Afgelopen zomer besloot ik vaker ja te zeggen. Ja op voorstellen waarvan ik niet zeker wist of ze bij me pasten, tegen zaken waarvan ik dacht dat ik ze niet verdiende, tegen alles waar ik eigenlijk te bang voor was.
Twee dagen na mijn beslissing vroeg Lola me of ik met haar naar Jordanië wilde.
‘Ja,’ zei ik met een bijna geloofwaardig soort niet gehinderd zijn door angst. ‘Doen we.’
Lola wist niet van mijn beslissing vaker ja te zeggen en wel van mijn gebrek aan motivatie al te ver voorbij Zwolle te reizen, dus wat haar dreef me deze vraag te stellen, soms ga je haast in een sturend universum geloven.
‘Oei,’ zei iedereen aan wie ik vertelde dat ik naar Jordanië ging. ‘Spannend hoor.’
Ik haalde dan mijn schouders op en probeerde iets uit te leggen waar ik eigenlijk geen verstand van had.
Ik vond alles prachtig, overweldigd worden door hoe groot Petra is, overnachten in Wadi Rum, door de oude Romeinse stad Jerash lopen, maar sinds mijn bezoek aan Jordanië denk ik vooral bijna elke week aan Amman. Het was niets in het bijzonder, maar op een dakterras zitten, wat drinken, de heuvels van de stad overzien, de oproep tot gebed over de stad horen klinken, weten dat ik ook met heimwee of een slecht humeur me na een wandeling buiten snel beter zou voelen door derden kleine gesprekjes die iedereen met me voerde, ook daadwerkelijk naar buiten gaan omdat ik niet gehinderd werd door kou. Door downtown Amman lopen, fruit halen, hoe druk het er was, hoe lekker het er rook, soms elke paar meter weer anders, hoe veilig ik me er voelde. Alles.
Laatst vroeg Lola me of ik mee wilde naar Thailand, waar ze gewoond heeft.
‘Ja,’ zei ik weer.
‘Ga je dan ook mee naar het bokskamp?’
Ik heb in mijn leven nog geen bokshandschoen aangeraakt, maar de politieke tijden vragen er steeds meer om een harde klap uit te kunnen delen. Ook als dat niet zo zou zijn, had ik ja gezegd.
Afgelopen week pakte ik de tas in die ik speciaal voor Jordanië had gekocht en ik bleef Amman maar voor me zien. Wat moet ik in Thailand, dacht ik. Kunnen we niet gewoon elke keer naar Jordanië, zoals sommige mensen elk jaar naar dezelfde camping in de Vogezen gaan.
En ondertussen zag ik steeds het nieuws, elke dag meer afschuwelijks. Ik haat het woord nieuws, het heeft iets vervreemdends, alsof alles wat er buiten mijn directe bereik gebeurt een voorstelling betreft en ik ben de toeschouwer, en misschien is dat niet ver van de waarheid, is de wereldpolitiek nog steeds veel te veel een ondertussen voor me. Ik heb er decennia over gedaan mijn jeugd achter me te laten en ver op vakantie te durven. Ik ga op vakantie, mensen worden vermoord. Samenlevingen worde systemathisch uitgeroeid, vakantiegangers vliegen er met een boogje omheen.

Een groot geschenk