Poëzie #3

Boomkor

Hoe houden vissers zich staande
op een schokkende kotter
Ogen als splinters
de vingers verkrampt
Als apparaten sorteren ze
een stroming happende platvis
schollen in scholen
op lopende band

Rubber handen strippen, snijden
smijten de levende lijken op ijs
tot een van hen grijpt
naar onverklaarbare bijvangst

In een waterdichte vuist
zit een meerman die zojuist
haast bezweek
onder het stikkende gewicht
van een natte massa vis

Het kokkelige zeewezen
beweegt zijn lippen
Zijn blik brandt
Hij slaat zijn vingers stijf
rond de gele plastic drietand
die weken geleden nog
in een portie kibbeling stak
Heft zijn arm
Vloekt en foetert
Schreeuwt onhoorbaar
Zijn keeltje rauw
Over vader, oceanen
en gevaar

Voor de vissers bestaat niets
dan razende machines
het klappen van de regen
de kermende zee en
even het gelach
over hoe dat malle zeebeest
net een ventje is

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *