Nakomelingen

‘En je weet het,’ zei de psycholoog, ‘straks lekker met een dekentje op de bank, de komende dagen geen drugs, en misschien komen er nieuwe traumatische herinneringen naar boven, gebeurtenissen die je misschien helemaal vergeten was. Het kan zijn dat ze niets te maken hebben met waar we het nu over hebben gehad, maar schrijf ze op.’
Ik knikte, pakte de tissue waarmee ik even eerder mijn wangen had gedroogd van het bureau waar we samen aan zaten en frommelde het in mijn broekzak.
‘Het zal wel weer meevallen,’ zei ik.
Na de afgelopen emdr-sessies had ik nauwelijks last, hoewel de behandelingen me veel opleverden.

’s Avonds zette ik valeriaanthee en ging vroeg naar bed. Ik viel in een onrustige slaap en droomde dat ik seks had met een man, of hij vooral met mij, het was een soort gemiddelde van alle gemiddelde seks die ik had gehad. Ik lag en het gebeurde maar. Later droomde ik dat ik kinderen had, twee baby’s die ik op een arm droeg en met mijn andere arm stevig tegen me aandrukte, een baby’s zonder duidelijk gezicht die maar bleven huilen terwijl een harde rukwind steeds de beschermende witte doeken van de hoofdjes trok.

Alles wat mooi is

Wat was het een jaar zeg, het was nogal een jaar, sommige jaren zijn de zee en zo een jaar was het, een jaar waarin je drijft en je zo stevig vasthoudt aan alles wat mooi is dat je vergeet dat de kust bestaat, een jaar waarin je tegen de tijd dat je ver genoeg afgedreven bent om het land niet meer te kunnen zien pas bedenkt dat de diepte kilometers ver reikt, dat er niemand in de buurt is die je kent en dat alles waar je je aan vasthoudt ook maar dobbert en langzaam vergaat in het zoute water, een jaar waarin je dan weer denkt dat je zinkt, dan weer dat je de zee bent, een jaar waarin alles fluïde is, waarin zwemmen soms een handeling is en soms een verzameling letters die gezamenlijk geen betekenis hebben, zo een jaar was het. Wat een jaar. Wat is gebleken is dit: er is veel om naar terug te keren. Hardlopen, het bed verschonen, mijn vrienden. Meubels van plek verschuiven, een computerspel spelen, wandelen als het ’s ochtends nog donker is. Waterkefir maken. Mijn broer bellen. Dansen op de Amsterdam Klezmer Band. Schrijven. Altijd als ik aan land ben denk ik: dat was ik niet, daar in de zee. Ik ken die zee niet. En steeds blijk ik alles wat mooi is meegenomen te hebben naar land, dingen waar ik me aan vasthield, nieuwe dingen om naar terug te keren.

Capabel II

Klik hier voor deel I, waarin ik bij de psycholoog leerde dat ik best capabel ben en olie in het reservoir van de ruitenwisservloeistof gooide op weg naar een date.

 

Ik keek op de dashbordklok en zag dat het vijf voor vijf was. Nadat ik de auto aan de kant zette stuurde ik eerst een paniekerig berichtje richting de molen: ik heb iets heel doms gedaan, echt heel dom. Daarna belde ik de garage.
‘Dat is inderdaad niet heel slim,’ zei de garagehouder. ‘En we zijn bijna dicht. Maar kom maar langs.’
Op weg naar de garage bedacht ik welke spullen ik niet moest vergeten mee te nemen. De toilettas. Het boek dat ik aan het lezen was. Mijn oplader. Welke dingen ik in de auto kon laten, zodat ik niet zo zwaar hoefde te tillen op weg naar huis. De wijn. Ik bedacht in welke tas de sleutels van mijn voordeur zaten. Hoe ver het lopen was naar huis. Het sneeuwde zacht, haast onzichtbaar.

De garagehouder stond te lachen toen ik aan kwam lopen.
‘Geef de sleutels maar aan Ronald,’ zei hij en wees naar een jongen in de hoek van de garage. ‘Die rijdt je auto naar binnen en zuigt de boel er meteen uit.’
Binnen vijf minuten was het klaar.
‘Dit was het?’ vroeg ik.
‘Doe maar een tientje,’ zei de garagehouder.

Ik stuurde weer een bericht.
‘Ik kom er toch aan,’ zei ik. ‘Geen hoe laat ik er ben, er kan de komende twee uur nog van alles gebeuren.’
Het gevoel hebben dat alles je maar overkomt terwijl je er zelf de hand in hebt is wat mij betreft een van de vervelendste toestanden om in te verkeren. Het is als een stroom, de gebeurtenissen stapelen zich altijd op, vaak ben je te moe of te overvallen om ergens grip op te krijgen en terwijl je meegezogen wordt in alle ontwikkelingen probeer je iedereen die op de hoogte moet zijn op zo’n manier te informeren over de stand van het zaken dat ze snappen wat er aan de hand is en je tegelijkertijd nog voor vol aanzien.

In de auto luisterde ik naar een podcast over de geschiedenis van Palestina, daarna naar Manu Chao. De tijd verstreek ontzettend snel.

In de molen zat iedereen nog aan tafel, al waren de meeste mensen uitgegeten. Door alle tegenspoed met de auto had ik niet de ruimte gehad om me druk te maken over dat ik me in onbekend gezelschap ik zou verkeren. Ik gaf het cadeau, stelde me voor aan de mensen die ik niet kende en binnen een halfuur voelde het alsof ik al een dagdeel aan de tafel zat.

We speelden spelletjes, spraken over hoe ver Groningen wel niet weg is (of hoe ver alles van Groningen ligt), mensen vertelden over de kalender die ze aan het maken waren, er stond een doosje met shotjes die naar boterballen smaakten, ik had het met iemand over hoe snel we huilen, iemand begon over Roadburn. Ik moest veel lachen. Toen pakte ik mijn telefoon om te zien of ik gemiste berichten had en zag een mail van de ANWB. Ze hadden me al een paar keer gemaild en gebeld stond er, en omdat ik na herhaaldelijk verzoeken de openstaande factuur niet betaald had, was mijn verzekering opgeschort. Mijn auto moest blijven staan waar hij stond.

deel drie volgt snel!

Capabel

‘Welk woord heb je hiervoor?’ vroeg de psycholoog.
Ik haalde mijn schouders op.
‘Hoe noem je iemand die de dagelijkse dingen gewoon kan? Help me even, jij bent beter met taal dan ik.’
We waren net diep in mijn jeugd gedoken, spraken over volwassenen die me het gevoel gaven dat ik dom was, terwijl het niet aan mij lag dat ze me niet begrepen. Volwassenen die me uitlachten als ik woorden gebruikte die ze niet kenden. We spraken over een overtuiging die altijd bij me was gebleven en bij elke uitdaging weer omhoog borrelde: ik kan het niet.
‘Sorry,’ zei ik. ‘Het blijft even leeg. Zodra ik een goed woord weet, schrijf ik het op. Volgende keer vertel ik het je.’

Nog diezelfde dag wist ik naar welk woord we zochten: capabel. Ik ben capabel. Ik huilde vijf minuten zachtjes, daarna bestelde ik meteen een naamketting met het woord dat tot me kwam, zodat ik mezelf kon blijven confronteren met de ongemakkelijke gedachte dat ik alles wat ik moet kunnen gewoon kan.

Op tafel lagen twee druipkaarsen, zwart met een rode binnenkant. Een kerstcadeau voor iemand met wie ik een date zou hebben. Er lijkt een vloek op onze afspraken te rusten. We leerden elkaar meer dan een jaar geleden online kennen. Steeds waren er redenen waardoor het niet lukte elkaar te zien; ziekte, overbelasting, de staat van mijn relatie. Het leven. Je zou denken dat elkaar in het echt zien op een deceptie uit zou draaien, maar toen we elkaar eindelijk zagen voelde het meteen als volstrekt normaal om bij elkaar aan tafel te zitten. We besloten elkaar snel weer te zien, vlak voor kerst. Maar haar partner kreeg corona en het kerstcadeau moest wachten tot in het nieuwe jaar.

Op de dag dat ik haar weer zou zien was ik moe, zo moe als ik alleen in januari kan zijn, als de feestdagen voorbij zijn, de katers nog in mijn lichaam sluimeren, de wazige herinneringen van oud en nieuw zich nog een plek zoeken in mijn geheugen en iedereen de lampjes weer opgeborgen heeft tot het weer december is. Ik wist niet hoe ik mijn bed uit moest komen.
‘Ik kom iets later,’ appte ik, hoewel het niet erg uitmaakte hoe laat ik kwam.
Ze paste met haar partner en een groep vrienden een tijd op een oude molen die twee uur rijden van mijn huis af lag. Ik zou aanschuiven voor het eten, blijven slapen, en de volgende dag weer naar huis.

Toen ik de auto startte brandde er een rood lampje.
‘Ik ben nog iets later,’ appte ik. ‘De olie van mijn auto moet bijgevuld worden, ik rijd even langs het tankstation om olie te kopen en dan kom ik jullie kant op.’
In het tankstation stond ik een tijd te staren voor een rek met flessen autovloeistof. Een medewerker vroeg of ze me kon helpen. Er stond me vaag iets bij over kleuren, een roze label misschien, maar ik kwam er niet meer uit.
‘Ik weet niet welke olie ik nodig heb.’
De medewerker vroeg me naar het jaartal van mijn auto, pakte een fles voor me uit het rek en zette het voor me op de toonbank. Bijvullen deed ik zelf.

Het lampje op mijn dashbord bleef branden toen ik wegreed. Het duurt misschien even voordat de olie goed over de auto verdeeld is, dacht ik nog. Toen het lampje bleef branden, en ik nog eens goed keek besefte ik het: dit is het lampje van de koelvloeistof. En: ik heb net olie in het resevoir van de koelvloeistof gegoten.

 

Klik hier voor deel twee.

Koekjes

Ik heb een vriendin die twee kopjes thee inschenkt als ze koekjes eet. Het ene kopje om in te dippen, het andere om uit te drinken.

Ik hing eens met mijn billen boven een gezichtsbruiner

Ik hing eens met mijn billen boven een gezichtsbruiner voor een man die op de eerste date beloofde met me naar Disneyland te gaan, omdat ik bang was voor zijn mening over drie pukkels op een kont.

Ik hing eens met mijn billen boven een gezichtsbruiner voor een man die na de eerste date eiste de rekening in zijn eentje te betalen en de tweede date begon met de mededeling dat ik nu moest betalen, omdat ik bang was voor zijn mening over drie pukkels op een kont.

Ik hing eens met mijn billen boven een gezichtsbruiner voor een man die het een daad van misplaatst feminisme noemde toen ik zijn paraplu niet wilde lenen omdat ik liever zonder door de warme zomerregen naar huis liep, omdat ik bang was voor zijn mening over drie pukkels op een kont.

Ik hing eens met mijn billen boven een gezichtsbruiner voor een man die een (onnodige, niet grappige) seksgrap maakte over mij en een goede vriendin en toen ik een aantal weken later in de gelegenheid was een (goede, gelaagde) seksgrap te maken over hem en zijn beste vriend kwaad werd, waarna ik hem wees op zijn bi- en homofobie, waarop hij me een soort van gelijk gaf maar ook meteen met de armen over elkaar zei dat hij het er niet meer over wilde hebben, omdat ik bang was voor zijn mening over drie pukkels op een kont.

Ik hing eens met mijn billen boven een gezichtsbruiner voor een man die graag uit eten wilde maar geen geld had waarop ik zei dat ik met alle liefde betaalde, waarop hij het etentje verpestte door onophoudelijk te zeggen dat ik wel fooi moest geven, waarop ik constant zei dat ik dat zou doen, waarop hij alsmaar bleef vragen hoeveel dan, of ik niet tegen hem loog en of ik wel echt fooi zou geven, waarna hij dan weer zei dat hij zich niet wilde schamen omdat we niets hadden gegeven en die toen we van het restaurant wegliepen zei dat hij stiekem geld onder zijn bord had verstopt omdat hij er niet op vertrouwde dat ik werkelijk fooi zou geven, omdat ik bang was voor zijn mening over drie pukkels op een kont.

Ik  hing eens met mijn billen boven een gezichtsbruiner voor een man die me uitlegde hoe ik op hoge hakken moest lopen terwijl ik naast hem liep, op hoge hakken, omdat ik bang was voor zijn mening over drie pukkels op een kont.

Ik hing eens met mijn billen boven een gezichtsbruiner die me uitlegde wat mansplainen volgens hem werkelijk was toen ik hem vertelde dat hij mansplainde, omdat ik bang was voor zijn mening over drie pukkels op een kont.

Ik hing eens met mijn billen boven een gezichtsbruiner voor een man die vond dat ik mijn naam moest veranderen naar Jirke S. Poetijn, omdat die S. me groot succes zou bezorgen, omdat ik bang was voor zijn mening over drie pukkels op een kont.

Ik hing eens met mijn billen boven een gezichtsbruiner voor een man die tijdens een wandeling zei ‘geef me nu maar gelijk over toen ik het niet aannemen van een paraplu een paar weken geleden een daad van misplaatst feminisme noemde’, omdat ik bang was voor zijn mening over drie pukkels op een kont.

Themamaanden

‘Goed rusten,’ zegt ze. ‘Neem een kop thee als je thuis bent en gebruik de komende dagen geen drugs.’
‘Over hoeveel dagen hebben we het?’ vraag ik.
Ze kijkt op van het notitieblok waarop ze de hele sessie meegeschreven had, haar aantekeningen zijn onderling door lijnen met elkaar verbonden. Hier en daar zijn woorden grof omcirkeld.
‘Wat wil je gebruiken?’
‘Coke.’
De sfeer verandert iets en ik glimlach in een poging dit recht te trekken.
‘Wanneer?’ vraagt ze.
‘Komend weekend.’
Ze kijkt weer naar haar papier. Over drugs hebben het eerder niet gehad. Toen ik haar in het verleden sprak gebruikte ik antidepressiva die zich maar met weinig middelen lieten combineren. Nu ben ik niet meer depressief, maar een ingewikkeld jaar brachten wat hardnekkige copingmechanismen omhoog en dat is kennelijk ook erg genoeg om me te ontvangen.

Ze legt haar notities op het bureau, naast het apparaat waar net nog een groen lampje heen en weer zoefde tot mijn felste herinneringen zich tot vage kijkjes in mijn verleden hadden gevormd.
‘Maar dat is toch helemaal niet goed voor je?’ zegt ze.
Ze schuift haar stoel wat achteruit terwijl me strak aan blijft kijken.
‘Het is geen uit de hand lopende hobby,’ zeg ik.
Ze blijft stil.
‘Ik gebruik zelden iets. En als ik iets net te prettig vind, gooi ik het weg. Zoals de benzo’s deze zomer.’ Ik probeer weer te glimlachen. ‘En sowieso mag ik per maand maar één soort drugs gebruiken.’
Ze fronst. Ik weet meteen dat ik niet over de door mijzelf ingestelde themamaanden had moeten beginnen en besluit meteen ook het woord themamaand niet te gebruiken.
‘Ik gebruik niet vaak, maar als ik het wel doe, mag dat alleen binnen die maand. Zo kan je nooit verslaafd raken.’
‘Wanneer heb je voor het laatst iets gebruikt?’
‘Oktober.’
‘ Dat is helemaal niet lang geleden. Wat gebruikte je?’
‘Keta.’
 Ze slaat haar armen over elkaar.
‘Het is niet goed voor je,’ zegt ze nog eens. ‘Het dempt dingen die het niet moet dempen en het is vluchtgedrag.
Ik knik.
‘Het kost ook veel geld,’ gaat ze verder. ‘Daar kan je toch veel leukere dingen van doen?’
‘Mijn belastingschuld betalen,’ zeg ik.
‘Nee, leuke dingen.’ Ze pakt haar onderlip tussen duim en wijsvinger en kneedt er even in. ‘Coke is gewoon hartstikke duur.’
‘Eigenlijk zeg je: houd het liever bij keta,’ zeg ik.
Ze schudt haar hoofd en kijkt naar de klok. Ik denk wat plezier in haar ogen te zien.
‘Dat zeg ik helemaal niet. Maar om antwoord te geven op je vraag; komend weekend mag het wel weer.’

Dromen

Ik heb steeds nachtmerries over mijn ex, maar gisternacht droomde ik uitgebreid over huzarensalade en vannacht dat er een vrouw met een vierkant gezicht en kort, donker haar in mijn bed sliep, we kusten kort, ze had heel zachte lippen, het gaat de goede kant op.

Rommelkamer (II)

Misschien zijn het de bewegingen. Hoe je bovenlichaam langzaam achter je benen aansleept als je grote passen neemt van leeg stuk vloer naar leeg stuk vloer. Hoe je altijd vooruit moet kijken om te bepalen waar je je voeten neerzet, hoe er constant anticipatie in je houding zit. Hoe je de voordeur niet te ver opent om te voorkomen dat iemand naar binnen kan kijken. Hoe je langs die deur naar buiten glipt. Stiekemig.

Misschien zijn het de geluiden. Een kunststof bakje dat breekt onder je voeten. Een boodschappentas met rommel die langzaam van een kastje glijdt. Het getik van vliegen in een vuilniszak.

Toen ik de rommelkamer leeghaalde dacht ik dat alles in de slaapkamer zou passen. Dat ik vanuit daar uit kon zoeken wat ik wilde houden, wat naar de kringloop kon. Maar de spullen stonden opgestapeld tot boven mijn hoofd en ik sleepte zonder iets te bekijken doos na doos, tas na tas naar buiten, tot de slaapkamer volstond en de hal en een deel van de eetkamer, tot er alleen nog een laag met losse spullen en stof overbleef die ik met een bezem op het laatste stukje lege vloer in de hal veegde.

Er stonden zo veel spullen dat ik me door mijn huis moest bewegen zoals in mijn vorige woning, toen ik ziek was. Een staat van zijn die in mijn spieren opgeslagen ligt. (Ik heb een heel verleden verwerkt in therapie, maar wanneer verwerk je dat je zo ziek werd van je verleden dat je er therapie voor nodig had?)

Ik zat op de bank en installeerde TikTok. Na een halfuur verwijderde ik de app. Ik wierp zo nu en dan een blik in de hal en deed niets. Ik at diepvriespizza en patat. Ik dronk Red Bull.

Niet opruimen gaat voor mij meer over het uit de weg gaan van dat wat er opgeruimd moet worden dan een gebrek aan liefde voor mezelf.

Drie dagen ben ik blijven zitten. Toen stond ik op en opende de eerste doos.