Voor Shortreads schreef ik Dilemma-extravaganza!
Voor Shortreads schreef ik Dilemma-extravaganza!
Het is nog maar een halfjaar geleden dat ik voor het eerst Europa durfde te verlaten. Nu ben ik in Bangkok. Ik had grootse verwachtingen en heb heimwee. Ik mis Vasco, hij laat zich niet zien voor de camera die ik in huis heb staan. Ik wil tempels bezoeken en ben moe. Als ik richting mijn tijdelijke onderkomen loop, kom ik langs een zaak die Bahn Mi verkoopt. Het smaakt haast zoals in Groningen, even sta ik voor Mr. Dam in de Astraat.
Je moet je heimwee niet ontvluchten door altijd maar thuis te blijven, heb ik geleerd. Je kan gewoon even verdrietig zijn als je op reis bent. Het is goed als je van je thuis houdt.
Ik hou vandaag zo van thuis dat ik haast twijfel aan mijn wens om naar de Randstad te verhuizen.
Ik vind mezelf hier verlegen. De groottte van de stad overweldigt me, hoe hoog de gebouwen zijn, hoe veel het verkeer, hoe warm het is. De kleine dingen die anders zijn, dat er overal elektriciteitsdraden hangen, ik vind ze prachtig, een door de hele stad gesponnen web. Hoe rustig veel mensen zijn, ondanks de drukte van de stad.
Als ik naar de winkel ga om water te halen, wil ik de winkelmedewerker begroeten. Sawadika, hoor ik mezelf op mijn allerzachtst zeggen. Ik voel mijn wangen een beetje kleuren. Dit is de stem die onder de zelfverzekerdheid, routine en jovialiteit zit. Een kleine stem, die alles spannend vindt.
Ik ben aangekomen in Bangkok. Ik had me niet gerealiseerd dat tussen de wolkenkrabbers het leven gewoon plaatsvindt. Ik stelde me zo voor dat tussen de wolkenkrabbers alles een soort van klinisch was. Marmer, asfalt, mannen in pakken, prullenbakken. Zoals op Wall Street, ik denk aan het item van Wonder Showzen, waarin een kind witte mannen van middelbare leeftijd vragen als ‘When the revolution comes, where will you hide?’ stelde. Wat ik me niet had voorgesteld, is dat er tussen de enorme gebouwen plaats is voor kleinere gebouwen, en tussen die gebouwen voor nog kleinere gebouwen, en dat daartussen ruimte is voor bomen, katten, muziek, wasrekken, sleutelen aan auto’s. Terrasjes met plastic stoelen, markten en huizen. Bbq’s. Oneindige meters elektriciteitskabels. Spelletjes, bekenden groeten, gekko’s, een kind op een step.
Op het vliegveld van Bangkok wachten we op onze koffers. Een gele en een mintgroene. We staan achter drie keurig geklede mensen die het zicht blokkeren op de lopende band die de bagage van onderaf naar de roterende bagageband brengt. Ze staan er strak tegenaan, alsof ze geen tijd te verliezen hebben, hun bagage onmiddelijk moeten pakken en dan rennen naar een belangrijke afspraak.
‘Wie het laatst een van onze koffers ziet is een loser,’ wil ik tegen Lola zeggen, maar voor het mijn mond uitkomt wijst ze naar de gele koffer die omhoog komt. Ik zie hem tussen de keurig geklede mensen langspiepen.
We lopen naar de zijkant van de band om de koffer te pakken, ook de mintgroene ligt inmiddels op de band. Als ik nog eens naar de keurig geklede mensen kijk, zie ik dat ze in dienst van het vliegveld zijn. De midddelste van de drie draagt een zwart stootkussen aan een stok, die hij selectief inzet om al te zware of fragiele koffers die van de lopende band geworpen worden een zachte landing te geven.
We hadden ons met onze bagage ingebouwd op een vierzitsplek en er kwam een man met een enorme aluminium koffer bij ons zitten. Hij droeg zijn haar strak in een bewegingsloos naar achter gekamd model en rook naar after shave.
De man was aan het bellen. Zijn gesprekspartner stond zachtjes op de speaker, voor ons nauwelijks te verstaan. Als de man sprak hield hij de telefoon horizontaal voor zijn mond, als hij even luisterde bracht hij de telefoon naar zijn oor.
De man sprak luid en in het Engels. Hij had het over sales, over turnovers, over wat de customers niet weten, over tachtig procent en vierenveertig procent, over pushing trough.
Lola en ik konden elkaar niet verstaan als de man sprak. Even dacht ik dat de man zijn gesprek snel zou afronden, het bestond in mijn hoofd niet dat iemand zo ongegeneerd luid zat te vergaderen. Tot aan station Assen zocht ik geduldig naar de momenten waarop de man stil was en naar zijn gesprekspartner luisterde als ik Lola wat wilde vertellen, maar toen we Assen voorbij waren wist ik: dit gaat nog wel even duren.
Ik zat schuin tegenover de man en probeerde oogcontact te maken. Onmogelijk. Hij bleef maar recht voor zich uitkijken terwijl hij doorratelde over pipelines en closing deals. Het had iets mechanisch, onmenselijk haast, het functioneren van de man.
De mensen in het zitje naast ons keken fronsend naar de man. Een breidende vrouw moest een beetje lachen.
Ik probeerde met een handgebaar de aandacht van de man te trekken. Zonder succes. Even overwoog ik om hem te vragen zijn gesprek te beëindigen, maar ik had het gevoel dat de man zijn vergadering hier veel te belangrijk voor vond, en bovendien was het gedrag van de vergaderende man zo merkwaardig dat hij me een beetje intimideerde.
De kans bestond dat de man nog 1,5 uur naast ons zou zitten bellen, en ik weet niet goed hoe het ontstond, maar ineens haalden Lola en ik het beste uit de kast om de vergadering te verstoren: omgevingsgeluid produceren.
We begonnen educatief.
‘Ik wil het even hebben over womens rights,’ zei Lola.
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik wil het graag hebben over trans rights.’
Lola en ik sneden beurtelings relevante thema’s aan.
Ik keek met een schuin oog naar de man. Hij zette vergadering voort, nog steeds met zijn blik strak naar voren gericht. Mogelijk kreeg niet mee wat er gebeurde, maar waarschijnlijk wilde hij zich onverstoorbaar tonen.
Freedom of movement. Abortion. Non-monogamy. Niets stoorde de man zichtbaar.
‘Zullen we het nog even hebben over de seks die we gisteren hebben gehad?’ vroeg Lola.
‘Je bedoelt de gay seks?‘ vroeg ik.
Ik keek naar de man. Leek zijn gezichtsuitdrukking nou iets veranderd?
‘Kinks,’ zei ik.
‘Ik heb een nieuwe cuck chair,’ zei Lola.
‘Ropes,’ zei ik.
‘Whips,’ zei Lola.
De man haalde zijn telefoon bij zijn gezicht weg en keek naar het scherm. Had hij opgehangen?
‘Swingers.’
‘Edging.’
De man keek weer strak voor zich uit en stak zijn telefoon in zijn broekzak.
‘Vulva.
‘Clitoris.
Make a woman come.
Zonder zijn blik van de eeuwigheid af te halen schoof de man het handvat van zijn koffer uit, stond op, liep richting het balkon.
Afgelopen zomer besloot ik vaker ja te zeggen. Ja op voorstellen waarvan ik niet zeker wist of ze bij me pasten, tegen zaken waarvan ik dacht dat ik ze niet verdiende, tegen alles waar ik eigenlijk te bang voor was.
Twee dagen na mijn beslissing vroeg Lola me of ik met haar naar Jordanië wilde.
‘Ja,’ zei ik met een bijna geloofwaardig soort niet gehinderd zijn door angst. ‘Doen we.’
Lola wist niet van mijn beslissing vaker ja te zeggen en wel van mijn gebrek aan motivatie al te ver voorbij Zwolle te reizen, dus wat haar dreef me deze vraag te stellen, soms ga je haast in een sturend universum geloven.
‘Oei,’ zei iedereen aan wie ik vertelde dat ik naar Jordanië ging. ‘Spannend hoor.’
Ik haalde dan mijn schouders op en probeerde iets uit te leggen waar ik eigenlijk geen verstand van had.
Ik vond alles prachtig, overweldigd worden door hoe groot Petra is, overnachten in Wadi Rum, door de oude Romeinse stad Jerash lopen, maar sinds mijn bezoek aan Jordanië denk ik vooral bijna elke week aan Amman. Het was niets in het bijzonder, maar op een dakterras zitten, wat drinken, de heuvels van de stad overzien, de oproep tot gebed over de stad horen klinken, weten dat ik ook met heimwee of een slecht humeur me na een wandeling buiten snel beter zou voelen door de kleine gesprekjes die iedereen met me voerde, ook daadwerkelijk naar buiten gaan omdat ik niet gehinderd werd door kou. Door downtown Amman lopen, fruit halen, hoe druk het er was, hoe lekker het er rook, soms elke paar meter weer anders, hoe veilig ik me er voelde. Alles.
Laatst vroeg Lola me of ik mee wilde naar Thailand, waar ze gewoond heeft.
‘Ja,’ zei ik weer.
‘Ga je dan ook mee naar het bokskamp?’
Ik heb in mijn leven nog geen bokshandschoen aangeraakt, maar de politieke tijden vragen er steeds meer om een harde klap uit te kunnen delen. Ook als dat niet zo zou zijn, had ik ja gezegd.
Afgelopen week pakte ik de tas in die ik speciaal voor Jordanië had gekocht en ik bleef Amman maar voor me zien. Wat moet ik in Thailand, dacht ik. Kunnen we niet gewoon elke keer naar Jordanië, zoals sommige mensen elk jaar naar dezelfde camping in de Vogezen gaan.
En ondertussen zag ik steeds het nieuws, elke dag meer afschuwelijks. Ik haat het woord nieuws, het heeft iets vervreemdends, alsof alles wat er buiten mijn directe bereik gebeurt een voorstelling betreft en ik ben de toeschouwer, en misschien is dat niet ver van de waarheid, is de wereldpolitiek nog steeds veel te veel een ondertussen voor me. Ik heb er decennia over gedaan mijn jeugd achter me te laten en ver op vakantie te durven. Ik ga op vakantie, mensen worden vermoord. Samenlevingen worde systemathisch uitgeroeid, vakantiegangers vliegen er met een boogje omheen.
Voor Shortreads schreef ik Je hebt alles.
Ik ga iets doen waarvan ik zou moeten weten dat het niet werkt, ik heb namelijk bepaald dat ik vanaf april gewoon weer meedoe aan het normale leven, dat ik niet meer overbelast ben. Misschien moet ik af en toe nog rustig aandoen, maar ik ben er klaar mee mezelf te preserveren. Het afgelopen halfjaar heb ik nauwelijks gedronken, ik heb mijn veertigste verjaardag niet gevierd en ben op oudejaarsdag op tijd naar bed gegaan. Alles voor rust en herstel, maar ik wil de kroeg weer eens in.
Mijn graslelie heeft ongelooflijk veel kinderen. Ik denk erover hem te verpotten, misschien wordt hij dan enorm. Herinner jij je nog dat ik je jaren geleden vertelde dat ik alle planten dood had laten gaan doordat ik maandenlang niet in mijn woonkamer durfde te komen? Het voelde lang als iets dat aan me kleefde, alles laten sterven. Nu denk ik: planten in potten houden is überhaupt bespottelijk, het is niet mijn fout dat dat een keer misgaat, maar misschien moeten we als samenleving besluiten dat we planten in potten geen wenselijke situatie vinden,
Ik denk vaak aan de eenzaamheid van potplanten, die vaak geen andere planten hebben om via de wortels mee te communiceren, maar dat is allemaal invulling, ik heb er geen verstand van. Ik probeer veel kwesties los te laten zolang ik niet de energie heb me er echt in te verdiepen, maar de graslelie die het zo goed doet staat met een andere grassoort in de pot, ik denk dat dat iets zegt. Soms stel ik me voor dat ze samen over me praten.
Liefs,
J
1.
Ik had het met mijn broer over een vakantie uit onze jeugd. ‘Daar heb ik goede herinneringen aan,’ zei ik. ‘Ik niet,’ zei mijn broer. ‘Behalve dan dat we samen op een scooter reden.’ Ik wilde hem vertellen over de leuke dingen die we hadden meegemaakt, maar toen ik terugdacht aan ons bezoek aan de Italiaanse kust stuitte ik op een dichte mist.
2.
Het vage gevoel van verdriet dat je kan hebben over alle relatief onbelangrijke dingen je niet beleefd hebt, omdat je maar één leven gekregen hebt. Niet de rouw die komt bij het niet meemaken van grote dingen die je had moeten meemaken, maar bijvoorbeeld het gemis van op je negentiende niet in een tapasrestaurant gewerkt hebben, het gemis van de muziek die je dan nu had gekend.
3.
Ik weet niet wat er precies veranderd is, maar tot voor kort voelden bepaalde periodes in mijn leven alsof ze door een ander persoon waren meegemaakt, tegenwoordig voelen alle herinneringen van mij. Er is tot nu toe tamelijk wat vreselijks gebeurd, tamelijk wat moois, alles bij elkaar genomen is het veel, een rijkdom.
Afgelopen week was ik ziek, en ik kan je tevreden melden dat ik me ziek heb gemeld. Na een dag vol onrustige dutjes in bed was ik genoeg opgeknapt om weer aan het werk te gaan. Ik weet dat het niet altijd zo werkt met ziekte, ziekte duurt soms langer, soms gaat het helemaal niet voorbij.
Afgelopen zomer werkte ik gedurende de bouwvak twee weken lang bijna elke dag, en ook nog eens veel dubbele diensten. Ik was betrokken bij een aantal groepen met bewoners met, zoals dat in de gehandicaptenzorg vaak genoemd wordt, moeilijk verstaanbaar gedrag. Regelmatig vind ik dat gedrag uitstekend verstaanbaar. In de zomervakantie zeiden veel mensen die afhankelijk zijn van de zorg zonder daar woorden aan te geven bijvoorbeeld: geef me mijn vertrouwde begeleiders, de invallers die hier nu zijn snappen er niets van. En: ik snap er zelf ook niets meer van. En: ik ben bang.
Op de eerste dag van die twee doorbuffelweken werd ik ziek. Flink ook. De redenen dat ik in die weken überhaupt zo absurd veel werkte op deze groepen is dat ze het rooster buiten de zomervakantie al nauwelijks rond kregen, dat ik voor een aantal mensen die veel ondersteuning nodig hadden misschien niet een vertrouwde begeleider was, maar wel een bekende, en dat ik vind dat ik als zzp’er met veel zeggenschap over mijn eigen rooster een verantwoordelijkheid heb naar de plekken waar ik kom, de verantwoordelijkheid om niet alleen de fijne diensten te werken, maar er ook te staan als de nood het hoogst is.
Dus ik belde om te zeggen dat ik een halfuur later zou zijn, stopte mezelf vol pijnstillers, douchte extra lang en kocht bij de supermarkt alles waarvan ik ook maar het vermoeden had dat ik het zou willen eten die dag. Ik stapte binnen in een puinhoop. Een bewoner was zo in de war dat hij mijn collega had geslagen, zijn kleren uit had getrokken en op de grond had geplast. De collega durfde hem niet meer te helpen. ‘Ik had het je niet vergeven als je je ziek had gemeld,’ was het eerste dat ze zei. Ik hielp de bewoner, die uiteindelijk best een prima dag had, dronk veel koffie en keek de collega de rest van de dienst niet meer aan.
Ik ben ernstig overbelast geraakt, niet per se tijdens die twee weken. Ik heb je nooit echt verteld hoe diep die overbelasting in mijn bestaan sneed, want ik wilde niet dat je je zorgen maakte terwijl ik overtuigd was van mijn spoedig herstel. In het afgelopen halfjaar heb ik mezelf ontslagen van elke verantwoordelijkheid behalve rusten, herstellen en mijn plezier terugvinden. Ik geloof dat het precies de goede aanpak was om uit mijn situatie te komen. Het was tegelijkertijd een absurde keuze, rusten terwijl de toestand van de wereld om steeds meer strijd vraagt, plezier maken terwijl volkeren uitgeroeid worden, op reis gaan terwijl er zo veel migranten vermoord worden.
Ik kan me niet herinneren dat jij een van onze afspraken ooit hebt afgezegd wegens zieke, en ik heb je er nooit op kunnen betrappen dat je beter thuis had kunnen blijven. Ik kan me voorstellen dat je goed in contact staat met wat je nodig hebt, maar er niet altijd even goed naar luistert.
De wereld heeft altijd meer van je nodig dan je kan geven en ik geloof niet dat je in therapie kan leren hoe je daarmee omgaat. Het is prachtig dat ik heb geleerd mijn grenzen beter te herkennen, maar het is bespottelijk om in deze samenleving het bewaken van de innerlijke vrede tot je voornaamste doel hebben.
Ik heb een lijf dat aangeeft dat het ziek is, een lijf dat herstelt. Dat is een groot goed. Volgens mij ben ik klaar met rusten. Ik voel me losgezongen van van alles wat belangrijk voor me is, en ik moet weer meer gaan leven. Hoe weet je dat je dat aankan, en hoe ziet dat aan kunnen eruit? Het zou me erg helpen je goedkeuring te krijgen.
Liefs,
J
Er is plek, precies in de Randstedelijke woongroep waar ik wil wonen.
‘Kom,’ klonk het van binnenuit.
Gisteren keek ik toevallig nog naar of er in de buurt van mijn gedroomde woonplek genoeg werk voor me is. Meer dan. Vorige maand keek ik nog naar hoe lang het rijden naar broer zou zijn. Best ver, maar te doen. Vorig jaar keek ik nog naar of ik naar het strand zou kunnen rennen. Na veel trainen, mits mijn achillespees herstelt.
Het strand.
Ik weet niet wie me de stem van de rede ingeblazen heeft, maar ik las de advertentie en dacht: ik blijf nog even waar ik ben. Ik ben net opgekrabbeld uit de overbelasting en wil nog aansterken. Ik moet in de aangeboden woonruimte meer delen dan waar ik comfortabel mee ben. Ik wil nog een beetje sparen.
En misschien was het de stem van de rede niet, zegt de stem van de rede ‘wie naar de Randstad wil verhuizen grijpt alles aan.’ In dat geval is heeft zich een concessieloosheid van me meester gemaakt, daar ben ik dankbaar voor, dat gaat me nog ver brengen, ik blijf nog even zitten waar ik zit.
Iedereen praatte over elkaar.
Normaal gesproken gooi ik het er meteen uit, bijvoorbeeld ’s avonds aan tafel na mijn eerste invaldienst op een groep, als alle bewoners op bed liggen en de begeleiders in plaats van de dag na te bespreken, het hebben over de collega’s die er niet bij zijn. Het helpt me de stemming nog iets beter te peilen, het helpt soms om het gesprek een andere richting op te duwen. Een keer richtte iedereen die aan tafel zat hun blik meteen van hun telefoons recht naar mij, strak, zonder verder te reageren op wat ik zei. Ik kan een hoop hebben en ik ben ook niet roomser dan de paus, maar ik wist: hier kom ik niet terug.
Op een plek waar ik nu werk heb ik langer gewacht. Er speelt van alles, zoals eigenlijk overal, maar hier is het een van de redenen dat ik er ben. Toen ik gisteren in een klaaggesprek met twee bloedeerlijke collega’s belandde leek het me tijd.
‘Ik ben benieuwd naar wat jullie over mij zeggen als ik er niet bij ben,’ zei ik.
‘Niets ergs,’ zei een collega met glinsterde knopoorbel, die ik mag omdat hij het vaak heeft over zijn liefde voor dieren, en zo’n kalm aura heeft dat de bewoners bijna zonder uitzondering rustig zijn als hij in de buurt is.
‘Nee,’ zei een collega met gebloemd colbert.
‘Dacht ik al,’ zei ik.
De collega met het gebloemde colbert begon te lachen.
‘Wacht,’ zei ze.
Ze pakte haar tas, haalde er eerst een pak sigaretten uit, toen een haarborstel, daarna haar telefoon. Ze hield haar telefoon op naar de collega met de glinsterende knopoorbel. Hij schudde zachtjes zijn hoofd, maar begon ook te lachen.
Het gebloemde colbert opende haar telefoon en begon voor te lezen.
“Is die Jirke een beetje te doen?”
De knopoorbel verborg zijn hoofd demonstratief in zijn handen.
‘Deze vraag stuurde ik Knopoorbel vorige week, voor ik met jou ging werken,’ zei Colbert. ‘Nu komt zijn antwoord.’
Ik zette met mijn wijsvinger mijn bril, die wat van mijn neus gegleden was weer omhoog. Alsof ik zelf meelas.
“Een woke safe-the-world-potje. Prima mee te werken.”
Een seconde zocht ik naar iets om me over op te winden, maar het was niet ver van de waarheid, ik mag Knopoorbel wel, ik heb in mijn leven slechtere recensies gehad.
In sommige dagen raak je snel verdwaald, en als je verdwaald raakt in de dag raak je al gauw de weg kwijt in je hoofd, al is het vaak ook andersom.
Vandaag was zijn huisgenoot in de war en dat vond hij moeilijk. Al voordat ik zag dat het niet goed ging met zijn huisgenoot, had hij het door. Dat liet hij merken door te proberen zijn huisgenoot slaan, want hij is een man van weinig woorden.
Toen zijn huisgenoot steeds wat luider in de war raakte, raakte hij steeds wat meer verdwaald. Hij liet zich op de grond vallen, schreeuwde, sloeg me, beet zichzelf. Als ik zei ‘kom’ en mijn hand uitstak, krabde hij me. Trok zich aan zijn haren. Waarna hij opstond en naar zijn kamer ging, daar zijn frustraties er luidkeels uitgooide en terugkwam om aan tafel zijn auto’s te stapelen. Tot dat hem door alles wat er om hem heen gebeurde niet meer lukte en hij zich weer op de grond liet vallen.
Vanavond gingen we wandelen.
‘Kom,’ zei ik.
‘Nee,’ riep hij toen hij zijn jas zag, en rende meteen naar zijn kamer.
Ik wachtte op hem op op de gang. Drie keer stak hij zijn hoofd om het hoekje, zag me staan en ging zijn kamer weer in.
De vierde keer liep hij stampvoetend op me af, hief toen hij voor me stond even zijn hand op, fronste en liet me toen helpen zijn dikke blauwe jas aan te trekken.
Buiten was het koud. De wind blies zijn haren recht omhoog.
Hij stond stil en keek naar de lucht. Het schemerde en het was bewolkt.
‘Gevallen,’ zei hij.
Ik zei niets.
‘Ballon,’ zei hij.
We liepen door.
‘Groot,’ zei hij.
‘Ja,’ zei ik.
Toen hield hij stil en keek weer naar boven.
‘Gevallen,’ zei hij. ‘Ballon.’
Ik keek ook omhoog.
Zo stonden we even samen, met onze hoofden achterover. Er was niemand anders op straat. De lucht was donker van de wolken.
‘O,’ zei ik. ‘Is de maan weg?’
‘Ja,’ zei hij, en lachte.
Hij pakte mijn hand en liep door. ‘Gevallen.’