Skip to content

Wiegen

Ik hield een baby in mijn armen (ze was perfect, heel klein, greep mijn vinger vast zodat ik haar nageltjes kon bekijken, de kleine nagels van baby’s staan bovenaan de lijst met dingen die zaken die op zijn mooist zijn in een minuscule uitvoering en ik bewonder de mensen die de verantwoordelijkheid hebben om die nageltjes voor het eerst te knippen, ik zou het niet durven), ik kreeg een fles in mijn handen en gaf de haar melk. Ik voelde me volkomen kalm.

Toen vertrok de moeder en waren we alleen, de baby en ik. Vanaf het moment dat ik de auto vanaf de oprit weg zag rijden, wilde de baby niet meer drinken. Dat gaf niets, ik had al begrepen dat ze niets meer hoefde te drinken dan ze op kon krijgen. Vanaf het moment dat de baby niet meer wilde drinken, begon ze te huilen. Dat was ingewikkelder.

Eerst dacht ik dat ik haar de fles te snel af had genomen, maar na een paar keer te proberen of ze niet toch wat wilde drinken, bleek dat het niet te zijn.

Ik legde de baby tegen mijn schouder, zodat ze een boertje kon laten. Daarna stond ik op en begon met haar door de kamer te lopen.
‘Stil maar,’ zei ik. ‘Stil maar.’
Dat helpt natuurlijk niet. Ik rook geen poepluier.
Ik zong zachte liedjes, wat nog niet meevalt wanneer de liedjes overstemd worden door luid gehuil. Ik liep in gekke pasjes waarvan ik dacht dat ze een kalmerend gewieg zouden opleveren, ik bewoog heen en weer. Ik zei dingen die me rustgevend leken.
Niets hielp.

Het gehuil hield aan. Wel twintig minuten.
Dit zit niet in mijn systeem, dacht ik. Er ligt niet ergens diep in mij opgeslagen wat je moet doen als een baby huilt. Wat je moet doen iemand verdriet heeft, en je het niet op kan lossen. Als je er gewoon moet zijn.

Toen herinnerde ik me hoe rustig de baby was toen haar moeder en ik met elkaar spraken.
‘Kijk, hier heb ik mijn auto geparkeerd,’ zei ik terwijl ik naar het raam liep. Ik probeerde te praten alsof ik tegen een volwassene sprak. ‘Mama kon zonet bijna niet wegrijden, dat had ik niet handig gedaan.’
Het gehuil leek wat zachter te worden. Ik liep naar de keuken en vertelde over wat ik zag. Kopjes, een raam, olie. Ik vertelde over wat mama aan het doen was, over hoe snel ze terug zou zijn.

Even viel het gehuil stil.

Meer tegen mezelf dan tegen de baby zei ik: ‘nu gaan we een ademhalingsoefening doen.’
Ik hield de baby liggend op mijn arm, ademde diep in en liet mezelf een stukje door mijn knieën zakken toen ik langzaam uitademde. Ik ademde in, kwam weer omhoog, ademde uit terwijl ik me door mijn knieën liet zakken en herhaalde dat een paar keer.

De baby maakte geen geluid.

Zo, dacht ik. Dat is opgelost. Waarop de baby meteen weer zachtjes begon te jammeren.

Dus ik ademde weer. Door mijn knieën en weer omhoog. Door mijn knieën en weer omhoog. De baby kwam tot rust, met af en toe wat grote nasnikken. Ze sloot haar ogen.

Op het geluid van mijn uitademen wiegde ik haar. Ik nam grote stappen door de kamer, alsof ik de wind was. Woeshhhhhhhhhhhh. Woeshhhhhh. Ik geloof dat ik een kleine lach op haar mond zag. Woeshhhhhh.

Ik heb lang geloofd dat het leven met elke gebeurtenis wat zwaarder wordt, dat iedereen steeds een klein beetje meer kapot gaat. Ik denk daar nog maar weinig aan, vaak lijkt het tegenwoordig andersom.

Big in Veendam

Soms denk ik terug aan mensen van wie ik de naam niet meer ken, me het gezicht niet herinner, niet de grapjes die ze maakten. Mensen die gevangen zitten in een kort fragment dat zich in mijn hoofd genesteld heeft.

Het is zaterdagochtend, vroeg, veel te vroeg voor een tiener, en ik vul de koeling achter in de Lidl van Veendam. Mijn werkkleding is blauw met wit gestreept, oncomfortabel, veel te groot en biedt geen bescherming tegen de kou die van de producten dampt. Mijn vingers zijn verkleumd van de dozen aardappelsalade die ik beet heb gehouden, maar gelukkig hoef ik de vriezer niet bij te vullen, de vriezer vullen, dat is echt de hel. Een van mijn collega’s vertelde me net met welk meisje hij een week eerder heeft geslapen.
Rechts van me hoor ik de roldeur naar het magazijn met een klap naar boven slaan. Wanneer de winkel nog dicht is klinkt het geluid door tot bij de kassa’s. Uit het magazijn komt met grote passen een AFM (assistent filiaalmanager, maar dat zeiden we niet hardop, assistent, we zeiden AFM, de AFM’s waren belangrijk, zij waren de mensen die aan het einde van de dag de kassa’s mochten opmaken) de winkel in gelopen. Hij klapt in zijn handen.
‘Goed bezig jongens, knallen!’
Ik kijk naar mijn collega, hij kijkt niet van zijn werk. Ook de anderen die de koeling vullen kijken niet op.
Het haar van de AFM wordt door gel overeind gehouden. Hij draagt dezelfde werkkleding als de vakkenvullers.
‘Kom op jongens!’
De man klapt weer in zijn handen, terwijl hij achter de vakkenvullers begint te ijsberen.
‘Doorknallen! Knal die vracht erin! Massa is kassa! Massa is kassa!’

Daar denk ik aan, aan hem denk ik, aan hoe die jongen met dat stekelhaar achter ons heen en weer liep, klappend in zijn handen, scanderend. Aan wat zijn dromen waren, zijn ambities. Aan of het leven hem gegeven heeft waar hij zo hard naar zocht

De maat

1.
We zitten aan tafel. Op de knieën van mijn spijkerbroek zitten natte plekken van het spelen in het gras.
Er staan drie borden. Een voor mijn vader, een voor mijn broer en een voor mij.
‘Eet mama niet mee?’ vraag ik aan mijn vader.
‘Jawel,’ zegt hij.
Mijn moeder komt de keuken uitgelopen met een vierkant glazen schaaltje met yoghurt.
‘Mama is op dieet.’

2.
Linda had nieuwe vriendinnen gemaakt en was met ze naar het zwembad geweest. Ik maakte me zorgen, het waren populaire meisjes en ik kon merken dat ze mij niet mochten. Linda vond me soms ook stom, maar dat vertelde ze me dan gewoon. Zoals die keer dat ik al mijn schoolspullen bij de V&D in dezelfde zwart-witte print had gehaald. ‘Niet tof, Jirke,’ zei ze toen. ‘Alles in dezelfde print. Niet tof.’ Het jaar daarop zorgde ik ervoor dat niets bij elkaar matchte.
‘Hoe was het in het zwembad?’ vroeg ik.
‘Leuk,’ zei Linda. ‘Meike en Irene zijn echt tof.’
‘Fijn.’
‘Alleen moesten ze lachen om een vrouw met cellulite. Ze wezen haar na. Ik heb ook putjes in mijn benen als ik ga zitten, maar dat durfde ik niet te zeggen.’

3.
Ik was klaar met de middelbare school en we vonden elkaar weer. Hij was naar de stad verhuisd voordat ik dat deed en hij had me erg gekwetst met zijn avonturen. Toch bleek er toen we elkaar weer zagen nog een grote aantrekkingskracht te zijn. Hij had veel geleerd. Waar de toffe plekken waren, wie de toffe mensen, hoe je nog meer plezier kon hebben dan van blowen of drank.
We dansten de hele nacht, hadden dezelfde hallucinaties, bleven samen wakker tot de zon weer bijna onderging.
‘Weet je dat pep heel goed is voor de lijn?’ zei hij.
Ik keek hem aan.
‘Ik denk dat je, als je een maand lang elke dag gebruikt, er perfect uitziet. Niet met grote borsten natuurlijk, maar gewoon, slanker.’
Slanker. Dat klonk goed. En een maand was te overzien.
‘Natuurlijk kan je niet snuiven op je werk. Dat valt op. Pak eens vloei? Dan laat ik je zien hoe je bommetjes kan maken. Die kan je gewoon doorslikken.’

4.
Vanaf het moment dat ik hem zag was ik verliefd. Hij was volwassen, dacht ik. Alles ging snel en ik liet me meevoeren.
Vanaf het moment dat we samenwoonden had ik spijt. We zouden samen naar een nieuw huis zoeken, maar toen ik eenmaal bij hem woonde, wilde hij niet meer verhuizen. Hij droeg me op handen, ik wist niet wat ik daar mee moest.
‘Je bent prachtig,’ zei hij. ‘Wat ben je ongelooflijk mooi en lekker.’
Ik lachte dan ongemakkelijk. Soms zei ik dat ik niet blij was met mijn figuur. Dat wuifde hij weg. ‘Je bent perfect.’
Een keer kreeg ik medicatie die ervoor zorgde dat ik niet meer kon eten. Het ging zo moeizaam, dat ik soms twee uur worstelde om een halve liter sinaasappelsap weg te krijgen. Natuurlijk verloor ik gewicht.
Mijn vriend was erg te spreken over mijn nieuwe vorm. ‘Ik neem terug wat ik heb gezegd,’ zei hij terwijl hij me naar zich toetrok. ‘Zo vind ik je nog mooier.’

5.
Met een vriend deed ik een patateetwedstrijd. Een kilo patat bij Manneken Pis in Utrecht. Hij was sneller, maar we kregen beiden alles op. Weer thuis belde ik met de jongen waar ik geen relatie mee had of misschien wel, het was een gecompliceerde situatie.
‘Een kilo,’ zei ik. ‘Goed he?’
Even bleef het stil.
‘Ik weet niet of ik dat wel zo goed vind,’ zei hij.
‘Ik heb niet gewonnen, maar ik heb alsnog alles opgekregen.’
‘Ik geloof niet dat ik het een goed idee vind dat je een kilo patat eet,’ zei hij.
‘Waarom niet?’
‘Het zou erg jammer zijn als je aankomt.’

6.
Een vriendin had een zwembad in de tuin gezet en vroeg of op een warme dag of ik bij haar langs wilde komen om in het zwembad te zitten. Ik wilde wel, maar vond het lastig dat het zwembad vanaf het voetpad te zien was. Ik heb me nooit gemakkelijk gevoeld in zwemkleding.
‘Geeft niets,’ zei ze. ‘Ik had dat in het begin ook, maar de mensen op straat zijn toch niet bezig met hoe jij eruitziet. Kom maar gewoon.’
Ik had mijn bikini onder mijn kleding aangetrokken. Bij de vriendin in de tuin trok ik mijn rok en t-shirt uit. Een ongemakkelijk moment vond ik het, je kleding uittrekken op een plek waar je dat normaliter niet zou doen. Het voelde kwetsbaar, zoals wanneer je in de sauna je zwemkleding uittrekt.
De vriendin stond tegenover me in haar bikini en nam me even in zich op.
‘Goh,’ zei ze. ‘Je zit best stevig in je vel. Met jouw figuur had ik het blubberiger verwacht.’

7.
Bij de psychiater aan tafel vertelde ik tevreden over de effecten van de medicatie die hij had voorgeschreven. Het was een verschil tussen dag en nacht, wel of niet leven, naar buiten gaan of de hele dag in bed blijven liggen. Een mirakel.
‘En de bijwerkingen?’
‘Valt mee.’
‘Gewichtstoename?’
‘Twee kilo.’
De psychiater zuchtte.
‘Dan moeten we misschien toch naar een ander middel kijken.’

8.
‘Ik ben blij dat het zo goed met je gaat,’ zei iemand. ‘En ik zeg tegen iedereen dat je niets kan doen aan je gewicht, dat dat gewoon van de medicijnen komt.’

9.
Op mijn werk had iemand op een zonnige dag een hangmat opgehangen.
‘Let je wel op?’ zei ze. ‘Ik denk niet dat jij er in moet gaan liggen. Ik bedoel het niet slecht, maar ik dacht, ik waarschuw je even.’
Ik vroeg me af waar ik die dag überhaupt de tijd had moeten vinden om even te gaan liggen.

Het geruis

Er is een plek in mijn hoofd en het ruist er. Er is een plek in mijn hoofd, het is lang lang geleden ontstaan, langer geleden dan ik kan bevatten en het groeide met iedere keer ik hoorde dat ik me niet aan moest stellen, niet moest huilen, stil moest zijn. Er is een plek in mijn hoofd die ik pas een paar jaar ken, het trekt negativiteit aan en slokt herinneringen op als een zwart gat.

Niet lang geleden was ik het toonbeeld van een verwaarloosde kluizenaar en ik dacht dat alles goed ging. Zei: je moet tevreden zijn met wat je hebt. Zei: je moet genieten van de kleine dingen in het leven. Zei: je kan het slechter treffen. Als je lachend in de hel staat en denkt dat het de hemel is, is het tijd je zorgen te gaan maken, het moment om naar het ruisen van de plek in je hoofd te luisteren.

Het herkennen van het ruisen begint met het erkennen van wat het geruis verbergt. Je moet je herinneren. Herinneren hoe je je huis verwarmde met kaarsen en een gourmetstel omdat je de man van de ketel niet durfde te bellen. En dat dat niet normaal is. Herinneren hoe iemand je walgelijk (wal-ge-lijk, wal-ge-lijk, wal-ge-lijk) bleef noemen. En dat dat niet normaal is. Herinneren hoe alles was. En dat het niet normaal was. Dat het slecht was. Verdrietig. De hel.

Dan zoek je naar de oorsprong van het geruis. Je moet je herinneren wat je niet meer kan herinneren omdat het te lang geleden is. Misschien is het alleen een gevoel. Een gedachte. Stil moeten zijn. Weg willen lopen. Willen schreeuwen. Je om willen draaien. Herinner je hoe het voelde en weet dat het slecht was.

Dan kan je beginnen met luisteren naar het geritsel. Herkennen dat het geluid aanzwelt als er iets naars gebeurt.

(Ik herinner me een gesprek met Oscar, in de auto naar Duitsland. Het was serieus en ging over onze relatie. Ik wilde dingen beter doen, moest ze beter doen. Ik wilde het onthouden, zei het hem ook: ik wil dit echt onthouden, ik wil dat alles beter wordt, maar ben zo bang dat ik het vergeet. Twee dagen later moest ik hem vragen naar wat ik zo graag had willen onthouden. Dat doet het geruis.)

Als je het geruis herkent, kan je het kleiner maken. Ertegen praten. Erkennen dat het er is en er niet bang voor zijn. Opschrijven wat je wil onthouden als het geruis alles overstemt. Leren het op afstand te houden.

Mijn geruis is kleiner dan het lang geweest is. Het zit om van alles dat ik me niet kan herinneren en het mag er blijven zitten. Het beschermt me tegen wat het verhult en over een lange tijd zijn dat als het goed is alleen nog maar herinneringen waar ik niets mee hoef. Nu word ik soms nog geconfronteerd met wat het verbergt, de dingen die ik niet wilde weten, niet wilde onthouden, alles waar ik me voorheen slecht door voelde. Zoals eergisteren, toen ik ’s avonds bij het kijken van de eerste exitpoll geschokt kennis nam van het aantal kamerzetels dat de PVV al jaren blijkt te hebben.

Naar het slot

Wat het is, ik wil geen kinderen, ik hoef geen nageslacht, ik wil graag voor iemand zorgen en dat lukt me uitstekend binnen werktijd, ik heb niet het gevoel dat ik een andere keuze moet maken dan de beslissing die er nu ligt, ik heb niet het gevoel dat ik moet laten zien dat ik het beter kan dan de generaties voor me, ik heb niet het idee dat ik momenteel iets mis, wat me wel bezighoudt is de gedachte dat ik (en ik hoef er niet bang voor te zijn, ik heb veel geleerd, ik kan veel dragen, zelfs mezelf) nu het punt voorbij raak waarop het vast komt te liggen, niet het verloop van de komende jaren, niet dat van de komende decennia, maar dat van het laatste stuk, het slot, het einde waarop ik afscheid neem en niemand om me uit te zwaaien.

De gaten

‘Voordat we definitief afsluiten,’ zei ze, ‘voordat we dit afronden en ik jullie niet meer spreek, wil ik de gelegenheid geven nog wat te vragen. Als er iets is blijven liggen, een onderwerp waar we het nog over moeten hebben, een vraag die je nog wil stellen: dit is het moment. Straks kan het niet meer.’

Ik schudde mijn hoofd, probeerde Oscars blik te vangen, wat onmogelijk is tijdens een video-overleg, hij schudde zijn hoofd ook en daarmee was alles klaar.

‘Bedankt,’ zei ik. ‘Ik heb veel geleerd, je hebt ons goed geholpen.’

Omdat ik mijn band met de ggz-instelling niet wilde verbreken voordat ik de medicatie afgebouwd heb (mijn angst is afbouwen en geen specialistische hulp in de buurt hebben wanneer ik deze nodig heb), heb ik nog regelmatig gesprekken met een verpleegkundig specialist. Ik praat met haar over hoe het met me gaat, soms zijn het diepgaande gesprekken, soms zijn ze luchtig. Het fijne is dat ik in die gesprekken steeds ontdek waar er nog winst te behalen valt. Had ik twee jaar geleden kunnen kijken naar hoe mijn leven er nu uitziet, dan had ik gedacht dat mijn leven nog nooit zo mooi geweest was. En dat is waar. Maar wanneer de grote obstakels uit de weg geruimd zijn, kan je kijken naar details, die geen details meer blijken, maar punten om lijnen tussen te trekken waarbinnen zich een heel nieuw obstakel aftekent.

Er valt veel te klagen over de geestelijke gezondheidszorg, maar mijn behandeling is geen quick fix. Er wordt geluisterd, ik kan zeggen waar ik behoefte aan heb en dan wordt er gekeken naar mogelijkheden. Zo gebeurde het dat Oscar en ik in gesprek gingen met een systeemtherapeut. Er was geen crisis, geen dreigende scheiding, geen gevoel dat we er samen niet uit zouden komen. Integendeel. Er was rust en de behoefte beter te snappen wat de gebeurtenissen van de afgelopen jaren met ons hadden gedaan. Hoe we er nog beter mee om konden gaan.

Wat ik leerde tijdens de gesprekken: onbewust wil je in een relatie de dingen gerepareerd zien die er in je jeugd mis zijn gegaan. Ik vond dat een openbaring. Het verklaarde mijn behoeftes en grotendeels waarom ik me in vorige relaties op een bepaalde manier opstelde. Het verklaarde Oscars behoeftes, en waarom we niet altijd aan elkaars wensen kunnen voldoen. Iedereen leeft met gaten die een ander niet kan dichten.

Het begrijpen van de mechanismes achter gedrag geeft lucht. Het is niet allemaal persoonlijk.

Sinds ik medicatie gebruik droom vaak, soms droom ik over een ex van lang geleden. Tussen alle grote emotionele stormen in mijn leven was hij er maar kort. Het werd niets tussen ons en ik kon niet verklaren waarom het niet werkte, hij was rustig en lief, veroorzaakte geen gedoe. Ook in mijn dromen veroorzaakt hij niets, hij is er gewoon, een kalme deelnemer in het verhaal.

Een week na het afronden van de systeemtherapie herinnerde ik me dat ik het nog ergens over had willen hebben. Over de emotionele tekorten waarmee mensen opgroeien, over de behoeftes die daardoor ontstaan, over hoe die behoeftes in relaties alsnog bevredigd moeten worden, wat niet kan, het zijn geen behoeftes maar gaten die lang geleden zijn geslagen, ze zitten in mensen, niet in relaties en ik had willen vragen in hoeverre je zoekt naar een relatie waarin aan oude wonden wordt gepulkt, de gaten opgerekt worden, omdat je ook onbewust niets kan repareren zonder het eerst te hebben aangeraakt.

Een jaar met Vasco

Hoe het precies zou gaan had ik niet bedacht. Wel dat Vasco minder bang zou worden, hier een plek zou vinden waar hij op zijn gemak zou zijn, waar hij zich niet steeds hoefde te verschuilen. Dat hij zou weten wat hij aan me had, dat ik hem niet aaide als hij dat niet wilde, dat hij niet voor me hoefde te vluchten. Dat we hier samen zouden leven, dat dit net zo goed zijn huis zou worden als dat van mij.

En ik had een kleine wens, een wens die niet per se uit hoefde te komen. Voor het einde van het jaar een kopje krijgen. Een kleintje, tegen mijn enkel.

Nog even en Vasco woont hier een jaar. Wanneer het tien uur is, gaan we naar bed. Ik lees een boek en aai Vasco, die standaard tegen mijn linkerbovenbeen komt liggen, over zijn buik. Vaak aai ik meer dan ik lees. Als ik moe genoeg ben, leg ik het boek aan de kant en trek aan het touwtje boven het bed. Dan komt Vasco overeind, rekt zich langzaam uit en loopt in slome passen naar de zachte mand die op het nachtkastje staat.

Kinderen

Ik droomde dat Oscar een kind schonk aan een oude vriendin van me. Ik vond het ongemakkelijk, Oscar zou zich niet met de opvoeding bemoeien, maar deze mensen zouden voor altijd aan elkaar verbonden zijn, buiten mij om, op een manier waarop ik nooit met iemand verbonden zou zijn. Ik voorzag problemen, maar wilde niets verbieden. Mijn vriend wilde een cadeau geven, mijn vriendin wilde een kind. Hoe kon ik daar iets op tegen hebben?

Toen ik wakker werd, vertelde ik Oscar over de droom.
‘Je droomt vaak over kinderen,’ zei hij.
‘Niet waar,’ zei ik.
Later herinnerde ik me de droom waarin ik een kind had en ontroerd raakte toen ik het kind en de vader (niet Oscar) samen in het kinderbed zag liggen slapen.

Ik werd niet ongesteld op de dag dat ik ongesteld had moeten worden. Na twee dagen maakte ik me zorgen. Oscar zegt dat ik nooit ongesteld word op de dag dat ik ongesteld moet worden, maar ik belde hem niet om me gerust te laten stellen. Ik had de afgelopen week veel honger en mijn buik was rond. Sinds ik medicatie slik om mijn stemming te verbeteren heb ik constant honger en een alsmaar grotere buik, maar ik voelde me anders. Bovendien was ik met mijn gebruikelijke anticonceptie gestopt.

Ik vertelde ook de oude vriendin over wat ik gedroomd had. Ze lachte erom en zei dat het terecht was dat ik mijn mond had gehouden in de droom. Dat verbieden wel wat ver was gegaan.

Gebeden

Er ligt een periode tussen het moment dat ik voor het eerst met een vet zwart potlood dikke lijnen over mijn oogleden trok en het moment waarop ik al mijn afspraken af begon te zeggen. Of misschien begon die periode op het moment dat ik heel hard piemel over het schoolplein riep en ik ontdekte wat de sociale normen op dat gebied waren doordat ik van een vriendinnetje hoorde wat haar moeder ervan vond en eindigde die periode op het moment dat ik alleen nog maar eerlijk kon antwoorden als iemand vroeg naar hoe het met me ging. Er is zoveel gebeurd, ik kan de rest van mijn leven wekelijks opnieuw schrikken van hoe alles is gelopen, er is zoveel gebeurd en de laatste dagen vraag ik me af hoe vaak het is voorgekomen dat iemand stiekem voor me gebeden heeft.

Nieuw mens

Dit is een nieuw mens. Hetzelfde lichaam, hetzelfde brein, dezelfde herinneringen.

Dit is een nieuw mens, een mens therapie dat heeft gehad, heropgevoed is, andere inzichten heeft opgedaan. Het bewijs van neuroplasticiteit.

Ik heb geleerd om anders te leven. Om het gesprek met mezelf aan te gaan. Om het anders te doen dan ik eerder deed. Hoewel het niet altijd lukte, was ik er radicaal in: geen rommel in huis, elke dag om tien uur naar bed, om zeven uur opstaan, regelmatig hardlopen, ook voor vrije dagen een planning maken, inclusief pauzes.

Het hielp.

Ik hield afstand van wie ik eerder was, van de vorm die ik lange tijd aan had genomen. Ik sliep niet meer uit, nog geen kwartier, omdat ik bang was dat dat ervoor zou zorgen dat ik voorgoed niet meer op zou willen staan. Met het loslaten van de oude vorm vond ik de inhoud langzaam terug.

Later ontdekte ik loslaten. De stem van mijn psycholoog echoot nog steeds in mijn hoofd, misschien draag ik haar voorgoed bij me. Mild zijn, zegt ze. Wees mild. Zo kan het dat ik tegenwoordig soms tot acht uur in bed lig. Een enkele keer tot half negen. Sommigen lachen erom, op uitslaapgebied ben ik nogal braaf, maar het voelt als een grote stap richting het leven leiden zoals ik dat wil.

Er is veel gebeurd en ik heb er niet over geschreven. Omdat je sommige dingen niet goed kan doormaken met een pen in de hand. Omdat ik heb geleerd om op een stoel te zitten en te voelen. Een naam te geven aan een emotie en te benoemen waar de emotie zich bevindt. Een zwaar gevoel in mijn buik, een drukken op mijn keel, kriebels op mijn onderarmen. Ik moest aanwezig zijn, geen afstand nemen van mezelf, geen verhaal maken van wat ik meemaak. Denken: dit is geen verhaal, dit is het leven. Denken: ik schaam me hiervoor. Denken: dit mag niemand ooit van me weten.

Een tijd lang dacht ik dat ik nooit meer zou kunnen schrijven, omdat ik niets meer mee zou maken. Dat ik gelukkig zou worden in een radicaal saai leven waarin ik niets gebeurde. Een leven waarin niets meer te beschrijven valt. Daarna dacht ik dat ik nooit meer zou kunnen schrijven, omdat de medicatie dat verhinderde. Me afvlakte. Nu denk ik dat ik bang ben om te schrijven, omdat ik geen wig meer tussen mezelf wil drijven. Bang ben voor wat er gebeurt als ik afstand neem van wat ik meemaak.

Met uitslapen is het ook gelukt.

Gisteren viel ik in slaap met een belangrijke boodschap voor de wereld, iets waarvan ik dacht dat ik het op mijn blog moest zetten, zodat iedereen er kennis van kon nemen. Ik schreef de boodschap niet in een boekje dat op mijn nachtkastje ligt, maar bleek hem toen ik wakker werd op miraculeuze wijze onthouden te hebben. Het gevoel dat deze boodschap (er is geen glijmiddel dat de geur van een bacteriële vaginose kan maskeren) relevant genoeg is om online te delen was verdwenen, maar het idee dat het schrijven van een stukje niet het einde van een prettig bestaan betekent bevalt me.