Invloed

Ik troost mezelf met de gedachte dat ik altijd alleen zal blijven. Als ik niemand iets verschuldigd ben, ben ik dat ook mezelf niet. 

Toen ik net alleen was, hoorde ik van alle kanten dat ik niet meteen weer een relatie moest beginnen. Dat ik eerst een tijd eenzaam hoorde te zijn. Mezelf moest vinden. Ik heb vaak iemand gemist. Dat doe ik soms nog, maar inmiddels geloof ik niet meer dat dat iets te betekenen heeft.

De mensen die me waarschuwen voor seks zonder betekenis zien de waarde niet in van een exact afgemeten hoeveelheid bevestiging krijgen. Ze weten niet welke verhalen ongemak oplevert. Wat dat betreft kan je beter knokig in elkaars armen liggen terwijl je het beiden niet meent, dan ontdekken dat jullie lichamen (ook als jullie geen seks hebben) perfect in elkaar passen.

Als ik iets leuks moet vertellen over mijn langste relatie, vertel ik graag over hoe hij me toestond om voor onze vakantie naar Parijs de hotels met de slechtste beoordeling te boeken. Er is genoeg te beleven in Parijs, als je maar de moeite neemt om goed te zoeken.

Vorige week hoorde ik dit gesprek: 
“En toen gingen we naar Simplon en daar hebben we gezoend.”
“Het was in Vera.”

In het afgelopen jaar heb ik een narratief ontwikkeld dat ik met iedereen deel, maar aan niemand toevertrouw.

Ik weet niet of ik nog met de waarheid kan leven.

Aantrekken

Er zijn mannen die zich ten onrechte van alles aantrekken, zoals de man die dacht dat ik mijn hooggehakte pumps speciaal voor hem droeg, terwijl ik ze aan had getrokken om mijn gewicht tijdens het lopen niet op mijn pijnlijk beblaarde hakken te laten komen.

Mijn allereerste blogstuk

Bij het opruimen vond ik in een snelhechter mijn eerste blogstuk terug. Ik begon een blog toen ik de lerarenopleiding Nederlands in Leeuwarden deed en me eenzaam en afgesloten van mijn Grunneger vrienden voelde.

Iemand heeft lang geleden het volledige archief van mijn eerste blog uitgeprint. Daar ben ik geïrriteerd over geweest, inmiddels ben ik er blij mee. Alles is er nog.

Over een paar dingen aan het stukje blijf ik nadenken:

1.
Ik wilde opruimen op mijn vrije dag. Dat voornemen herken ik nog steeds. Heb ik het me ooit niet voorgenomen? Heb ik het ooit werkelijk gedaan?

2.
Ik noem iemand bij zijn echte naam. In latere blogstukjes vertel ik over hoe gemeen mijn ex is. Ook hem noem ik bij zijn echte naam. 

3.
Na de inspiratieloze poëzielessen op de middelbare school was er voor mijn ontluikende interesse voor poëzie weinig meer over. Dit was mijn toenmalige proza.

Dertien stenen waar ik me nog aan stoot

1.
Borden opstapelen in de wasbak en met mezelf afspreken dat ik later op de dag zal afwassen.

2.
Erop vertrouwen dat ik nu echt oud en verstandig genoeg ben om mezelf niet te verliezen in een relatie.

3.
Denken dat ik dat shirtje nog wel een dag kan dragen.

4.
Mijn pony zelf knippen.

5.
Eén drankje maar.

6.
Niet controleren of de achterkant van mijn rokje in mijn panty zit als ik van de wc kom.

7.
Enthousiast ‘ja’ op alles zeggen.

8.
Ervan uitgaan dat anderen mijn humor begrijpen. Of leuk vinden.

9. 
Midden in de zomer een weekvoorraad fruit kopen.

10.
Aannemen dat mannen het allemaal platonisch met me voorhebben.

11.
Op Twitter kijken. Heel eventjes maar.

12.
Me opmaken bij gedimd licht en vervolgens bij daglicht naar buiten gaan.

13.
Ingrediënten voor een gezonde maaltijd halen. Ook nog een zak chips meenemen.

Notitie

Even was ik bang dat ik al mijn aantekeningen kwijt was toen mijn telefoon stierf. Gelukkig bleken ze ergens centraal opgeslagen. Ik las ze terug. Sommige notities vind ik nuttig. Van andere begrijp ik niets meer.

En er zijn aantekeningen waarvan ik graag wil weten wat ik deed op het moment dat ik ze schreef. Bijvoorbeeld:

Bakjes pinda’s op een swingersfeest bij iemand thuis.

Weggespoeld

Ik zeg soms dingen waarvan ik niet weet of ik ze meen, zoals: als deze telefoon stuk is, neem ik geen nieuwe smartphone.

Gisteren hoorde ik op mijn werk iets in de wc vallen. Mijn hersenen registreerden de plons pas op het moment dat ik al doortrok. Toen ik in de pot keek, zag ik een golf water boven de afvoer bruisen. Een halve seconde lang was ik opgelucht, want ik zag alleen maar water. Tot de golf in de afvoer verdween en mijn telefoon onthulde.

Er was geen paniek. Ik pakte mijn mobiel uit het water, droogde hem vluchtig met een handdoek en drukte een knop in. De telefoon werkte en viel meteen weer uit.

Dat komt nog wel goed, dacht ik. Daarna las ik dat je een telefoon die in het water is gevallen zo lang mogelijk moet laten rusten, om kortsluiting te voorkomen.

In de trein op weg naar huis dacht ik over wat ik zou gaan missen. WhatsApp. De werkgerelateerde WhatsApp-groep. De andere werkgerelateerde WhatsApp-groep. De WhatsApp-groep over met zijn allen naar de film gaan, terwijl we überhaupt nooit ergens met zijn allen naartoe gaan. Goede gesprekken met vrienden. Gesprekken met mannen die ik nooit gezien heb. Als zij denken dat ik relevant ben, hebben ze mijn nummer.

Ik dacht aan Twitter. Aan Facebook. Aan websites die ik graag bezoek. Ik dacht aan de laptop die ik thuis heb staan en uitstekend kan gebruiken voor deze dingen.

Ik pakte een boek uit mijn tas. Ik was er vorige week in begonnen en had het nog niet weer geopend. Het was een van mijn lievelingsboeken op de middelbare school. Ik las over Johannes. Hij ontmoette Hein en hoorde hoe Hein antwoordde op de vraag hoe het met hem ging.

– ‘Druk, druk!’ – zeide de lange man en wischte zich het koude zweet van het beenige, bleeke voorhoofd.

Ik begreep het. Het was nog maar 1884, maar de Dood heeft nooit stilgezeten.

Tussen het station en mijn huis miste ik mijn oordopjes. Ik sluit me graag af, maar had nu geen muziek meer.

De geluiden van de stad zijn clichés. Brommers, studenten die een lied zingen, het krik-krak-krik-krak van iemand op een fiets die het bijna begeeft. Ik kan hier aan wennen, dacht ik. Iets later, toen ik romantische muziek hoorde en een huis inkeek waar ik twee mensen lief op een salontafel zag dansen, leerde ik wat je mist als je blik de geluiden om je heen niet kan volgen.

Ik heb geen Tinder meer, besefte ik toen. Alle matches, alle leuke gesprekken en alle mooie mannen zijn weg. Alle grappige mannen zijn weg. Alle slimme mannen zijn weg. Ik heb geen van de matches ooit ontmoet. Een hoop mogelijkheden waren me ontnomen. Even vond ik het jammer. Daarna bedacht ik dat het leven me genoeg beloftes doet.

Geen niet

Het café had geen uitzicht op het strand, dus ik was niet bij het raam gaan zitten. Ik was hier nog niet eerder geweest. Er stonden geen bloemen op de tafels. Geen waxinelichtjes.

Hij gaf me geen kus toen hij binnenkwam. Hij had zich niet geschoren en droeg geen after shave. Ik sprak niet over wat er gebeurd was en hij stelde geen vragen. We bestelden geen appeltaart bij de koffie, het zou niet lang duren deze keer.


Zojuist las ik het advies om de woorden ‘geen’ en ‘niet’ te vermijden, omdat u dan moet raden naar wat er wél gebeurd is. U bent nu vast ontzettend in verwarring. Mijn excuses.

Blauwe plekken

1.
In de kelderbar van Vera speelde ik een potje tafelvoetbal zonder handen. Mijn tegenstander en ik bedienden de stangen met onze heupen. Om te schieten plaats je je heup of bil tegen de stang (die je normaal gesproken met je handen bedient) en maakt een op- of neergaande beweging. Om de pionnen te verplaatsen, geef je met je heup een duwtje tegen de stang. Je hebt elkaars hulp af en toe nodig om de stang weer terug te krijgen, als deze volledig naar de kant van de tegenstander geduwd is.
Ik won.
Twee dagen later zaten mijn heupen vol blauwpaarse stippen en vegen. Ik denk dat het er wel dertig waren.

2.
Lang geleden besloot ik eens met blote benen naar buiten te gaan. Ik deed dat anders nooit, omdat ik me schaamde voor mijn lichaam.
Het voelde bevrijdend, al voordat ik de deur uit was.
Mijn vriend zag mijn schenen en zei dat hij zo niet met me over straat wilde. Mensen zouden kunnen denken dat hij mishandelde. Ik trok een panty aan.

3.
Ik volg sekswerkers op Twitter. Ze vertellen over hun werk. Over de leuke kanten, maar ook over de vooroordelen waar ze mee te maken hebben.
Ik leer van ze.
Tussen de werkgerelateerde foto’s zitten soms foto’s van forse bloeduitstortingen. Opzettelijk aangebracht. De eerste keer dat ik dit zag, schrok ik. Inmiddels kijk ik soms in de spiegel en denk: dat is een mooie blauwe plek.

Moeten plassen

Het schemerde al een beetje toen ze moest plassen. Ze hoorde zijn ademhaling en het zachte gezoem van een apparaat. Er gebeurde niets, behalve moeten plassen. Misschien verveelde ze zich meer, dan dat ze werkelijk haar blaas moest legen.

Ze ging op de rand van het bed zitten, pakte haar ribfluwelen broek van de vloer en probeerde hem zo zachtjes mogelijk om haar benen te trekken.

Achter zich hoorde ze het bed kraken.
Hij was wakker geworden en zat met dichtgeknepen ogen (alsof ze een felle lamp op zijn gezicht had gericht) half overeind in het bed.
‘Wat doe je?’
‘Ik ga plassen,’ zei ze. ‘Ik vlucht niet, hoor.’
‘Oké,’ zei hij. Het klonk opgelucht.
Ze stond op, trok de broek omhoog en ritste de gulp dicht. Hij legde zijn hoofd weer op zijn kussen.