Zwemmen

We gingen zwemmen.
‘Ik houd echt niet van zwemmen,’ zei ik, ‘maar met jou lijkt het me wel leuk.’

Ik legde een kleed op het zand. Hij plofte erop neer en tuimelde om, doordat het zand schuin afliep. Toen ik mijn kleding uittrok bekeek hij me langzaam van top tot teen, zo had hij me nog nooit gezien. Zijn rolstoel parkeerde ik even verderop, in de schaduw, zodat de zitting niet heet zou zijn als we zouden vertrekken. Hij kreeg een zwemvest aan.

Zijn lichaam werkte beter in het water. In het ondiepe gedeelte rende ik op handen en voeten, met mijn buik naar boven gericht, van hem weg. ‘Je kan me toch niet pakken,’ zei ik. Hij haalde me op handen en knieĆ«n in en pakte mijn enkel. Met twee handen nam hij mijn voet beet en kneep mijn tenen bij elkaar. Hij probeerde de nagellak van mijn teennagels te krabben. Drukte mijn voet stevig onder water. Haalde hem weer omhoog. Drukte hem weer onder water. Pakte een bos wier, hield het boven het water en luisterde naar het geluid dat de vallende druppels maakten.

De zon scheen, maar het was nog vroeg, de warmte was aangenaam. Hij was rustig. Ik ook.

Mijn heupen met putjes waren het canvas voor een zandschilderij.
‘Mooi,’ zei ik.
Hij zei niets terug, dat hoeft ook niet, we begrijpen elkaar.

Terwijl hij mijn voet weer beetpakte en onder water drukte, haalde ik mijn handen door het zand en dacht aan de zomers die ik vroeger doorbracht in de sloot vlakbij mijn huis, aan de mossels die ik er opgroef en soms per ongeluk brak als ik ze open wilde maken.

 

Een gedachte over “Zwemmen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *