In sommige dagen raak je snel verdwaald, en als je verdwaald raakt in de dag raak je al gauw de weg kwijt in je hoofd, al is het vaak ook andersom.
Vandaag was zijn huisgenoot in de war en dat vond hij moeilijk. Al voordat ik zag dat het niet goed ging met zijn huisgenoot, had hij het door. Dat liet hij merken door te proberen zijn huisgenoot slaan, want hij is een man van weinig woorden.
Toen zijn huisgenoot steeds wat luider in de war raakte, raakte hij steeds wat meer verdwaald. Hij liet zich op de grond vallen, schreeuwde, sloeg me, beet zichzelf. Als ik zei ‘kom’ en mijn hand uitstak, krabde hij me. Trok zich aan zijn haren. Waarna hij opstond en naar zijn kamer ging, daar zijn frustraties er luidkeels uitgooide en terugkwam om aan tafel zijn auto’s te stapelen. Tot dat hem door alles wat er om hem heen gebeurde niet meer lukte en hij zich weer op de grond liet vallen.
Vanavond gingen we wandelen.
‘Kom,’ zei ik.
‘Nee,’ riep hij toen hij zijn jas zag, en rende meteen naar zijn kamer.
Ik wachtte op hem op op de gang. Drie keer stak hij zijn hoofd om het hoekje, zag me staan en ging zijn kamer weer in.
De vierde keer liep hij stampvoetend op me af, hief toen hij voor me stond even zijn hand op, fronste en liet me toen helpen zijn dikke blauwe jas aan te trekken.
Buiten was het koud. De wind blies zijn haren recht omhoog.
Hij stond stil en keek naar de lucht. Het schemerde en het was bewolkt.
‘Gevallen,’ zei hij.
Ik zei niets.
‘Ballon,’ zei hij.
We liepen door.
‘Groot,’ zei hij.
‘Ja,’ zei ik.
Toen hield hij stil en keek weer naar boven.
‘Gevallen,’ zei hij. ‘Ballon.’
Ik keek ook omhoog.
Zo stonden we even samen, met onze hoofden achterover. Er was niemand anders op straat. De lucht was donker van de wolken.
‘O,’ zei ik. ‘Is de maan weg?’
‘Ja,’ zei hij, en lachte.
Hij pakte mijn hand en liep door. ‘Gevallen.’
Geef een reactie