Thuislucht

Mijn huis ruikt naar vuilnis. Wanneer ik na een werkdag mijn voordeur open, komt met de dikke warme lucht de geur van afval mee naar buiten.

De geur is op zijn sterkst op de drempel tussen de gang en de keuken. Als ik inadem, protesteert mijn lichaam. Mijn maag reageert. Het duurt nooit langer dan een minuut, voordat ik gewend ben aan de toestand en de geur weer kan verdragen. Het duurt nooit langer dan vijf minuten, voordat ik de lucht niet bewust meer ruik.

Ik zou op kunnen ruimen. De zak die in de gang staat ontdoen van het teveel aan inhoud. Dichtknopen. Weggooien. De zak uit de vuilnisemmer in de keuken pakken. Dichtknopen. Weggooien. Een nieuwe afvalzak pakken. De restanten van het aanrecht in de zak werpen. De verpakkingen van de grond. De zakdoekjes van de bank. De proppen in de hoek. Dichtknopen. Weggooien.

Ik zou alle borden, kommen en kopjes in het huis kunnen verzamelen en de restanten met een vieze vork van ze afschrapen. Of, wanneer het al te laat is, ze te weken zetten in een sopje. Ze afwassen. In de kast zetten.

Dit doe ik niet.

Schoonheid is overschat. De waarde van een bloemenparfum ontgaat me. IJle luchtjes doen niets dan maskeren.

De geur in mijn huis omhelst me en zegt me dat alles klopt.

Er is geen man, geen bed, geen bad waar ik me zo in kan wentelen, als in de geur van mijn woning. Ik heb nog nooit een zoen gehad die me zo wist te omvatten als de lucht van vuilnis dat deed.

Als ik me niet goed voel, ruim ik niet op. Ik heb niet opgeruimd. Als je niet opruimt, staat er vuilnis in je huis. In mijn huis staat vuilnis. Als er vuilnis in je huis staat, ruikt je huis naar vuilnis.

Mijn huis ruikt naar vuilnis.

Alles is juist.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *