Als er een ding was waar ik als kind een hekel aan was het met mijn vader mee als er iets gekocht moest worden, want niemand kon zo goed afdingen als mijn vader. Nu ik al een tijd volwassen ben begrijp ik de noodzaak achter het constante ge-onderhandel en bovendien herken ik mijn vaders gepingel inmiddels als een goed ontwikkeld talent, maar ik herinner me nog precies hoe ik me voelde als ik in de Gamma even twee gangpaden verderop ging staan terwijl mijn vader het voor elkaar kreeg om bij de goedkoopste rookmelder waar absoluut geen cent van de prijs af kon toch nog een extra setje batterijen in de handen gedrukt te krijgen.
Vandaag ging ik met mijn reisgenoot naar Souk el Had in Agadir. Ik had mezelf beloofd op zoek te gaan naar een ring, een goede ring te kopen in plaats van allerlei onnodige souvenirs. Twee van mijn exen hebben afzonderlijk van elkaar gezegd dat ik van alle mensen die ze kennen wel erg gemakkelijk over te halen ben om iets aan te schaffen; er hoeft maar een gezichtje op iets te staan en ik wil het hebben. Een van hen zei toen ik tijdens het boodschappen doen eens een een pak wegwerpzakdoekjes in limited edition verpakking met vrolijk gekleurde poppetjes uit het schap pakte eens: het kapitalisme heeft een goeie aan je. Zulke uitspraken vergeet je niet, bovendien ben ik met het oog op een mogelijke verhuizing naar de randstand langzaam de bezem door mijn bezittingen aan het halen en daarbij geloof ik er tegenwoordig in dat ik voorlopig nog even besta, en daarna de mensen na mij, dus doe ik ondanks mijn materialistische neigingen mijn best om alleen spullen te kopen duurzaam genoeg zijn om me overleven.
Ingang negen bleek zoals overal verteld werd toegang te bieden tot veel sieradenwinkels, maar ze hadden meer fake Van Cleef & Arpels armbanden hadden dan ringen in mijn smaak. Ik besloot snel mijn ringzoekmissie los te laten en daarmee ook meteen de kleine teleurstelling.
De souk is een fenomenale plek voor mensen die van prikkels houden. De winkels en stands die spullen soms metershoog uitgestald hebben; arganolie, honing, shirts van het Marokkaans elftal, Palestinashirts, Labubu’s, theepotten, felgeglazuurd keramiek, huishoudbenodigdheden, kleurrijke sieraden in Berber-stijl, bakken vol thee en kruiden, zwarte zeep in grote hopen, groente, fruit, souvenirs. De geur van ras el hanout, van amberblokken en van leren jassen. De verkopers die je aanspreken, de vogels die er pitjes uit manden stelen. Een kat die te midden van alle drukte een dutje doet. Vers granaatappelsap door een rietje drinken, arganolie op je hand gesmeerd krijgen.
Dwalend tussen alles en afgeslagen naar steeds wat rustigere paadjes belandden we in een kleine juwelierszaak die ik tijdens mijn latere bezoeken niet terug kon vinden. Een man in gestreepte djellaba trok er een bakje met ringen tevoorschijn en tussen die ringen zat de ring waarvan ik niet wist dat ik hem zocht, zilver, chunky, ongeschikt voor mensen met trypofobie en hij paste me.
‘How much,’ vroeg ik de man.
Hij pakte een rekenmachine met grote toetsen, tikte een bedrag in en schoof het apparaat naar me toe. Achthonderdvijftig dirham.
Tachtig euro voor een zilveren ring. Ik schudde mijn hoofd, en de man gebaarde me een bedrag in te tikken. Tweehonderd, tikte ik.
‘Aaah, non!’ De sieradenverkoper lachte, bracht zijn hand naar zijn voorhoofd die hij in een dramatische frons trok en gooide zijn hoofd naar achteren. ‘Catastrophe! Catastrophe!’
Zevenhonderd dirham stelde hij voor.
‘Seven hundred?’ riep ik uit. ‘My husband will kill me!’
Driehonderd leek me een goed tegenbod.
‘Aaaah, nooo! Catastrophe!’ riep de verkoper weer uit.
‘Maybe i don’t need a ring,’ zei ik.
Vijfhonderdvijftig, stelde de man voor.
‘Hans-Jan will not like this,’ zei ik zuchtend en tikte driehonderdvijftig in op de rekenmachine.
Vijfhonderdvijftig.
Vierhonderd.
De man schudde zijn hoofd. Ik haalde mijn schouders op en maakte aanstalten om weg te gaan.
‘Okay, four hundred,’ riep de verkoper. Hij lachte breed, stak zijn hand naar me uit en schudde mijn hand stevig. Hij deed de ring in een klein roze zakje, drukte hem in mijn hand en sloeg me amicaal op mijn schouder, vaderlijk haast.