Skip to content

Het trainingspak II

Op de wc probeerde ik te verzinnen wat ik kon zeggen, maar er kwam niets. Wat zeg je zomaar uit het niets tegen iemand die je jaren niet gesproken hebt?

Ik dacht terug aan de keer dat ik ik de MP3-cd die Tom lang geleden voor me maakte terugvond. Het was een eclectisch meesterwerk dat ik toen ik hem kreeg veel beluisterde maar in retrospectief alsnog te weinig op waarde wist te schatten, met hits van zowel Kelis als Doom, van zowel Weezer als Dystopia en een enkele klassieker als Das Einheitsfrontlied. Ik stuurde Tom na het vinden van de cd online een bericht met een foto van de cd. We wisselden een paar vriendelijke beleefdheden uit, maar tot een gesprek kwam het niet.

Wat kan je tegen zo iemand zeggen?

Het juiste antwoord is natuurlijk: niets. Je zegt niets. Daar dacht ik niet aan.

Mijn hoofd voelde zwaar en mijn maag maakte een raar geluid. Ik liet mijn hoofd tussen mijn knieën hangen. Ik kan wel slapen, dacht ik, en ik sloot mijn ogen even. 

Toen ik opgestaan was, mijn handen waste, de uitgelopen mascara met mijn pink onder mijn ogen weghaalde en in de spiegel het knalpaarse 90s trainingspak zag dat ik eerder die week in de kringloopwinkel kocht, wist ik dat ik een gespreksonderwerp had. Ik liep naar Clemens die nog steeds met de joint in zijn handen zat, nam een paar trekjes en wachtte tot Tom langsgelopen kwam.

‘Tom,’ riep ik. ‘Kom eens?’
Tom kwam naar me toegesjok. Ik stak een arm omhoog en sprong in een soort superheldenhouding zodat Tom goed zicht had op mijn kleding.
‘Wat vind je van mijn trainingspak?’ vroeg ik.
Tom keek me met een minuscuul fronsje zwijgend aan en ik had meteen spijt van mijn beslissing hem aan te spreken. Ik deed mijn best te glimlachen.
Tom zei niets.
‘O,’ zei ik en mijn gezicht betrok.
‘Op zich vind ik paars wel een mooie kleur,’ zei Tom.
Ik keek naar Toms haar en probeerde te ontdekken wat voor kapsel hij had. Bovenop was het langer dan aan de zijkanten, misschien was het een soort hanekam, maar het leek me niet de bedoeling dat het langere gedeelte rechtop gezet zou worden. Toen zag ik zijn grijze haren.
Potverdorie Maxwell Sheffield, dacht ik, dat grijs staat je niet verkeerd. Daarna dacht ik terug aan de tijd waarin ik alle afleveringen van The Nanny achter elkaar had gekeken. Raap jezelf bij elkaar, dacht ik toen. Dit is niet Maxwell Sheffield, Broadway producer, dit is Tom, de man die je lang geleden over acht cola, acht bier leerde. 
Tom keek me nog steeds aan. 
Zeg nu iets terug, dacht ik. Jirke, je moet nu reageren.
‘O,’ zei ik. ‘Ik heb een hekel aan paars.’
Tom bleef me aankijken en zweeg.

Kut, dacht ik. Kut, kut. Wat ben ik aan het doen. Waarom heb ik Tom ook aangesproken. Wat moet ik zeggen?
Ik bracht mijn hand naar mijn voorhoofd en keek achterom naar Clemens. Hij was een nieuwe joint aan het draaien en leek niet bezig met het gesprek dat ik met Tom voerde.
‘Sorry,’ zei ik tegen Tom. ‘Ik ben zesendertig jaar en heb wiet gerookt en dat moet ik helemaal niet doen.’ 
Tom zijn gezicht verzachtte iets. Toen moest ik onnodig hard lachen.
‘Het is koosjere wiet,’ zei Clemens, die zich kennelijk ineens bewust was van zijn omgeving.
Gelukkig, dacht ik. Hulp.
‘Koosjere wiet.’ zei Tom. ‘Dat zou ik met een korreltje zout nemen.’
Ik draaide me om naar Clemens.
‘Ken je Go, Go, Koosjer? Dat is mijn lievelingskookprogramma, maar het is al lang niet meer op televisie.’
‘Nooit van gehoord,’ zei Clemens en hij vertelde Tom over waar hij zijn wiet had gekocht.
Ik voelde me draaierig en ging weer zitten.
‘Zeg, ik loop door,’ zei Tom. ‘Ik ben iemand kwijt.’
Het klonk heel ernstig.
‘Iemand kwijt zijn,’ zei ik. ‘Dat is nooit leuk.’

Het trainingspak I

Ik heb een ex die me regelmatig in mijn dromen bezocht toen ik antidepressiva gebruikte.

Het was in de periode dat we van lockdown naar lockdown leefden. De dagen waren vlak als het Groninger landschap en mijn innerlijke belevingswereld was chemisch lamgelegd. Ik merkte niets op, ik maakte niets mee, ik had ook geen enkele zin om te schrijven.

’s Nachts had ik vaak grimmige dromen, toch keek ik er elke dag naar uit om te gaan slapen. De dromen die ik had waren door de medicatie die ik gebruikte zo echt en levendig dat het leek alsof ik in twee werkelijkheden bestond. Een vlakke werkelijkheid overdag, en een bizarre werkelijkheid in de nacht. Een werkelijkheid waarin meubels konden spreken, waarin ik achtervolgd werd door kuddes paarden en waarin Tom regelmatig langskwam.

Onze ontmoetingen waren allemaal onschuldig en platonisch. Toen ik net met de medicatie begon stond Tom in mijn dromen meestal ergens op de achtergrond, als een decorstuk. Later raakten we met elkaar aan de praat en vanaf dat moment ging hij mee op avontuur.

Overdag groeide mijn frustratie over dat het niet lukte om te schrijven.

‘Gewoon een zinnetje per dag,’ zei de schrijver. ‘Niet te veel willen, het gaat om regelmaat.’
Ik vond dagelijks een zin vrij veel gevraagd van iemand die niets meemaakte om te noteren. In een uiterste poging toch iets op te schrijven, richtte ik me tot Tom. Ik stelde vragen. Waarom verschijn je in mijn dromen? Verschijn ik in jouw dromen? Weet je waarom we maar zo kort samen waren?

Het werkte. Ik begon langzaam meer te schrijven en tijdens het schrijven kreeg ik antwoorden op de vragen die ik stelde. Dat Tom in mijn dromen verscheen had meer met de periode waarin ik Tom kende te maken dan met hemzelf. Het was een tijdperk waarin ik mezelf onterecht had achtergelaten, een relevante periode in mijn geschiedenis die niet aan bod was gekomen tijdens mijn laatste therapie. Tom is de enige persoon die exclusief bij die tijd hoort, hoewel, er is nog iemand die ik alleen in die periode zag, maar daar is lang geleden al zoveel EMDR aan besteed dat ik over hem als het goed is nooit meer hoef te dromen.

Toen ik begon met het afbouwen van de medicatie en het schrijven ineens soms vanzelf ging, maakte ik een personage van Tom. Sam. Ik schreef verhalen over Sam en ook wat ik verder schreef was voor een groot deel aan Sam gericht. Hij was mijn publiek.

Nadat ik helemaal stopte met de medicatie had Sam zodanig gestalte gekregen dat hij niet meer vertrok. Hij bleef mijn blik bepalen, hij was losgekomen van Tom en constant bij me als ik schreef.

Soms, als ik Tom tegenkwam, voelde het ongemakkelijk. We groetten elkaar beleefd. Ik groette de personificatie van Sam. Daar had Tom geen weet van, en dat maakte het misschien alleen maar ingewikkelder.

Toen ik eens met Oscar naar De Kift ging, stonden we recht achter Tom in het publiek. Tom en ik spraken niet met elkaar. Ik keek naar wie er voor me stond en dacht: dit is Sam niet. Dit is Tom. Tom draagt een geruit overhemd en dat zou Sam niet dragen, Tom legt zijn hand op de rug van zijn partner op een manier die niet bij Sam past, Toms haar is wat vet in zijn nek en daar is Sams haar überhaupt te kort voor. 

‘We stonden achter Tom, op wie Sam gebaseerd is,’ zei ik op weg naar huis tegen Oscar.
‘Oh,’ zei Oscar. ‘Was het de man in het geruite overhemd?’

Aan dit alles dacht ik toen ik laatst met Clemens wiet rookte na een avond poëzie. Ik lachte constant om niets en zag plotseling Tom lopen. Ik wist niet of Tom mij zag, maar hij groette me niet en ik dacht: dit voelt nog steeds ongemakkelijk. Ook dacht ik: er is een niet-bestaand probleem dat alleen in mijn hoofd bestaat, ik hoef het niet te bespreken om het op te lossen, want er hoeft niets opgelost te worden.

Ik gaf de joint aan Clemens, die hem na een paar hijsen weer aan mij gaf. We maakten grapjes over Skittles en keken naar de sterren. Ik hoestte, stond op om naar de wc te gaan en moest me vastgrijpen aan een tafel omdat ik me duizelig voelde. Toen liep Tom weer langs. En precies daar en op precies dat moment dacht ik: het beste wat ik nu kan doen is naar Tom lopen, hem aanspreken, even een praatje met hem maken.

De telefoon niet pakken

Er is veel mooi aan een relatiebreuk, ook als het niet mooi is. Alles ervaren. Ontdekken dat je het verdriet kan dragen, dat je veel moet huilen en ook veel voelt, maar dat je een ruggengraat van staal hebt. Leren wat je een volgende keer anders zou doen, waar voortaan je grenzen liggen. Voor het eerst zomaar oogcontact met iemand op straat en je afvragen hoe het kon dat je dat de afgelopen jaren niet had. Een naam vervangen door mijn ex en moeten wennen aan hoe dat klinkt. Je ex missen. Je ex steeds minder missen. Scheten laten en niemand die het hoort. Hopen dat het goedkomt. Niet meer willen dat het goedkomt en daar ontzettend hard om huilen. Een datingapp installeren en het gevoel hebben dat dat niet mag. Veel hebben om over te schrijven. Foto’s van jezelf maken nadat je hebt gehuild. Voortaan aan de andere kant van het bed slapen. Woede voelen. Je ex tegenkomen op een datingapp. Alles alleen maar voor jezelf doen. Groteske plannen verzinnen en ze uitvoeren omdat je er de tijd voor hebt. Lichter leven. Vooruit durven kijken en een ander soort toekomst zien. 

Het kutst zijn de momenten waarop je de telefoon wil pakken om te vertellen dat je gevraagd bent om voor te dragen bij de opening van een fantastische tentoonstelling en denkt: o nee, nee, hier doen we samen niet meer aan, dit delen we al een tijd niet meer, de blijdschap, de trots, het plezier.

De geschiedenisleraar IV

‘Laten we onszelf niet plagen,’ zei de geschiedenisleraar.
‘Sorry?’ zei ik.
‘Niet in het echt afspreken is wel dik minder,’ antwoordde hij.
‘Ik plaag niemand,’ zei ik.
Ik dacht na over hoe vaak ik had gezegd dat ik voor 1 juni niet wilde daten. (Er is een iemand die mijn juni-regel zou mogen breken, iemand die ik graag zou zien, maar die persoon heeft mijn nummer niet en weet niet waar ik woon, dus het lijkt me uitgesloten dat hij op een dag zomaar voor mijn deur staat.)
‘Ik ben duidelijk geweest over 1 juni,’ zei ik nog maar eens.
‘Is niet erg,’ zei de geschiedenisleraar. ‘Ik snap wel dit wat snel is als je relatie nog maar net voorbij is.’
‘Volgens mij heb ik eerder al gezegd dat ik het te druk heb,’ zei ik. 

Ik ging naar buiten om een wandeling te maken. Toen ik terugkwam had ik weer bericht van de geschiedenisleraar. Hij liet weten dat hij al een paar uur opgeschoten was in het boekje over fascisme.
‘Je bent verder dan ik,’ zei ik.
‘Dat komt doordat ik geschiedenisleraar ben,’ zei de geschiedenisleraar. ‘Wist je wel dat ik geschiedenisleraar ben?’
‘Ik denk dat ik niet het risico had genomen dit boek uit te kiezen als je bakker was,’ zei ik.
‘Een berekenende vrouw,’ zei de geschiedenisleraar. ‘Beter.’
‘Het leek me verstandig om iets uit te zoeken waar jij verstand van hebt, omdat mannen zo graag dingen uitleggen aan vrouwen.’
‘Mansplainen,’ zei de geschiedenisleraar.
‘Ik ga weer even verder met mijn dag,’ zei ik.
‘Oké, zei de geschiedenisleraar. ‘We houden contact.’

De geschiedenisleraar III

Ik ben niet bekend met de etiquette op dating-apps en eerlijk gezegd verwacht ik er weinig van, maar ik ging op het balkon zitten en stuurde een bericht aan de geschiedenisleraar.

‘Sorry,’ schreef ik. ‘Het is voor mij eigenlijk een slecht moment om op een dating-app te zitten, maar het is een geruststelling om te weten dat er mannen rondlopen met wie ik zomaar een gesprek over poëzie kan voeren.’
‘Waarom is het een slecht moment?’ vroeg de geschiedenisleraar.
Ik vertelde over hoe kort geleden de grote breuk was.
‘Je wilde zien of je nog in de markt lag,’ zei de geschiedenisleraar.
‘Ik wilde de markt verkennen,’ zei ik. 

De geschiedenisleraar had begrip voor mijn situatie en bood zijn hulp aan bij het re-integreren op de dating-markt. Daar bedankte ik voor.
‘Ik heb het druk,’ zei ik. ‘Bovendien ben ik van plan om een miljoen stappen te zetten in de maand mei, dus pas vanaf juni kan je proberen een afspraak met me te maken.’
De geschiedenisleraar stuurde een printscreen van zijn agenda. Op 1 juni stond genoteerd dat hij mij moest bellen. Ook gaf hij mij zijn nummer.

Ik stuurde hem meteen een bericht via WhatsApp.
‘Dat gaat sneller dan verwacht,’ appte de geschiedenisleraar. ‘Probeer je begeerte vooral niet te onderdrukken.’
‘Ik heb geen tijd voor begeerte, zei ik. ‘Sowieso niet tot aan juni.’
‘Het klinkt alsof je veel aan jezelf wil werken de komende weken,’ zei de geschiedenisleraar.
‘Valt mee,’ zei ik.
‘Wil je echt een miljoen stappen zetten?’
‘Dat is het plan,’ zei ik.
‘Kan je het niet beter klein aanpakken als je structurele veranderingen teweeg wil brengen?’
Ik zit toch verdomme toch niet in je mentorklas, dacht ik.
‘Ik wil niet veranderen, ik wil een miljoen stappen zetten,’ zei ik.
‘Geen probleem,’ zei de geschiedenisleraar. ‘Ik wacht wel.’

Ik wist niet of het wel wat zou worden tussen mij en de geschiedenisleraar. Toen gooide hij het over een andere boeg.
‘Zullen we een tweepersoonsboekenclub oprichten?’ zei hij.
‘Graag,’ zei ik.

Hij luisterde het liefst non-fictie, ik mocht iets uitzoeken. Ik keek in de luisterboekenapp die de geschiedenisleraar gebruikt. Er stond geen enkel boek in dat op mijn leeslijst staat. Ik koos een boekje over fascisme uit om te zien hoe de geschiedenisleraar zou reageren. Hij was enthousiast over wat ik had uitgezocht. Van enthousiasme weet je bij sommige onderwerpen niet precies wat het betekent, maar daar zou ik in dit geval bij de boekbespreking wel achterkomen, dacht ik.

‘Wanneer gaan we het over het boek hebben?’ vroeg ik.
‘Volgende week maandag,’ zei hij.
‘En,’ vroeg ik, ‘wat is je favoriete manier van niet-irl boekbespreken?’ 

Zelfstandig het oud papier

Vasco moest naar de dierenarts en omdat ik moest werken, haalde Oscar hem op. Dat hadden we zo afgesproken toen we nog bij elkaar waren. 

Oscar en ik hadden elkaar (op wat zakelijke uitwisselingen via WhatsApp na) niet meer gesproken sinds de laatste keer dat hij uit mijn huis vertrok. Nu kwam ik thuis en zat Oscar op mijn bank alsof er niets veranderd was. Vasco zat in een hoek van de kamer wezenloos voor zich uit te staren, onder invloed van een cocktail van kalmeringsmiddelen, pijnstillers en de narcose.

Eerst vroeg ik hoe het met Vasco ging. Toen of Oscar wat wilde drinken. Daarna vroeg ik Oscar hoe het met hem ging.

We begonnen te praten en zeiden van alles.
‘Ik vind het heel erg om te horen dat je dat op die manier ervaren hebt.’
‘Ik wist niet dat je daar zo mee bezig was.’
‘Ik kan me voorstellen dat dat je heeft geraakt.’
We begrepen ontzettend veel ineens. We huilden. Gaven elkaar een knuffel. En korte, duidelijk afgebakende knuffel.

‘Wat is het huis netjes, hè?’ zei ik.
‘Ja,’ zei Oscar. ‘Je kan het wel.’
‘Het is mijn revenge dress,’ zei ik. 
Ik wilde altijd graag een mysterieus type zijn, stille wateren, diepe gronden. Dat heeft er nooit ingezeten.
‘Iemand zei dat ik een revenge dress moest kopen voor het moment waarop ik je weer zag,’ ging ik verder. ‘Maar dat leek me in jouw geval nergens op slaan. Dus ik heb mijn huis opgeruimd. Gezogen. Het oud papier volledig zelfstandig weggegooid. Gedweild.’
‘Het is echt netjes,’ zei Oscar.
‘Ken je prinses Diana’s jurk?’ vroeg ik.
Oscar schudde zijn hoofd en greep in zijn broekzak.
‘Hier,’ zei hij terwijl hij me mijn huissleutels gaf. ‘Deze krijg je weer terug.’
‘O ja,’ zei ik. 
Ik stond op om Oscar zijn huissleutels van een plankje in de hal te pakken.
‘Wat een kutmoment,’ zei ik met mijn rug naar hem toe. Mijn keel zat dichtgedrukt.
‘Toen we de vorige keer sleutels uitwisselden was het feestelijker,’ zei Oscar. Zijn stem klonk klein. 
Oscar stond ook op van de bank. Hij rekte zich onhandig uit.
‘Ik denk dat ik maar eens ga,’ zei hij.
‘Ja,’ zei ik. ‘Ja.’

De timmerman / de geschiedenisleraar II

Datingapps hebben een grote aantrekkingskracht op mensen met relaties.

Nadat we pasta met broccoli hadden gegeten (het is volkorenpasta vertelde Sanne, je moet gezonde dingen binnenkrijgen nu), nadat we wijn hadden gedronken, nadat ik had gehuild over hoe oneerlijk alles was en over dat het allemaal echt niet zo ver had hoeven komen, nadat ik had gezegd dat alleen zijn prima is, dat ik datingapps had geïnstalleerd en dat dat een grote vergissing was, nadat ik verteld had over de geschiedenisleraar, nadat ik ongeveer alle interacties met Oscar had uitgespeld, nadat ik had gezegd hoe blij ik ben met Vasco, nadat werkelijk alles eruit was vroeg Sanne: mag ik dan nu dan Bumble zien?

Ik bleek een nieuwe match te hebben. Een timmerman die me niet bekend voorkwam.
‘Hij ziet er vriendelijk uit,’ zei ik.
‘Nee,’ zei Sanne resoluut toen ze zijn foto’s bekeek. ‘Nee.’
Ik fronste.
‘Hij kijkt niet blij,’ zei Sanne.
‘Nou en?’
‘Je gaat nu maar eens met vrolijke mensen op date.’
Ik wilde helemaal niet afspreken met de timmerman, wat zijn gemoedstoestand ook was.
‘Je bent zelf al best zwaar op de hand,’ ging Sanne verder. ‘Het is niet handig om twee van zulke types bij elkaar te zetten.’
‘Nou,’ zei ik.
‘Ik meen het,’ zei Sanne. ‘Geen dichters.’
Ze nam een slik van haar wijn. ‘Geen dichters, geen schrijvers, geen kunstenaars.’
Ik fronste. 
‘Wie blijven er dan nog over?’ vroeg ik.
‘Gewoon normale mensen.’
‘Activisten?’ vroeg ik.
Sanne schudde haar hoofd.
‘Activisten hebben hoop dat het goed kan komen met de wereld. Allemaal superpositieve mensen,’ zei ik.
‘Oké, zei Sanne. ‘Maar niet iemand die zich overal druk om maakt, alleen iemand die zich op één kwestie richt.’
‘Kapitalisme,’ zei ik haast onhoorbaar.
‘Een dierenrechtenactivist,’ zei Sanne.
Ik dacht aan alle bio-industrievideo’s die ik al gezien heb in mijn leven.
‘Nee,’ zei ik. 
Sanne zuchtte.
‘Ik wil gewoon iemand die een beetje stinkt,’ zei ik zachtjes.
‘Jezus,’ zei Sanne. Ze ging rechtop zitten. ‘Nu moet je echt ophouden. Geen crusties.’
‘Sorry?’ zei ik.
Sanne keek me strak aan.
‘Geen crusties, geen dichters, geen schrijvers, geen kunstenaars.’

Ik schudde mijn hoofd over alle onnodige betrokkenheid en pakte mijn telefoon. Onderin Bumble was een melding verschenen. De geschiedenisleraar had na een paar dagen stilte een gifje gestuurd. ‘Hallo’ stond er in flikkerende letters.
Ik zuchtte weer.
‘Antwoord hem,’ zei Sanne. ‘Stuur gewoon iets terug.’ 

De geschiedenisleraar

Ik installeer een datingapp om mijn voorland te verkennen. Waar de mannen op Tinder jaren geleden met grote karpers op de foto stonden, poseren de mannen op Bumble ongegeneerd in hun defensie-uniform. Trots. Een man die zijn hagelwitte tanden blootlacht heeft zijn gezicht vol groene schmink.

Ik veeg zo ongeveer iedereen naar links, ook de mensen met andere beroepen. Iemand heeft bij werk ‘ik doe het liefst zo min mogelijk’ ingevuld, maar jammer genoeg is hij verder mijn type niet. 

Tegen een vriendin zei ik laatst dat ik pas wilde daten als ik niet meer elke dag hoefde te huilen. Nu ik niet meer elke dag hoef te huilen bespreek ik met een andere vriendin nieuwe regels. Ze moet hard lachen als ik zeg dat ik pas met iemand af wil spreken als ik niet hoef te huilen als ik masturbeer. Pas als ze uitgelachen is zegt ze dat ze het herkent, van het huilen.

Ik match met een geschiedenisleraar met donkere krullen en blauwe ogen. Hij citeert uit Vasalis. Ik stuur hem gieser wildeman. De geschiedenisleraar vraagt of het gedicht over toxische masculiniteit gaat en wil weten wat ik eruit haal. Zijn reactie is beter dan ik had verwachtte, maar ook wat keurig. Ik besluit gieser wildeman voortaan naar elke potentiele date te sturen.

De geschiedenisleraar zegt iets over gender en stuurt een gedicht van Deelder.

Ik lees het gedicht, besluit later op de dag op de geschiedenisleraar te reageren, zet de meldingen van Bumble uit, ga naar buiten voor een wandeling en vergeet vervolgens van het bestaan van datingapps.

Een goede breuk

Dit is een tamelijk prettige breuk, dacht ik. We zijn uit elkaar en ik weet nog precies weet wie ik ben. Wat ik wil. Ik voel me niet verloren, ik ben helemaal compleet. Dit is de beste breuk van alle breuken die ik heb gehad. 

Ik dacht terug aan hoe mijn relaties vroeger eindigden. Aan de chaos en de verwarring. Aan de identiteitscrises. Aan hoe ontzettend nodig het was dat die relaties tot een einde kwamen. Strikt noodzakelijke breuken waren het. Misschien zijn dat eigenlijk de beste breuken. 

Ik weet nog precies wie ik ben, maar heb niemand om mee te delen dat mijn Azteeks zoetkruid spint heeft, niemand aan wie ik mijn gewicht kan vertellen zonder dat er een oordeel doorklinkt in de reactie, niemand die mijn lievelingsgerecht op tafel zet als ik vraag of we nagelstudio eten, niemand die met me over gaten wil praten, niemand met wie ik kan discussiëren over de exacte definitie van een goede breuk.

Houden

Ik heb lang moeite gehad met boos zijn. Pas toen ik ging werken met mensen die soms agressief waren leerde ik de waarde van woede. Toen ik voor de zoveelste keer het blad van een rolstoel naar me gegooid kreeg en ik schrok van mijn neiging om heel hard te schreeuwen dat het verdomme nou maar eens afgelopen moest zijn, ontdekte ik dat boosheid niet gaat over wat de ander fout doet, maar over je eigen grenzen. De man in de rolstoel kon het niet helpen dat dit zijn manier was om zich te uiten. Mijn woede betekende niet dat ik hem iets kwalijk nam, het betekende slechts dat ik liever geen grote objecten naar me gekatapulteerd kreeg.

In de afgelopen jaren ben ik nooit echt boos geweest op Oscar. Nadat we uit elkaar waren moest ik erg mijn best doen om de woede te blijven voelen.

Toen ik eens programmamaker was en de directeur van een literaire organisatie de avond voor een voorstelling het hele programma inhoudelijk wilde omgooien, raakte ik compleet in paniek. Oscar zette thee, legde een matje neer, zocht een YouTubevideo met yoga-oefeningen die mijn hoofdpijn zouden verminderen. Zo een moet je houden, zei ik tegen mezelf. Zo een moet je houden. Soms liet Oscar zomaar een doos vol vegan snacks bij me bezorgen. Zo een moet je houden. Oscar leerde me wandelingen waarderen. Zo een moet je houden. Hij is lid van de Vrije Bond. Zo een moet je houden. Oscar wil alle Kubrickfilms met me kijken. Zo een moet je houden. Oscar heeft de dieptepunten van mijn depressie met me uitgezeten, is niet vertrokken, was er gewoon, is van me blijven houden. Zo een moet je houden.

Als je iets vaak genoeg herhaalt, wordt het vanzelf de waarheid. Vergeet je te kijken naar andere dingen, die ook waarheid zijn.

Nadat ik tegen Oscar had gezegd dat het fijn was dat we Forel Vissen uit hadden gekregen, liep ik naar de wc voor papier om het snot mee van mijn lippen te vegen. Ik keek in de hal in de spiegel en zag hoe rood mijn gezicht was. Vol vlekken.
‘Ik heb een lullige vraag,’ zei ik toen ik weer naar de woonkamer liep. ‘Ik hoop niet dat je boos wordt.’
Oscar nam een slok van zijn water. Zijn wangen waren nat en zijn ogen waren dik.
‘Hoe lang voordat ik hier een stukje over mag schrijven?’
Oscar bleef even stil.
‘Ik vind het mooi,’ zei ik. ‘Dat je het boek net uit hebt gelezen.’
Oscar lachte een beetje.
‘Ik vind het geen lullige vraag,’ zei hij. ‘Geef het twee dagen.’
Zo een moet je houden, dacht ik. Zo een moet je houden. Zo een moet je houden. Tot het niet meer gaat.