Jirke

Pagina’s
Archief
Reacties
  1. Ha, wat tof dat je de moeite neemt om dat te laten weten

  2. Bij toeval kwam ik er vandaag achter dat je weer schrijft. Ik heb gelijk met veel plezier alle stukjes achter…

  • Donker

    In de donkere maanden ben in mijn eentje verantwoordelijk voor minstens tien procent van de bezoeken aan zonoponder.nl.

    Vanaf ergens halverwege november tel ik de dagen af tot aan de kortste dag, tot aan dat de dagen weer lengen. Vanaf dan blijft het ’s middags steeds wat langer licht, al komt de zon in de eerste dagen na de kortste dag nog steeds wat later op. Ik kijk uit naar alle mijlpalen; het moment waarop de ochtenden steeds wat eerder licht beginnen te worden, het moment waarop de zon pas om vijf uur ondergaat (morgen!), de dag waarop de zon al om acht uur op is.

    Ik heb last van winterdepressies, ik krijg daar lichttherapie voor. Dat helpt aardig, maar neemt niet alles weg.

    Het fijnst aan winterdepressies is dat ze eindig zijn. En als je ze maar vaak genoeg meemaakt: voorspelbaar. Bij mij begint er in september een kleine somberte te sluimeren, in december is het zwaar en ergens in maart krijg ik een klap die me op de een of andere manier altijd overvalt.

    ’t Het nog nooit, nog nooit zo donker west, of t wer altied wel weer licht. Nog twee maanden tot aan de klap.

    En ik wil niet somber doen, ik geloof niet dat ik me momenteel bijzonder terneergeslagen voel, maar na de klap is de wereld er weer, of eigenlijk is de wereld er altijd, en ik kan aftellen wat ik wil, maar misschien heb ik me vergist toen ik dacht dat donkere dagen te maken hadden met de hoeveelheid lichturen, laat de duur van de echte donkerte zich niet voorspellen, is het donker niet iets om lijdzaam uit te zitten, maar iets om je verantwoordelijk voor en onderdeel van te voelen, iets om strijdbaar tegen te gaan.

  • Overgestapt

    Vandaag ging ik naar de oma die ik nauwelijks zie om redenen waar we niet over praten.

    ‘Och, moi!’ riep oma verbaasd toen ik binnenstapte. ‘Kind, wat doe jij hier?’
    ‘Ik had zin in een kopje koffie,’ zei ik.

    Oma zette koffie voor mij, thee voor zichzelf. Ze bewoog trager dan de laatste keer dat we elkaar zagen, liep iets meer voorovergebogen.

    Oma haar papegaai was dood. Al een halfjaar. Ik werkte inmiddels voor andere opdrachtgevers. Oma had in een huisje op de Veluwe gezeten. Ik reed nog steeds in mijn gele auto. Oma had een spuit in haar oog gemoeten en dat was haar erg meegevallen. Ik was naar Jordanië en Marokko geweest.
    ‘Dat je dat durft,’ zei oma. ‘Zo ver weg.’
    Als ik antwoordde zette oma haar linkerhand om haar oor, om me beter te verstaan.

    ‘Heb je al weer een vriend?’ vroeg oma.
    ‘Ik heb geen mannen meer in mijn leven,’ zei ik.
    Oma keek me aan en nam een slok van haar thee.
    ‘Ik ben overgestapt,’ zei ik.
    ‘Oh,’ zei oma.
    ‘Leek me beter.’
    ‘Oké,’ zei oma. ‘En de kat, is daar ook nog steeds alles goed mee?

  • Slaap

    Er bestaan beelden van mij waarop ik in slaap gevallen ben boven The Ethical Slut, voorovergebogen, mond wijd open, een plasje kwijl op het boek. Ik heb er nog geen exacte analyse op losgelaten, maar ik het idee dat daar iets relevants gebeurde.

  • Op de bank

    Op dagen dat de totaliteit me zwaar valt denk ik: er is altijd iemand die nu precies hetzelfde doet maar dan met kinderen, in een samenleving zonder village, ik ben een opgelost stukje village, moe op de bank.

  • Zet de film weer aan

    Wat ik in de afgelopen jaren deed: naar therapie gaan om mentaal gezond te worden, werken om financieel gezond te worden. Slapen. Als er tijd over was: mensen zien.

    Mijn enige levensdoel was herstellen van alles wat eerder was gebeurd, een missie zo monomaan dat mijn eigen welzijn er op haast onverenigbare wijze totaal van ondergeschikt belang aan was.

    De huidige opdracht is rust vinden. Je zou denken dat rusten na een lange periode van overbelasting eenvoudig is. Eindelijk, je kan zitten, je hoeft niets, lees een boek, kijk een film. Tel de sneeuwvlokken. Maar je systeem staat op doorgaan, dus je moet het trainen: Nu ga je zitten. Je gaat een film kijken. Je moet de film uitkijken. Leg je telefoon aan de kant. Blijf zitten. Blijf zitten. Zet de film weer aan. Leg je telefoon aan de kant. Je gaat de film uitkijken. Blijf zitten. Leg je agenda weg. Zet de film weer aan. Goed gedaan. Nu mag je opstaan.

    Langzaamaan lukt het steeds beter.

    Deze week is helweek. Ik weet dat er een coach met een militaire achtergrond bestaat die een levensveranderende methode rondom de term helweek heeft gebouwd, maar ik heb geen tijd voor levensveranderende methodes, hier is helweek de term voor weken waarin ik aanzienlijk meer werk dan goed voor me is.

    Mijn laatste helweek was al even geleden. Ik verbaas me erover hoe slecht de resultaten van mijn oefeningen in rust deze week overeind blijven. Rust heeft rust nodig, kennelijk. Als ik thuis kom slaap ik kort op de bank, ik kook wat en doe de was, ik eet koekjes, scroll veel op mijn telefoon, en het liefst (en dit vind ik nog het ergst) zit ik met mijn agenda en markeerstiften op schoot het overzicht te bewaren. Wanneer werk ik, hoe laat ben ik thuis, wanneer betaalt welke opdrachtgever welke factuur, hoeveel werk ik volgende maand, wat betekent dat voor mijn uitbetalingen, wanneer heb ik vakantie, voor welke dip in de uitbetalingen zorgt die vakantie, hoeveel dagen rust heb ik na mijn vakantie, wanneer kan ik inpakken, hoe veel opdrachten heb ik na mijn vakantie, hoe vaak heb ik twee achtereenvolgende dagen vrij in de komende maanden, hoe veel werk moet ik nog aannemen, hoever vooruit plan ik al vrije momenten in, als je een beetje vooruit bladert zie je dat het eigenlijk al zo goed als mei is. Doe je agenda dicht. Goed gedaan. Nu mag je opstaan. Naar je werk.

  • Code oranje

    Het lot van de poppen die gisteren geschapen zijn, vandaag langzaam smolten en morgen weer bevriezen. Die gebiggelde gezichten. Hoe hun motoriek is als ze ’s nachts tot leven komen, in niets zoals The Snowman. Welke lessen ik kan trekken uit dat smelten en weer bevriezen.

    Ik denk aan therapie, aan alles betekenis moeten geven, alles onder een vergrootglas, niets laten rusten. Zouden er psychologen zijn die zeggen dat een foto van een sneeuwpop soms gewoon een foto van een sneeuwpop is. En wie zijn dan hun patiënten.

     

  • Veranderingen

    Er is veel in beweging.

    Nadat ik voor het eerst met iemand heb gezoend doe ik niet meer mijn best om te voorspellen aan welke eigenschap van de ander ik me het eerst ga ergeren.

    Ik zit bij een broodfonds.

    ’s Avonds in bed vertel ik mezelf hoe de dag is verlopen. “Vanmorgen ontbeet je met een bonenwrap die over was van gisteren. Voor je de deur uitging heb je de hal gezogen omdat er kattenbakgrit lag. Buiten was het koud. Je reed 60 kilometer per uur op de A7, omdat het zo hard sneeuwde. De collega die je op zou pikken stond niet bij P+R Hoogkerk, want de bussen reden niet. Je reed naar zijn huis en dat was spannend, want er was nog niet overal gestrooid. Je kwam een halfuur te laat op je werk, maar je had geen stress. Voordat je startte met mensen uit bed te halen, zette je eerst koffie voor jezelf. […] Vanmiddag luisterde je Dire Straits. […] Je hebt voor twee dagen chili sin carne gemaakt. […] Voor je naar bed ging dronk je Sleepy Time thee.”

  • De brievenbus

    Ik heb zo lang ik zelf mijn administratie moet doen angst gehad voor de brievenbus. Het maakte me fan van Het Boek Ont, dat ik laatst uitleende aan iemand die het niet om door te komen wittemannenleed vond. Daar is eigenlijk weinig tegenin te brengen. Ik wilde nog zeggen dat ik het boek zelf prima doorkwam, maar ik vraag me af of ik het daadwerkelijk uitgelezen heb.

    In plaats van een club te beginnen, ging ik in therapie. We zochten naar elke mogelijke oorzaak van mijn angst en vermijdingsdrang, EMDR’den wat af, maar de brievenbus in mijn portiek bleef een afschuwelijke en liefst te vermijden zaak. Een zaak met een piepend metalen deurtje dat ik alleen kon openen als niemand toekeek, als ik diep inademde en heel langzaam door mijn mond weer uit, een beetje dezelfde omstandigheden waaronder je een piercing laat zetten.

    Pas tijdens het afronden van therapie, toen ik me op alle gebieden behalve dat van dat ellendige postprobleem een doorsnee functioneel mens voelde, begon ik het zat te raken. Ik had mijn psycholoog gezegd dat ik dacht het nu zelf wel op te kunnen lossen met die post en brievenbus, en er lag de afspraak dat ik binnen een paar maanden terug mocht komen als dat niet lukte.

    Ik haalde een pak dinosaurusstickers bij de Action, legde de vellen op de salontafel, sprak met mezelf af dat ik iedere dag waarop ik zowel de brievenbus als de post opende een sticker in mijn agenda mocht plakken, beloofde mezelf een obsceen decadente beautybehandeling bij een pretentieuze salon in Eelde als ik honderd stickers had verzameld, en nog voor het halen van de honderd stickers voldoende in zicht kwam om ze te tellen vond ik het stickerplakken al te veel gedoe naast de rest van de levensverplichtingen. De administratie was inmiddels aardig op orde geraakt.

    Ik wil er maar mee zeggen, wellicht aan mezelf dan aan wie dit leest, waarschijnlijk is er meer dat ik mezelf aan kan leren door het maar vaak genoeg te doen.

    Het plezier in schrijven was ik de afgelopen jaren haast volledig kwijtgeraakt, ik overwoog de stille dood van J. Poetijn en het voelt houterig het schrijven weer tot leven te wekken. Maar als ik deze maand dagelijks schrijf, misschien ook volgende maand, gaat het straks weer vanzelf, net zoals nu met de brievenbus.

  • Daten

    Na mijn laatste verkering ging ik terug in therapie. Ik was gestopt mannen te daten, en dat wat relatie na relatie maar weer voor bleef vallen, dat waarvan ik dacht dat het aan de mannen lag, aan hun man-zijn, was weer gebeurd.

    Er bleek iets in me te zitten dat ik lange tijd niet herkende voor wat het was, een saboteur, een geniepig personage dat op alles volmondig ‘ja’ zei om vervolgens stampvoetend ‘wat heb je nou gedaan!’ te roepen, een stem die constant fluisterde dat nee geen antwoord is, en dat alle gevolgen altijd mijn eigen schuld zijn.

    Ik dacht lange tijd: misschien is het gewoon niet voor mij. Is een romantische relatie te ingewikkeld, ben ik niet opgewassen tegen de krachten die er loskomen als ik sterk met iemand verbonden raak, moet ik kiezen voor mijn rust en vind ik die buiten de romantische liefde. Ik datete wel, maar steeds onder de strikte voorwaarde dat het geen vaste relatie zou worden, om mezelf en de ander onnodige en voorspelbare ellende te besparen.

    Een paar dagen geleden keek ik terug op wat ik het afgelopen jaar heb meegemaakt op dategebied, en ineens geloofde ik er wel weer in. In de liefde. In dat ik het kan, maar ook in dat ik er weer langzaam zin in heb.

    Toen keek ik naar de rest van mijn leven. Naar alles wat plek inneemt. Alles wat energie kost. De vakanties met vrienden die gepland staan, boeken lezen, mijn lieve dementerende oma met wie het niet goed gaat, eten met vrienden, activisme, verhuizende familieleden, sneeuwengelen maken, concerten bezoeken, uit het raam kijken, spelen met Vasco, grote en fijne opdrachten in de gehandicaptenzorg, het plan om Groningen te verlaten, mijn schrijfroutine opnieuw opbouwen, hardlopen, met mijn broer naar een ijsbeeldenfestival, weer aan een opleiding willen beginnen, me voorbereiden op een bokskamp, nog een gum moeten kopen. Nog herstellen van die dijk van een overbelasting. En ik geloof er nog steeds in, maar misschien is er genoeg reden het nog even te laten.

  • De wereld tegemoet

    Op het slepend dieptepunt van mijn depressie, lang geleden, lag ik jaren in een vervuild huis YouTube-video’s te kijken van Jeffrey Star die liet zien hoeveel designertassen hij in zijn weerzinwekkend grote inloopkast had staan. Ik had voor alles angst en met Youtube hield ik de wereld buiten.

    Zo nu en dan bereikte me iets over hoe door toedoen van Frontex weer mensen waren verdronken in zee. Ik moet naar zee om iets te doen, dacht ik dan. Om vervolgens YouTube weer aan te zetten, want ik was natuurlijk totaal niet bij machte om maar iets te veranderen aan zoiets groots.

    Op weg uit mijn depressie heb ik veel geleerd. Over mezelf, over mijn omgeving, over de wereld daarbuiten. Ik beschouw mezelf niet als compleet onwetend, maar met de wereld bleek veel meer mis dan ik tot dan toe had meegekregen. Het was overweldigend; opgelapt worden om zonder angst de wereld buiten mijn slaapkamer tegemoet te kunnen treden, heel veel moois ontdekken, maar ook te leren over hoe veel afschuwelijks er gebeurt, en over dat die afschuwelijke dingen allemaal met elkaar samenhangen.

    Ik ging op zoek naar mensen die mijn zorgen deelden. Ze vertelden me dat je wereld in je eentje inderdaad niet kan redden, maar dat je door samen met anderen proberen een tegenkracht te leveren aan wat er mis is en te werken aan alternatieve structuren wel iets concreets kan doen.

    In korte tijd ontmoette ik veel nieuwe mensen, deed mijn best tegenkracht te leveren, had ik meer plezier dan in ik in lange tijd had gehad, ontdekte ik totaal nieuwe kanten van mezelf, maakte ik prachtige plannen en niet eerder gemaakte fouten, werkte ik hard om mezelf financiële stabiliteit te geven, en toen raakte ik door hoe ik in alle enthousiasme mijn leven zo snel mogelijk in de een andere richting wilde sturen enorm overbelast.

    Natuurlijk raakte ik overbelast, denk ik nu.

    Toen niets meer lukte, ontsloeg ik mezelf van alle verantwoordelijkheid behalve beter worden. Niets doen was inmiddels lastiger voor me geworden dan iets doen. En nu ik langzaam mijn hoofd weer wat op kan houden en de wereld binnen kan laten komen denk ik: het is allemaal nog veel erger dan het was. Het wordt alleen maar erger dan het was. Alleen weet ik nu dat er iets bestaat tussen in mijn eentje de wereld moeten redden en al mijn wakkere uren doorbrengen in bed.

  • 3 januari 2026

    Zien hoe de laaghangende zon op de bovenste takken van besneeuwde bomen schijnt,  een vage notie hebben van waarom mensen de winter waarderen, naar de zomer verlangen.

  • Lelystad I

    We besloten ergens in het midden af te spreken, en de beste plek leek ons Lelystad.

    In mijn tas zat een opgerold vel papier met een elastiekje erom. Mijn hoofd bonkte nog van afgelopen nacht.

    Ik was naar een feest met het thema Basic Bitch. De gasten hadden hun piercings uitgedaan, hun tattoos bedenkt en pruiken opgezet. De eyeliner achterwege gelaten en keurige make-up opgedaan. Overhemden aangetrokken. Degelijke jurken. Een deel van hen herkende ik vaag. Als we onze telefoons erbij pakten om te laten zien hoe we er normaal gesproken uitzagen riepen we hard ‘oooh, jij bent het!’
    Met sommige van hen had ik een week eerder nog een biertje gedronken.

    Op het feest stond een grote witte vergadertafel. Dat was het kantoor. Op kantoor kon je een sticker pakken om een naambordje van te maken. De tafel lag bezaaid met witte A4’tjes vol motiverende woorden als happiness, wealth en work. De kantoormedewerkers snoven speed, knipten geconcentreerd woorden uit, plakten ze op papier tot inspirerende leuzen, soms haast tot hele gedichten, die ze vervolgens op pastelgekleurd papier kopieerden en op de kantoormuur hingen.

    Ik wilde geen speed. ‘Morgen heb ik een date in Lelystad,’ zei ik. ‘Straks moet ik slapen.’ De kantoormedewerkers knikten begripvol. Een van hen gaf me ketamine.
    ‘Ga je eigenlijk iets maken?’
    Ik voelde me wazig.
    ‘Ja,’ zei ik.
    Ik pakte een vel papier en zocht naar een woord om uit te knippen. Het was moeilijk me te focussen.
    ‘Wat staat hier?’ vroeg ik met een vinger op een woord aan mijn buurvrouw. Ze had lang blond haar tot haar billen en schoof mijn vinger aan de kant.
    ‘Succes,’ zei ze.
    ‘Mooi,’ zei ik.
    Ik zocht op tafel naar een schaar, maar die bleek onvindbaar tussen alle papieren, pritstiften en blikken bier. Een overbuurman in geruit overhemd legde zijn schaar neer. Ik liep om de tafel, pakte de schaar, en toen ik weer op mijn plek zat wist ik niet meer welk woord ik uit had willen knippen. Ik vroeg het de buurvrouw met het lange haar.
    ‘Deze,’ zei ze.
    Ik knipte het woord uit.
    Ik deed mijn best, maar iedere keer dat ik opnieuw op zoek ging naar een tweede woord om uit te knippen raakte ik afgeleid. Ik sprak met mensen, belandde in een andere ruimte, ging bier halen. De kantoormuren raakten steeds voller en ik had alleen nog maar dat ene woord.
    ‘Misschien ga ik er een zine van maken,’ zei iemand die naar de muur stond te kijken.
    Een kantoormedewerker die volgens haar naambordje Wilhelmina heette en stagaire was bood me meer ketamine aan.
    ‘Zo lukt het nooit met die woorden,’ zei ik.
    ‘Even doorzetten,’ zei een kantoormedewerker in zwart overhemd.
    ‘Hoe laat is het?’ vroeg ik.
    ‘Half vier.’
    ‘Ja, kak, ik moet naar bed. Om drie uur moet ik in Lelystad zijn.’

    Toen dacht ik aan wat ik in therapie had geleerd. Over de lat niet steeds te hoog te leggen. Over dat iets gedaan hebben goed is zonder dat het perfect is.

    Dan maar alleen dat ene woord.

    Ik liep naar het kopieerapparaat, legde succes, dat de hele tijd in mijn borstzak had zitten wachten, op de glazen plaat en sloot de klep.
    ‘Of,’ vroeg ik aan Wilhelmina, ‘moet ik mijn borst meekopiëren?’
    ‘Dat lijkt me goed,’ zei ze.
    Ik opende de klep, plaatste mijn borst bovenop succes op de glazen plaat en drukte op de groene knop.
    Ik was tevreden over het resultaat. Een geplette borst met een klein wit uitgeknipt rechthoekje met een woord erop recht onder de tepel.

    ‘Misschien moet ik nog iets maken,’ zei ik.
    De medewerker in het zwarte overhemd zei ‘Volgens mij moet jij naar huis.’
    ‘Shit, de date,’ zei ik. ‘Denk je dat ze ook een kopietje wil?’
    Ik maakte een extra afdruk, rolde hem op, stak hem in mijn tas en ging naar huis.

  • Opgestaan

    Ik ging naar een psycholoog, zei ‘geef me de energie om uit bed te komen, de wijsheid om te snappen waarom ik doe wat ik doe en de kracht om naar buiten te gaan en de wereld te ontdekken.’
    De therapie was intens en succesvol, and heaven knows i’m miserable now.