Twee dagen maart

Het is nog twee dagen maart, zei iemand me. Er begon me wat te dagen.

De zon scheen de afgelopen tijd. Ik kleedde me aan, deed de gordijnen open, zette  viooltjes in de tuin en was blij dat ik weer gelukkig was.
‘Hoe gaat het?’ vroegen mensen me.
‘Goed,’ zei ik dan, ‘de zon schijnt.’
De mensen zeiden dan dat ze zich nu ook veel beter voelden.

Maar ik begreep de afwas niet. De ongeopende enveloppen. De waslijst aan dingen die ik nog moest doen. De vuilniszak in de gang. De gesprekken die ik voerde. Hoe kon het dat niet alles liep zoals het moest, terwijl de zon scheen?

Het is nog maar maart. In april wordt het beter, dat weet ik en zeg ik tegen iedereen. Toch verwar ik ieder jaar het opgewekte gevoel dat de zon me geeft, met het hebben van draagkracht. En ik klim tegen de wand van de put op. Naar boven, daar zijn de bloemen. Er gaat geen jaar voorbij, zonder dat ik een paar keer weer op de bodem beland, voordat ik werkelijk buiten ben.

Vroeger sprong ik eens van de hoge duikplank. ‘Zou je dat wel doen?’ vroeg mijn moeder. Terwijl zij haar rode schouders nog eens dik insmeerde, landde ik met mijn rug plat op het water. Soms denk je dat iedereen kijkt, als je valt. Soms lijkt de wereld niet te bestaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *