Na mijn laatste verkering ging ik terug in therapie. Ik was gestopt mannen te daten, en dat wat relatie na relatie maar weer voor bleef vallen, dat waarvan ik dacht dat het aan de mannen lag, aan hun man-zijn, was weer gebeurd.
Er bleek iets in me te zitten dat ik lange tijd niet herkende voor wat het was, een saboteur, een geniepig personage dat op alles volmondig ‘ja’ zei om vervolgens stampvoetend ‘wat heb je nou gedaan!’ te roepen, een stem die constant fluisterde dat nee geen antwoord is, en dat alle gevolgen altijd mijn eigen schuld zijn.
Ik dacht lange tijd: misschien is het gewoon niet voor mij. Is een romantische relatie te ingewikkeld, ben ik niet opgewassen tegen de krachten die er loskomen als ik sterk met iemand verbonden raak, moet ik kiezen voor mijn rust en vind ik die buiten de romantische liefde. Ik datete wel, maar steeds onder de strikte voorwaarde dat het geen vaste relatie zou worden, om mezelf en de ander onnodige en voorspelbare ellende te besparen.
Een paar dagen geleden keek ik terug op wat ik het afgelopen jaar heb meegemaakt op dategebied, en ineens geloofde ik er wel weer in. In de liefde. In dat ik het kan, maar ook in dat ik er weer langzaam zin in heb.
Toen keek ik naar de rest van mijn leven. Naar alles wat plek inneemt. Alles wat energie kost. De vakanties met vrienden die gepland staan, boeken lezen, mijn lieve dementerende oma met wie het niet goed gaat, eten met vrienden, activisme, verhuizende familieleden, sneeuwengelen maken, concerten bezoeken, uit het raam kijken, spelen met Vasco, grote en fijne opdrachten in de gehandicaptenzorg, het plan om Groningen te verlaten, mijn schrijfroutine opnieuw opbouwen, hardlopen, met mijn broer naar een ijsbeeldenfestival, weer aan een opleiding willen beginnen, me voorbereiden op een bokskamp, nog een gum moeten kopen. Nog herstellen van die dijk van een overbelasting. En ik geloof er nog steeds in, maar misschien is er genoeg reden het nog even te laten.
Geef een reactie