Skip to content

Opruimen

Ik ruim mijn kantoortje op. Het opruimen duurt al drie dagen en als ik eerlijk ben: op een van die dagen ben ik de hele dag niet uit de eetkamer gekomen. Ik zat er achter mijn laptop te schrijven, belde met wat mensen, hield als een sukkel bezoekersaantallen en likes in de gaten.

Mijn eetkamer is een van de weinige plekken in huis die geen last heeft van het opruimen van mijn kantoortje, net als mijn keuken. Sinds ik begonnen ben met het opruimen van het kantoortje doe ik extra mijn best de keuken netjes te houden, want de aanblik van een aanrechtblad vol vaat zou net datgene kunnen zijn dat ervoor zorgt dat ik de moed verlies en als ik de moed verlies blijft het hele huis in zijn huidige staat en dat moeten we niet willen.

De enige reden dat ik het kantoortje het kantoortje noem, is dat ik, toen ik hier 2,5 jaar geleden kwam wonen, een enorm hoekbureau (dat eigenlijk veel te groot was voor de ruimte, maar ik had bedacht hoeveel projecten ik tegelijkertijd zou kunnen doen zonder steeds te hoeven opruimen als ik een enorm hoekbureau had, wel drie geloof ik, hoe dan ook, de aanschaf van een enorm hoekbureau was onvermijdelijk) en een bureaustoel in het vertrek zette. Ik geloof dat ik er welgeteld vijf keer heb zitten typen, vanaf toen liep de ruimte vol met spullen.

Hoeveel spullen heeft een mens nodig? Nauwelijks iets.

Hoeveel spullen kan een mens hebben? Afhankelijk van het de hoeveelheid leed die er te compenseren is, van de beloftes die iemand nodig heeft om te kunnen blijven functioneren: veel.

Ik houd van spullen. Toen ik Oscar net kende belandde ik met hem en zijn vrienden in een kroeg, ik kende zijn vrienden nog niet en het was een heel merkwaardige bijeenkomst, maar dat is een ander verhaal. Iemand wierp een dilemma op: concepten of dingen?
‘Concepten,  zei iedereen keurig. ‘Concepten, natuurlijk.’
Ik was al lang ziek, dat wist ik niet, wat ik wel wist is dat ik niet graag te veel tijd in mijn hoofd doorbracht.
‘Dingen,’ zei ik. Het voelde als een keuze die ik niet mocht maken, zelfs in een door en door materialistische samenleving, of misschien voelde het juist doordat we in deze maatschappij leven als een incorrecte keuze, had ik aan de vrienden van Oscar moeten laten zien dat ik erboven stond. Beter was.

In de afgelopen jaren begonnen veel van de dingen die ik bezit me steeds meer tegen te staan. Ik wilde een net huis, troeploos, rustgevend. Naarmate ik meer therapie onderging, zag ik van veel van mijn spullen ineens de impliciete beloftes die ze in zich droegen, beloftes die gingen over gezellige avonden in mijn huis, mooie dingen maken, er fantastisch uitzien. Beloftes die niet waargemaakt zouden worden, althans, niet door het bezitten van alle dingen die ik verzameld had.

De tactiek was: alles wat ik niet in mijn blikveld wil hebben, gaat naar het kantoor. En zoals het gaat bij opstapelende spullen, de zooi trok steeds meer rommel aan. Terwijl mijn huis steeds netter werd, raakte het kantoortje tot de nok toe vol met niet alleen mijn spullen (los en in dozen), maar ook twee rokersstoelen en een haardje van mijn broer, waarvan ik zei dat ik ze wel even naar de kringloopwinkel zou brengen.

Ik heb mijn leven lang geworsteld met rommel en opruimen. De manier waarop ik ermee omging is altijd een goede metafoor geweest voor hoe het met me ging. Het wegzetten van dingen zonder ze werkelijk op te ruimen en op die manier een volledige ruimte in het huis niet kunnen gebruiken is daar geen uitzondering op.

Nu ik mijn kantoor aan het opruimen ben, staat mijn huis vol troep. In de woonkamer staan kratten voor de bank, een voor oud papier, een voor papieren die in een map moeten, een voor dingen die naar de kringloop moeten, een voor spullen die ik een plek in het huis moet geven. Daaromheen ligt de rommel die ik over de kratten moet verdelen.

In de hal staan de twee enorme dozen vol ballenbakballen die ik pas naar de berging durf te brengen als ik ducttape tegenkom, omdat ik bang ben dat de dozen opengaan als ik ze op een karretje over de galerij sleep. Ook in de hal: dozen met spullen voor de kringloop, zaken die net als de ballenbakballen naar de kelder moeten, veel oud papier.

Ik kwam mijn verzameling Furbies tegen tijden het opruimen, wilde ze wegdoen, gaf ze toch een plek in het kantoor, nam de tijd ze mooi neer te zetten. Ik denk dat volwassenen met speelgoed zichzelf een onmogelijke belofte doen, een belofte die in het verleden ligt. Misschien breng ik ze alsnog weg.

Ik zag foto’s van vroeger, liet ze in hun dozen, zette de dozen netjes in de kast.

Wat handig zou zijn, is het wegbrengen van oud papier, naar de berging doen wat er naar de berging moet. Stoelen afgeven bij de kringloopwinkel. De spullen in het kantoor zo neerzetten dat alle opruimwerkzaamheden daar plaats konden vinden, in plaats van in het hele huis.

Even doorwerken.

Wat ik deed, is kleine opruimprojectjes aangaan te midden van de chaos. De printer rechtzetten. De kast herinrichten.

Ik kwam ik mijn sporthorloge tegen. Ik laadde hem op, deed hem om mijn pols, verbaasde me over de geringe hoeveelheid stappen die ik zette. 

Tijd voor een avondwandeling.

Ooit had ik een relatie met iemand die zei dat ik een lafaard was die voor haar problemen wegliep als ik de relatie probeerde te verbreken. Ik was iemand die erg vertrouwde op het oordeel van anderen. Tijdens EMDR spelde ik de namen die hij me had gegeven achterstevoren terwijl ik met mijn armen voor mijn borst gekruisd ritmes op mijn schouders tapte.

Het maakt niet uit wat er op te lossen valt, het is altijd een goed moment voor een frisse neus.

Het einde

Het videogesprek dat ik zojuist had was het staartje. Mijn behandelaar en ik keken terug op de afgelopen jaren. Ze vertelde hoe moeilijk ze aanvankelijk hadden kunnen inschatten hoe slecht het met me ging. Dat was fijn om te horen. Het verklaarde een hoop verwarring die ik tijdens mijn behandeling had ervaren, het zei ook iets over de manier waarop ik toen functioneerde. 

We hadden het over hoe slecht het met me ging.
‘Ik was echt heel ziek,’ zei ik.
‘Ja,’ zei mij behandelaar.

We hadden het over hoe het nu gaat. Ik vertelde over grenzen die ik de afgelopen tijd had aangegeven, over hardlopen, over mijn werk. Ik liet lieve foto’s van mij en Oscar zien.

Er is veel te jubelen, maar er is ook genoeg om realistisch over te zijn.

Ik vertelde over de chaos in mijn huis die is ontstaan doordat ik gisteren begon met het opruimen van mijn kantoortje. (Ik ben niet meer bang voor rommel, het is geen teken van een stemmingsprobleem.) Mijn behandelaar kon het niet laten nog wat ADHD-opruimtips te geven. 

Natuurlijk moest ik huilen. Tijdens het gesprek, ook nadat we hadden opgehangen. 

Zo, dacht ik toen mijn wangen droog waren, ik ga verder met opruimen.
En: nu is er weer wat plek op de wachtlijst.

Ik zat nog achter de laptop en zocht uit nieuwsgierigheid op wat de huidige wachttijd is. Zesendertig weken. Als je zo ziek bent als ik was, is dat tweehonderdtweeënvijftig dagen te lang.

 

De band

Vanmorgen had ik mijn laatste sessie lichttherapie. Ik heb een week lang elke ochtend van half acht tot kwart over acht voor een lamp gezeten. De lichttherapielampen hangen aan de muren van ruimtes die, aan de grote tafels te zien, bedoeld zijn om later op de dag in te vergaderen. Of misschien organiseren ze er groepstherapiesessies. Elke ruimte heeft twee lampen. 

Vanwege covid heeft iedereen een vaste plek. Waar je op maandag zit, zit je de rest van de week ook. Om die reden deelde ik een week lang de ruimte met dezelfde man. We lazen beiden zwijgend onze boeken en keken regelmatig van onze pagina’s op om recht in het licht te kijken, precies zoals ons verteld was.

Gisteren begon ik in Het boek ont, over een man met een zelfhulpgroep voor mannen die hun post niet durven te openen. Tot mijn verrassing en vreugde speelt het boek in Groningen en word ik meegenomen naar plekken waar ik lang niet meer aan heb gedacht. Zoals het arbeidsbureau dat vroeger aan het Zuiderdiep zat, tegenwoordig zit er (als ik me niet vergis) een H&M, maar ik vond er lang geleden eens een baantje in een snackbar, een van de meest afschuwelijk denkbare werkplekken, al at ik er elke dag patat.

Als je een week lang samen het effect van de winter bevecht en een boek leest terwijl het buiten nog donker is bouw je een band op, ook al zit je met de ruggen naar elkaar toe, al ken je elkaars naam niet. Dus toen de man en ik de lampen voor de laatste keer uitdeden, onze tassen inpakten, besloot ik het toch maar te vragen.
‘Wat las u?’
Het was een dikke paperback, dat had ik al gezien. Ik schatte in dat het een oud boek in een nieuwe uitgave was, mogelijk iets Duits.
‘Sorry?’ zei de man. 
‘Ik vroeg me af welk boek u las. Het is vreemd om een week lang samen gelezen te hebben zonder te weten wat de ander las.’
‘Oh,’ zei de man. Hij keek om zich heen.
Ik had spijt van mijn vraag.
‘Sylvia Witteman,’ zei hij. ‘Verhaaltjes.’
‘Oké,’ zei ik. ‘Leuk.’
‘Wat las jij?’
‘Eerst Moskou op sterk water,’ zei ik. ‘En nu Het boek ont.’
Het klonk alsof het de normaalste zaak was dat ik twee boeken in een week las. Ik voelde me een grote bedrieger.
De man zei dat hij de boeken niet kende en ik vertelde over Het boek ont, dat het heel grappig was, maar ook best treurig.
‘Dat past wel bij ons in de winter,’ zei de man. 
Ik glimlachte ongemakkelijk.
‘Sterkte,’ zei de man. Hij liep de deur uit.
‘Fijne dag,’ zei ik.

Wat echt is

Gisteren at ik bij vrienden. Toen ik het over een ex had vroeg een van hen: is dat een Nick?
‘Nick bestaat niet,’ zei ik.

Een slimme vrouw vroeg me jaren geleden, toen ik niet goed wist wat ik wilde schrijven, of ik liever lieg of de waarheid schrijf.
‘Liegen,’ antwoordde ik natuurlijk. Niet omdat ik geen waarde hecht aan de waarheid, integendeel, de werkelijkheid laat zich een stuk beter weergeven als je je niet aan feiten hoeft te houden.

(Ik heb een hekel aan schrijven over schrijven, vergeef me dat ik het toch doe en sla me als ik ooit een roman schrijf over een Groninger schrijfster die een ernstige depressie heeft.)

Toen ik ziek was gaf ik door te schrijven waarde aan de dingen die afschuwelijk waren.
‘Alles is materiaal,’ zeiden een vriendin en ik steeds tegen elkaar, zo vaak dat ik haast vergat dat al het verschrikkelijks vooral heel verschrikkelijk was.

Ik kreeg therapie en pillen. Vanwege de therapie was het onmogelijk om me als toeschouwer van mijn eigen leven op te stellen en door de pillen verloor ik de behoefte om te schrijven totaal.

Overal viel het stil.

Nu ik beter ben, heb ik weer lust om te liegen. Ook begin ik het nut van een catastrofe weer in te zien. Toen ik teruglas hoeveel ik over Oscar gejubeld heb dacht ik even: voor het verhaal zou het goed zijn als hij nu ineens bij me wegging. 

 

De lente

Vandaag moest ik weer naar lichttherapie. Gisteren parkeerde ik mijn auto in de buurt van het huis van een ex die vlak bij het ziekenhuis woont. Vandaag reed ik na therapie naar mijn werk, vlak langs het huis van een eerdere ex. Hij woont aan de andere kant van het ziekenhuis, op drie minuten lopen afstand van het huis waarin ik zestien jaar geleden een vrij treurige poging tot gelukkig samenwonen deed met een nog vroegere ex-partner. 

Toen ik elke dag ziek in bed lag dacht ik dat ik nooit iets meegemaakt had. Ik was nog banger voor het verleden dan voor de toekomst, daarom werden al mijn herinneringen gedempt met een pathologisch niets.

Ik heb met drie Nicks het bed gedeeld. Die informatie zegt meer over de beperkingen van statistiek dan over de rijkdom van mijn verleden, maar ik weet dat geen Nick hetzelfde is. Een van de Nicks is er de reden van dat ik tegenwoordig soms nog ‘even stoppen’ zeg in de slaapkamer, met de anderen heb ik prima contact.

Sinds ik zonder antidepressiva door het leven ga heb ik toegang tot archieven vol informatie om hard om te lachen, om me kapot voor te schamen, om met een glimlach op terug te kijken. Ik probeer te doen wat ik heb geleerd van de psycholoog: op een stoel zitten en alles voelen.

Ik kreeg veel gedaan op mijn werk. Op een stil moment keek ik uit het raam en zag hoe blauw de lucht was, hoe warm het licht op de bomen viel. He, dacht ik, daar is de lente.  Of misschien voelde ik dat, die dingen liggen dicht bij elkaar tegenwoordig. Toen draaide ik mijn hoofd en zag dat de kerstboom nog stond.

Het is vijf januari tweeduizendtweeëntwintig. Het voorjaar is nog nooit zo vroeg geweest.

Onthouden

Als je besluit iets of iemand te zijn, is het belangrijk dat je dat onthoudt.

Gisteren begon ik met lichttherapie. Het gaat goed met me en om ervoor te zorgen dat dat zo blijft ga ik ’s winters af en toe naar het ziekenhuis om daar een week lang in de vroege ochtend drie kwartier voor een heel felle lamp te zitten. 

Ik parkeerde mijn auto in de buurt van het ziekenhuis, vlak bij het huis van een ex. Toen ik bij hem wegging was ik heel ziek, ik denk niet dat hij dat doorhad, met hem ging het ook niet geweldig. Na onze breuk vroeg hij of ik ergens over met hem wilde praten, dat wilde ik niet. Hij vroeg het nog eens en toen werd ik doodsbang voor hem.

Het was me lang onduidelijk hoe het kon dat ik zo bang was, was, op elke straathoek had ik angst hem tegen te komen en ik meed zijn wijk als de pest. Nu ik zijn straat weer eens inkeek vond ik het allemaal niet zo vreemd meer, ik was in die tijd tenslotte ziek en had spanning over alles. Bovendien was het lastig geweest om bij hem weg te gaan. Toen ik hem vertelde dat ik geen relatie meer met hem wilde hadden we een lang gesprek. Hij stelde veel vragen, ik gaf verduidelijking. Na een uur of wat besefte ik: je vraagt niet om verheldering, je zoekt naar gaten in mijn redenatie, een argument om onderuit te halen, een manier om me te laten blijven. Dat gesprek was te gecompliceerd om me goed staande in te houden. 

Bijna een maand geleden besloot ik dat ik weer een lezer was. Ik wilde niet blijven vasthouden aan wat er allemaal zo lang niet lukte in mijn leven. Als ik besloot iets te zijn, dan was ik het ook. Dat betekende dat ik, als ik wekenlang niet had gelezen, niet wéér tegen mezelf hoefde te zeggen dat ik gefaald had in mijn poging dagelijks een boek te pakken, nee, ik was gewoon even vergeten dat ik een lezer ben.

(Toen ik depressief was vergat ik constant bijna alles, die persoon ben ik niet meer, ook dat moet ik onthouden.)

Ik nam Moskou op sterk water mee naar lichttherapie. De lichttherapiemensen raden aan te lezen als je voor de lamp zit, na elke pagina even in het licht te kijken. Ik las en moest soms hardop lachen, fronste ook veel over zoveel droevigs. Of misschien kwam het door de felle lamp. Ik dacht, volgens mij heb ik het boek binnen een maand uit, dat is me lang niet meer gelukt.

Mijn ex kwam ik niet tegen, maar toen ik naar huis reed zag ik een vriend van vroeger lopen. Hij droeg een kind in een draagzak. We verloren op een onprettige manier contact toen ik ziek was, ik was lang gekwetst, hij waarschijnlijk ook, ik heb hem lang van alles verweten, hij mij waarschijnlijk ook. We waren beiden niet op ons best. Inmiddels ben ik op ons beiden niet meer boos.

Even dacht ik, ik rem af, zeg hallo. We zouden het fijn vinden om te zien dat het goed gaat met de ander. Toen herinnerde me ik wie ik ben, reed door.

Op een dag word je wakker

Rond een uur of tien viel ik bijna in slaap op Oscar zijn schoot. We hadden de oudejaarsconference van 2010 gekeken en het was zo ongeveer mijn gebruikelijke bedtijd.
‘Moet ik je wakker maken om twaalf uur?’ vroeg Oscar.
Daar schrok ik van en ik stond op om een cocktail te maken.

Ik droeg plakwimpers en Oscar had zelfgemaakt ijs meegenomen. We hadden trektouwtjes, keken een paar afleveringen van Bassie & Adriaan: De Geheimzinnige Opdracht, lieten elkaar mooie liedjes horen, zwaaiden met sterretjes. We dansten een beetje, keken vanaf mijn balkon naar vuurwerk, hadden kleine goede gesprekken.

Rond twaalf uur zei Oscar dat we zelf best mochten bepalen wanneer het nieuwe jaar inging en we kusten.  

Oscar belde met zijn moeder, ik appte wat mensen, Oscar maakte cocktails, we gingen nog eens naar het balkon, liepen weer naar binnen, ik schonk whisky in, kamde mijn pony recht, zette de muziek iets te hard, we gaven kusjes, bazelden, dronken shotjes. Twee bloempotten sneuvelden.

Toen we eindelijk in bed lagen vonden we de kruik waarmee ik overdag mijn buikpijn had proberen te dempen. Oscar stond op, vulde de kruik met heet water, gaf hem aan mij.

’s Ochtends bonkte mijn hoofd. Oscar hoorde me woelen.
‘Ben je ook wakker?’
Ik zuchtte, zocht op de tast Oscars hoofd en aaide hem door zijn haar.
‘Brakke seks?’ vroeg ik. 
‘Dat hoeft voor mij niet zo nodig,’ zei Oscar.
‘Ik ga straks meteen hardlopen,’ zei ik.
‘Meen je dat?’

Oscar stond eerder op dan ik, haalde een glas water en paracetamol voor me. Schudde zijn hoofd toen ik met de deken om me heengeslagen zei dat ik mijn hardloopkleding niet kon vinden op de waslijn. Wees naar een stapeltje ongevouwen wasgoed.

Ik ging rennen, Oscar ging naar zijn eigen huis.

Soms kijk ik naar hem en denk: op een dag word je wakker, kijkt naar de vrouw die naast je ligt en beseft dat er iets veranderd is. Je doet een tijd je best, weet niet goed hoe dat moet, hebt het er niet met me over. Ik merk iets, maar ik merk altijd wel iets. Op een dag kom je mijn huis binnen, ik zeg dat ik je gemist heb, wil je een knuffel geven, jij pakt me bij mijn polsen, gaat zitten, ik zie dat je lip trilt.

De kinderen, de buurvrouw, de huizen

‘Ben je negatief getest?’ vroeg oma toen ze in de deuropening stond.
‘Nee,’ zei ik. ‘Sorry. Ik kan een test doen en later terugkomen.’
Ik wist niet dat oma wilde dat ik me eerst liet testen.  Oma schudde haar hoofd, wenkte kom binnen.
‘Weet je het zeker?’ vroeg ik. 
Oma lachte.

Toen ik een kop thee had gekregen vroeg oma waar ik voor naar het ziekenhuis moest als het niet voor een test was.
‘Ik had een intakegesprek voor lichttherapie,’ zei ik. ‘Omdat vaak zo moe ben in de winter.’
‘Ach, daar hebben we het niet meer over,’ zei oma.
‘Het gaat goed, hoor.’ zei ik. ‘Ik wil alleen voorkomen dat ik weer zo ziek word als de afgelopen jaren.’
Dat vond oma verstandig.

Ik maakte een ploppend geluid naar Coco. Coco keek me aan en floot. Fiet-fiew.

‘Wat zit je haar mooi,’ zei oma. ‘En je wenkbrauwen. Zijn die getatoeëerd?’
Ik vertelde dat ik ze zelf teken. Elke ochtend, omdat die lichte wenkbrauwen van mij zo gek staan bij mijn donker geverfde haar.

Oma vertelde over de kinderen van mijn tante, over een buurvrouw, over de huizen die verderop gebouwd werden en de felle bouwlampen die haar uit haar slaap hielden.

Coco maakte een soort salto waarbij hij met zijn snavel aan een tralie boven in zijn kooi hing. Oma haalde een lychee voor hem, die vindt hij lekker. Ik kreeg nog een kop thee.

‘Oma,’ zei ik, ‘volgend jaar wil ik naar de archieven om uit te zoeken waar de vader van opa precies voor veroordeeld is.’
‘Dat is al heel lang geleden,’ antwoordde ze.
De vorige keer dat ik bij haar op bezoek was had ik voor het eerst gevraagd naar mijn overgrootvader, en had het bericht laten zien dat ik vond toen ik Delpher had doorzocht op mijn achternaam. Oma had verteld over de vader van opa, dat hij na de oorlog naar Sellingen moest. Eventjes maar, zei ze er nadrukkelijk bij. Ze vertelde over de invloed die de geschiedenis had op mijn opa. Er viel een hoop op zijn plek.
‘Ik wil het graag weten. Het gaat ook over mij,’ zei ik. ‘Als het invloed had op opa, heeft het ook invloed gehad op papa, en daarmee ook op mij.’
‘Als je het interessant vindt, moet je dat doen,’ zei oma. ‘Heb je nieuwe schoenen?’

Dag psycholoog,

Onlangs reed ik met de auto naar Luxemburg. Het was donker en spitsuur toen ik België binnenreed. Even later begon het ook nog flink te sneeuwen. De wegen leken vlak, maar ik reed door een hevig glooiend landschap. Ik veroorzaakte bijna een ongeluk toen ik een auto wilde inhalen zonder eerst terug te schakelen. Het was reuzespannend en toch had ik er vertrouwen in dat ik veilig aan zou komen. Ik reed soms in een traag tempo op de rechter rijbaan, als het veilig voelde schakelde ik terug en haalde ik auto’s in.

Ik moest denken aan een oefening die je me gaf omdat ik moest voelen. Intergenerationeel trauma kunnen uitleggen, beseffen dat er meer hiaten in mijn opvoeding hebben gezeten dan ik zelf kon vullen, begrijpen dat een ex alle grenzen waarvan ik niet wist dat ik ze had heeft overschreden, snappen hoe het kon dat ik mijn eigen grenzen niet herkende, het was allemaal niet genoeg. Ik moest voelen en je gaf me de meest eenvoudige en onmogelijke opdrachten mee.

Sta in de supermarkt voordat je in de rij gaat staan bewust stil bij welke rij je kiest. Waarom voelt deze rij beter aan dan de andere rij?

(Terwijl ik dit schrijf bedenk ik dat ik sinds het doen van deze oefening geen last meer heb gehad van een ergernis die me jarenlang plaagde: in de traagste rij voor de kassa staan. Ik let niet meer op de andere rij. Misschien kies ik ook vaker voor de zelfscankassa, maar dat vind ik voor het verhaal minder mooi.)

We hebben elkaar al meer dan anderhalf jaar niet gezien. Nadat mijn behandeling door jou stopte bleef ik binnen de ggz-instelling waar je werkt. Mijn stemming werd in de gaten gehouden, ik bouwde onder begeleiding de door jullie voorgeschreven antidepressiva weer af en maakte van de tijd en gelegenheid gebruik om bij andere behandelaren een aantal side quests uit te voeren.

Ik heb de neiging je een bericht te sturen vaak onderdrukt. Niet alleen in de periode dat jij me behandelde en ik mijn mededeling best kon bewaren tot ik je weer zag, ook daarna wilde ik soms graag dingen met je delen. Meestal ging het erover dat ik iets had gedaan dat ik niet voor mogelijk had gehouden. Het vuilnis weggooien, een stapel post openen voordat het gevolgen had, een goed gesprek hebben met Oscar. Een wandelingetje maken.

Ik heb zelden iemand ontmoet die resoluut en zonder aarzeling de vinger op pijnlijke plekken kan leggen en tegelijkertijd zo oprecht de kleinste stappen weet te bejubelen. Tijdens de gesprekken met jou dacht ik dat de belangrijke lessen in die pijnlijke plekken zaten, inmiddels denk ik dat ik meer van de complimenten heb geleerd dan ik voorheen besefte.

Ergens kreeg ik door dat ik op de momenten dat ik mijn prestaties met je wilde delen trots was op mezelf. Vanaf toen verdween de behoefte om je berichten te sturen grotendeels.

Over twee weken heb ik mijn laatste gesprek bij de ggz. Ik ga vertellen over het monster dat me langzaam vastgreep nadat ik een aantal weken geleden helemaal met antidepressiva stopte. Over hoe bang ik was toen ik het herkende, over hoe groot en hard het monster was. Ik ga vertellen dat ik het beest in de bek gespuugd heb. Ik ga vertellen het monster niet kleiner is geworden, maar ik wel veel sterker. Ik ga vertellen dat ik het nu zelf aankan. 

Toen ik anderhalf jaar geleden mijn laatste gesprek met jou had vroeg je of ik goed was in afscheid nemen. Ik begreep het nut van die vraag niet. Inmiddels weet ik dat ik er niet goed in ben, dat ik soms nog steeds te laat doorheb dat een afscheid me raakt. 

Het is nu winter, niet het seizoen waarin ik het beste functioneer. Ik heb ’s zomers zo vaak met open raam binnengezeten dat ik precies weet hoe geluk op afstand klinkt. Vanmorgen zag ik hoe donker het buiten was en trok mijn hardloopkleding aan. De straten waren spiegelglad, dus ik heb een stuk door een bevroren berm gerend. Het was maar een klein eindje, op een sukkeltempo. De lucht was koud en schoon, mijn wangen gloeiden. Ik was enorm tevreden met mezelf. Als dit me lukt in december, hoef ik geen afscheid van je te nemen, ben je voor altijd een deel van wie ik ben.

Liefs en de grootst mogelijke dank,

Jirke

Kerstmirakels

Mijn broer maakt de kabels van de de lampen boven zijn eettafel tijdelijk korter met witte vuilniszakbinders, ze zijn net nieuw, hij hoopt dat er op die manier geen vetspetters op zullen komen.

Floris en ik dekken de tafel, hebben het over vroeger, over een periode lang geleden waarin het met ons beiden niet goed ging, het lukte me toen niet om aardig te zijn terwijl hij me nodig had, ik vind het ondraaglijk dat de dingen waren zoals we waren, maar hier zijn we, we dekken de tafel en we hebben het over vroeger.

Mijn moeder en mijn oma zijn precies op tijd. Mijn oma loopt moeilijker dan de vorige keer dat ik haar zag. Mijn moeder heeft oude sieraden van me meegenomen. Ze vond ze tijdens het opruimen en bracht ze naar de juwelier bracht om op te knappen. De juwelier maakte de ringen weer rond, ze zijn zo klein dat ze net over het eerste kootje van mijn pink passen. De steentjes zijn dof gebleven, ik houd een van de ringen tegen het licht en herinner me de lijnen van de beschadigingen in het steentje weer. De armband kon niet gemaakt worden, maar wel opgepoetst. Ik was vergeten hoe fijn de schakels waren, ik droeg het armbandje toen ik een baby was. Mijn naam staat erin gegrafeerd, mijn geboortedatum.

Ik vertel mijn moeder drie keer dat ik blij ben met wat ze voor me meegenomen heeft.

Je kan iets terugvinden waar je lang niet aan hebt gedacht, het repareren, maar het wordt nooit meer zoals het eerder was.

Je kan iets kwijtraken dat je net nog in handen had.

Als mijn moeder wil vertrekken kan ze haar sleutels niet vinden. Ze haalt haar tas leeg, haar zakken, we zoeken met z’n allen en zeggen: je hebt de sleutels vast in de auto laten liggen.

Terwijl mijn moeder naar de auto loopt doorzoek ik haar rugtas zoals ze mijn rugzakje vroeger doorzocht als ik mijn fietssleutel weer eens kwijt was. Ik voel de sleutels op de bodem liggen, ze zitten onder de voering, maar ik voel geen gat.

Mijn moeder komt binnen en zegt dat ze de sleutels niet in de auto heeft laten zitten.
‘Ik heb ze,’ zeg ik. ‘Maar ik krijg ze niet uit je tas.’
Ook mijn moeder kan geen gat vinden.

Floris haalt de rugtas leeg, mijn moeder keert de tas binnenstebuiten, de hengsels zitten nu van binnen en de gladde bekleding met alle vakjes en ritsjes van buiten, ik loop met mijn vinger alle naden na, oma houdt alles goed in de gaten, iedereen bemoeit zich met de voering, maar er zit werkelijk geen gat in. De sleutels zitten gevangen.

Mijn moeder zucht en zegt dat ze de voering kapot gaat knippen. Ze wil de tas, die nog steeds binnenstebuiten gekeerd is, op tafel leggen en dan ineens vallen de sleutels uit de opening op tafel. Als een goocheltruc. 

Mijn moeder pakt de sleutels, stopt ze in haar broekzak, keert de tas weer buitenstebuiten en zegt: zo, die kan naar de kringloop.