Skip to content

Weg

Written by

Jirke

Gisteren wandelde ik. Buiten was alles kaal en grijs en de wind sneed. Samen met Oscar maakte ik een tocht over een lang vlonderpad over klotsend ijskoud water.

Het pad was breed genoeg om over te wandelen, maar de kou maakte het spannend. Ik deed mijn best om precies in het midden te blijven lopen. In het midden kon ik me een misstap permitteren. Wanneer ik een stap dichter bij de rand zou lopen zou ik in het water vallen als ik een verkeerde beweging maakte. 

In het midden lopen ging het gemakkelijkst als ik in de verte keek, alsof ik over een catwalk liep. Ik was mijn handschoenen vergeten en hield mijn armen stijf in mijn zakken. Oscar liep achter me.

Op een groot deel van het pad lag ganzenpoep. De poep was glad, daarom was het belangrijk ook veel naar beneden te kijken. Als ik te lang omlaag keek, begonnen de lijnen van de geribbelde vlonderplanken voor mijn ogen te dansen. 

Ik was me bewust van elke beweging die ik maakte.

Wat een mooie tocht, dacht ik. Ik dacht ook aan veel mooiere dingen die ik mee had gemaakt, en hoe weinig ik daar aan had gevonden.

In de verte zag ik een enorme zwerm spreeuwen.
‘Kijk!’ riep ik naar Oscar.
Oscar mopperde. Hij was moe en had last van zijn rug. 

Ik wilde naar de spreeuwen blijven kijken, maar dat ging niet zonder per ongeluk steeds van het midden van het pad af te wijken. 

Toen ik vroeger lange tijd in bed lag droomde ik van dingen meemaken. Ik zag vanonder mijn deken op mijn telefoons iedereens foto’s van feesten en vakanties, glitter, lachen, zon, goede huiden, festivals, boekpresentaties, vliegtuigen. Dat wil ik ook, dacht ik.  Dat wil ik allemaal.

Deze week heb ik vakantie en de kans is groot dat ik weinig beleef. Ik wil mijn huis opruimen en ga bij mensen op visite. Ik heb de tijd om Vasco extra vaak te aaien. Misschien ga ik nog even weg, maar er is covid en een onverwachte brief van de Belastingdienst.

Toen Oscar en ik weer bijna bij de parkeerplaats waren, zag ik koeien.
‘Hallo!’ riep ik. ‘Wat zijn jullie mooi!’
De wind stond mijn kant op, maar de koeien hoorden me, want ik riep flink hard. Een van de koeien maakte een klein sprongetje en kwam mijn kant opgelopen. Ik schrok en deed een paar stappen naar achteren. Er stond geen hek tussen ons.
‘Sorry dat ik nu wegloop!’ riep ik. ‘Ik was van je geschrokken, maar dat ligt niet aan jou. Dat ligt aan mijn angst!’ 
De koe trok zich niets aan van wat ik zei, liep nog een stuk mijn kant op en keek me na tot ik met Oscar in de auto was gestapt en wegreed.

Previous article

Een lezer

Next article

De geiten gedag zeggen

Join the discussion

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.