Ik schudde mijn hoofd en pakte het meisje vast. Ze drukte zich tegen me aan en wreef over mijn rug.

‘We gaan,’ zei ik. ‘Ik laat je thuis de nieuwste Animal Crossing zien.’
‘Vet,’ zei het meisje.

‘Waarom ben je eigenlijk niet eerder met die lange relatie gestopt?’ vroeg het meisje op weg naar huis.
‘Lang verhaal,’ zei ik.
Het meisje haalde het pakje Van Nelle tevoorschijn en draaide een shagje.
‘Misschien kan je met Tom gaan wandelen,’ zei het meisje. ‘Als ik er straks niet meer ben.’

***
Eerder verschenen:
De logé – deel 2
De logé – deel 1

De logé – deel 2

Ik had het meisje een handdoek gegeven. Ze kon murmelen wat ze wilde over een crusty zijn en wat punk is, ik wist dat ze niet durfde te douchen vanwege de mannen met wie ze de badkamer deelde, ik wist hoe moeilijk het überhaupt is om het bed uit te komen en een handdoek te pakken, ik begreep het allemaal en het meisje kon een stuk zeep gebruiken.

Het meisje bleef lang onder de douche staan. Ik ging in kleermakerszit op de bank zitten probeerde op mijn ademhaling te letten. Het is eigenlijk niet zo verrassend, dacht ik, dat dit meisje nu een tijdje bij me blijft. Ik dacht aan hoeveel andere mensen niet horen dat er een adolescent op hun voordeur staat te beuken. De mannen in pakken die lachend roepen dat je geen hart hebt als je niet links bent als je jong bent en geen verstand als je niet rechts bent op oudere leeftijd.

Toen ik de douche uit hoorde gaan stond ik op, liep naar de keuken en pakte een Desperados. Ik deed er een schijfje citroen in en zette het flesje klaar voor het meisje. 
‘Wow,’ zei ze toen ze met natte haren de kamer inliep. ‘Lekker.’
Het meisje had zich slecht afgedroogd, maar ik zei er niets over. Ze droeg een ander rokje, dezelfde panty’s en een hemdje van Leftover Crack. Misschien moesten we het nog eens over dat concert hebben, maar dat was voor later.
‘Eén drankje,’ zei ik. We hadden beiden een neiging tot mateloosheid. In tegenstelling tot het meisje had ik geleerd hoe nuttig het is om tijdig afspraken met jezelf te maken.
Het meisje rolde met haar ogen.

We konden goed stil zijn samen. Het voelde meteen vertrouwd, een ander in mijn huis. Af en toe keken we tegelijkertijd op uit onze gedachten en dan vingen onze blikken elkaar.

Het meisje zat nauwelijks stil. Ze wisselde constant van houding, sloeg haar linkerbeen over haar rechter, dan weer haar rechterbeen over haar linker, draaide aan de ringetjes in haar neus.

‘We gaan straks een stuk wandelen,’ zei ik.
Het meisje knikte.
‘Waarom heb je zoveel spullen?’ vroeg ze.
‘Ik heb veel verdriet gehad,’ zei ik.
‘Heb je alle boeken die in je kast staat gelezen?’ vroeg ze.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Je moet wegdoen wat je niet leest,’ zei het meisje.
‘Dat weet ik niet,’ zei ik.
‘Waar krijg ik verdriet over?’ vroeg het meisje. ‘Gaat er iemand dood?’
Ik schudde mijn hoofd weer.
‘Gelukkig,’ zei het meisje.

Ik stond op van de bank om mijn schoenen te pakken.
‘Heb je iets warmers voor me om aan te trekken?’
Ik pakte het Schültenbrau-vestje dat ik ooit bij de Aldi kocht. Laatst had ik het bijna weggedaan, nu was ik blij dat het nog in mijn kast lag.
‘Vet,’ zei het meisje.

Toen we de wijk inliepen besefte ik ineens dat onze territoria overlapten. Dat ik achter de Wibra woon waar het meisje speelgoed met haar oppaskind kocht. Dat ik vaak boodschappen doe in de Albert Heijn waar zij altijd kwam.

We wandelden langs een buurtcentrum. 
‘Hier werk je later een tijdje,’ zei ik. Het leek me niet de bedoeling haar hele toekomst te verklappen, maar een enkele geruststelling leek me wel kunnen. ‘Je wordt ambulant begeleider van mensen die in de stad wonen en hulp kunnen gebruiken.’
‘Tof,’ zei het meisje. Plotseling keek ze schichtig om zich heen. Ze leek te herkennen waar we waren.
‘Laten we een andere kant opgaan,’ zei ze.
‘Waarom?’ vroeg ik.
‘Ik ken het hier al,’ zei het meisje.
‘Kom,’ zei ik. ‘Er kan niets gebeuren.’
Ik stak mijn hand uit, het meisje pakte hem vast. Samen liepen we rechtdoor.

***
Eerder verscheen:
De logé – deel 1

De logé – deel 1

Ik zat op de bank door wat filmpjes te scrollen en merkte dat het voor het eerst sinds de coronabesmetting wel weer ging. Dat ik erg moe was, maar nauwelijks nog benauwd. Ik dacht, het is tijd om weer in actie te komen. Toen ik van mijn telefoon opkeek registreerde ik pas het gebonk op de voordeur. Ik besefte dat het geluid al een tijdje aanhield.

Er stond een meisje met geladderde panty’s op de galerij, ze droeg een Makiladoras-shirt en had twee ringen in haar neus. Ik herkende haar meteen. 
‘Hoe lang sta je hier te wachten?’ vroeg ik.
‘Al maanden,’ zei het meisje. 
Dat leek me overdreven. Ik zei er niets van, het meisje was vaker niet serieus genomen als ze gelijk had. Bovendien doet overdrijven geen recht aan de feiten, maar wel aan de ervaring. Overdrijvers ontwikkelen zich vaak tot uitstekende verhalenvertellers, een goede reden om ze niet te corrigeren.
‘Och kind,’ zei ik. ‘Kom binnen.’
Het meisje stapte mijn woonkamer in, schoof wat rommel op de bank aan de kant en ging zitten. 
‘Eigenlijk ben ik al maanden binnen,’ zei ze. 
Ik keek om me heen en zag dat ze gelijk had.

Ik zette twee koppen thee en zette een ervan voor het meisje op tafel. Ze was onrustig, veranderde steeds van houding, pulkte aan wondjes op haar gezicht en aan haar nagels.

‘Wil je praten?’ vroeg ik. Het meisje zuchtte. 
‘Misschien moeten we het eerst over de olifant in de kamer hebben,’ zei ik.
‘Jezus,’ zei het meisje. Ze opende een rits aan de voorkant van haar rokje, haalde een pakje zware Van Nelle tevoorschijn en begon een shagje te draaien.
‘Op het balkon,’ zei ik. 
Het meisje knikte.
‘Is goed,’ zei ze. ‘Kom je mee?’

Ik pakte de asbak die ik op mijn balkon bewaar voor gasten en zette hem tussen ons in op de houten bank. Het meisje pakte een kleine rode bic-aansteker uit de borstzak van haar blouse en stak haar shagje aan. 
‘Zeg het maar,’ zei ze.
Ik wist dat ik het niet ging redden met wat ik had geleerd over het helen van innerlijke kinderen. Dat het niet genoeg zou zijn om te zeggen dat het niet haar schuld was, dat ik van haar hield. Dat we niet zomaar iets konden gaan doen wat ze altijd al had willen doen. Ze was niet dom.
‘Laten we niet doen alsof we niet weten dat je voor mij een concept bent. Dat ik voor jou een concept ben.’
Ik keek naar hoe het meisje haastig trekken van haar shagje nam. Het was lang geleden dat ik zo’n zin in een sigaret had. Zonder dat ik er iets over had gezegd bood het meisje me haar Van Nelle aan. Ik schudde mijn hoofd.
‘Ik weet het,’ zei het meisje. ‘Dit is raar. Je bent anders dan ik gedacht had.’
Ik vroeg niet door. We keken elkaar aan en moesten tegelijkertijd lachen.
‘Wat doen we nu?’ zei het meisje. ‘Waar moet ik slapen?’
‘Je kan in mijn bed,’ zei ik. ‘Ik slaap op de bank.’
Voordat het meisje kon zeggen dat dat niet nodig was, zei ik nogmaals dat ze in mijn bed zou slapen.
Het meisje drukte haar shagje uit en begon meteen een nieuwe te draaien.
‘We verschonen straks samen het beddengoed,’ zei ik.
Het meisje zuchtte weer.
‘Het is niet veel werk. Ik weet dat er belangrijkere dingen op de wereld zijn, maar daar kunnen we het later over hebben. Het is belangrijk om in een schoon bed te slapen.’
‘Oké,’ zei het meisje. ‘Heb je bier in huis?’