Skip to content

Gebeden

Er ligt een periode tussen het moment dat ik voor het eerst met een vet zwart potlood dikke lijnen over mijn oogleden trok en het moment waarop ik al mijn afspraken af begon te zeggen. Of misschien begon die periode op het moment dat ik heel hard piemel over het schoolplein riep en ik ontdekte wat de sociale normen op dat gebied waren doordat ik van een vriendinnetje hoorde wat haar moeder ervan vond en eindigde die periode op het moment dat ik alleen nog maar eerlijk kon antwoorden als iemand vroeg naar hoe het met me ging. Er is zoveel gebeurd, ik kan de rest van mijn leven wekelijks opnieuw schrikken van hoe alles is gelopen, er is zoveel gebeurd en de laatste dagen vraag ik me af hoe vaak het is voorgekomen dat iemand stiekem voor me gebeden heeft.

Nieuw mens

Dit is een nieuw mens. Hetzelfde lichaam, hetzelfde brein, dezelfde herinneringen.

Dit is een nieuw mens, een mens therapie dat heeft gehad, heropgevoed is, andere inzichten heeft opgedaan. Het bewijs van neuroplasticiteit.

Ik heb geleerd om anders te leven. Om het gesprek met mezelf aan te gaan. Om het anders te doen dan ik eerder deed. Hoewel het niet altijd lukte, was ik er radicaal in: geen rommel in huis, elke dag om tien uur naar bed, om zeven uur opstaan, regelmatig hardlopen, ook voor vrije dagen een planning maken, inclusief pauzes.

Het hielp.

Ik hield afstand van wie ik eerder was, van de vorm die ik lange tijd aan had genomen. Ik sliep niet meer uit, nog geen kwartier, omdat ik bang was dat dat ervoor zou zorgen dat ik voorgoed niet meer op zou willen staan. Met het loslaten van de oude vorm vond ik de inhoud langzaam terug.

Later ontdekte ik loslaten. De stem van mijn psycholoog echoot nog steeds in mijn hoofd, misschien draag ik haar voorgoed bij me. Mild zijn, zegt ze. Wees mild. Zo kan het dat ik tegenwoordig soms tot acht uur in bed lig. Een enkele keer tot half negen. Sommigen lachen erom, op uitslaapgebied ben ik nogal braaf, maar het voelt als een grote stap richting het leven leiden zoals ik dat wil.

Er is veel gebeurd en ik heb er niet over geschreven. Omdat je sommige dingen niet goed kan doormaken met een pen in de hand. Omdat ik heb geleerd om op een stoel te zitten en te voelen. Een naam te geven aan een emotie en te benoemen waar de emotie zich bevindt. Een zwaar gevoel in mijn buik, een drukken op mijn keel, kriebels op mijn onderarmen. Ik moest aanwezig zijn, geen afstand nemen van mezelf, geen verhaal maken van wat ik meemaak. Denken: dit is geen verhaal, dit is het leven. Denken: ik schaam me hiervoor. Denken: dit mag niemand ooit van me weten.

Een tijd lang dacht ik dat ik nooit meer zou kunnen schrijven, omdat ik niets meer mee zou maken. Dat ik gelukkig zou worden in een radicaal saai leven waarin ik niets gebeurde. Een leven waarin niets meer te beschrijven valt. Daarna dacht ik dat ik nooit meer zou kunnen schrijven, omdat de medicatie dat verhinderde. Me afvlakte. Nu denk ik dat ik bang ben om te schrijven, omdat ik geen wig meer tussen mezelf wil drijven. Bang ben voor wat er gebeurt als ik afstand neem van wat ik meemaak.

Met uitslapen is het ook gelukt.

Gisteren viel ik in slaap met een belangrijke boodschap voor de wereld, iets waarvan ik dacht dat ik het op mijn blog moest zetten, zodat iedereen er kennis van kon nemen. Ik schreef de boodschap niet in een boekje dat op mijn nachtkastje ligt, maar bleek hem toen ik wakker werd op miraculeuze wijze onthouden te hebben. Het gevoel dat deze boodschap (er is geen glijmiddel dat de geur van een bacteriƫle vaginose kan maskeren) relevant genoeg is om online te delen was verdwenen, maar het idee dat het schrijven van een stukje niet het einde van een prettig bestaan betekent bevalt me.