Categorie: Zorg

  • Ik las in mijn rapportage van gisteren dat ik een bewoner per ongeluk Elvis had genoemd. Zijn naam lijkt er nauwelijks op.

  • Iedereen praatte over elkaar.

    Normaal gesproken gooi ik het er meteen uit, bijvoorbeeld ’s avonds aan tafel na mijn eerste invaldienst op een groep, als alle bewoners op bed liggen en de begeleiders in plaats van de dag na te bespreken, het hebben over de collega’s die er niet bij zijn. Het helpt me de stemming nog iets beter te peilen, het helpt soms om het gesprek een andere richting op te duwen. Een keer richtte iedereen die aan tafel zat hun blik meteen van hun telefoons recht naar mij, strak, zonder verder te reageren op wat ik zei. Ik kan een hoop hebben en ik ben ook niet roomser dan de paus, maar ik wist: hier kom ik niet terug.

    Op een plek waar ik nu werk heb ik langer gewacht. Er speelt van alles, zoals eigenlijk overal, maar hier is het een van de redenen dat ik er ben. Toen ik gisteren in een klaaggesprek met twee bloedeerlijke collega’s belandde leek het me tijd.
    ‘Ik ben benieuwd naar wat jullie over mij zeggen als ik er niet bij ben,’ zei ik.
    ‘Niets ergs,’ zei een collega met glinsterde knopoorbel, die ik mag omdat hij het vaak heeft over zijn liefde voor dieren, en zo’n kalm aura heeft dat de bewoners bijna zonder uitzondering rustig zijn als hij in de buurt is.
    ‘Nee,’ zei een collega met gebloemd colbert.
    ‘Dacht ik al,’ zei ik.

    De collega met het gebloemde colbert begon te lachen.
    ‘Wacht,’ zei ze.
    Ze pakte haar tas, haalde er eerst een pak sigaretten uit, toen een haarborstel, daarna haar telefoon. Ze hield haar telefoon op naar de collega met de glinsterende knopoorbel. Hij schudde zachtjes zijn hoofd, maar begon ook te lachen.

    Het gebloemde colbert opende haar telefoon en begon voor te lezen.
    “Is die Jirke een beetje te doen?”
    De knopoorbel verborg zijn hoofd demonstratief in zijn handen.
    ‘Deze vraag stuurde ik Knopoorbel vorige week, voor ik met jou ging werken,’ zei Colbert. ‘Nu komt zijn antwoord.’
    Ik zette met mijn wijsvinger mijn bril, die wat van mijn neus gegleden was weer omhoog. Alsof ik zelf meelas.
    “Een woke safe-the-world-potje. Prima mee te werken.”

    Een seconde zocht ik naar iets om me over op te winden, maar het was niet ver van de waarheid, ik mag Knopoorbel wel, ik heb in mijn leven slechtere recensies gehad.

  • In sommige dagen raak je snel verdwaald, en als je verdwaald raakt in de dag raak je al gauw de weg kwijt in je hoofd, al is het vaak ook andersom.

    Vandaag was zijn huisgenoot in de war en dat vond hij moeilijk. Al voordat ik zag dat het niet goed ging met zijn huisgenoot, had hij het door. Dat liet hij merken door te proberen zijn huisgenoot slaan, want hij is een man van weinig woorden.

    Toen zijn huisgenoot steeds wat luider in de war raakte, raakte hij steeds wat meer verdwaald. Hij liet zich op de grond vallen, schreeuwde, sloeg me, beet zichzelf. Als ik zei ‘kom’ en mijn hand uitstak, krabde hij me. Trok zich aan zijn haren. Waarna hij opstond en naar zijn kamer ging, daar zijn frustraties er luidkeels uitgooide en terugkwam om aan tafel zijn auto’s te stapelen. Tot dat hem door alles wat er om hem heen gebeurde niet meer lukte en hij zich weer op de grond liet vallen.

    Vanavond gingen we wandelen.
    ‘Kom,’ zei ik.
    ‘Nee,’ riep hij toen hij zijn jas zag, en rende meteen naar zijn kamer.
    Ik wachtte op hem op op de gang. Drie keer stak hij zijn hoofd om het hoekje, zag me staan en ging zijn kamer weer in.
    De vierde keer liep hij stampvoetend op me af, hief toen hij voor me stond even zijn hand op, fronste en liet me toen helpen zijn dikke blauwe jas aan te trekken.

    Buiten was het koud. De wind blies zijn haren recht omhoog.
    Hij stond stil en keek naar de lucht. Het schemerde en het was bewolkt.
    ‘Gevallen,’ zei hij.
    Ik zei niets.
    ‘Ballon,’ zei hij.

    We liepen door.
    ‘Groot,’ zei hij.
    ‘Ja,’ zei ik.

    Toen hield hij stil en keek weer naar boven.
    ‘Gevallen,’ zei hij. ‘Ballon.’
    Ik keek ook omhoog.
    Zo stonden we even samen, met onze hoofden achterover. Er was niemand anders op straat. De lucht was donker van de wolken.
    ‘O,’ zei ik. ‘Is de maan weg?’
    ‘Ja,’ zei hij, en lachte.
    Hij pakte mijn hand en liep door. ‘Gevallen.’