Lopen

Vorige week had ik 180 kilometer gelopen, nog 20 te gaan en pijn. Ik zat in mijn eentje in het gras. Er zaten blaren op mijn voeten. Sommige blaren hadden geen vel meer, maar dat wist ik toen nog niet. Mijn linkeronderbeen was zo gezwollen, dat ik mijn enkel niet meer zag. Ik kon mijn linkervoet goed strekken en mijn rechtervoet voornamelijk goed naar boven bewegen. Mijn rechterkuit voelde beurs. Ik had honger, maar kon niet eten. Ik had dorst, maar ik dronk al zoveel. Ik was moe en opgeven was geen optie. 

Ik stond op, zette mijn ene voet voor mijn andere en huilde. Ik maakte lelijke passen. Maar ik zette mijn ene voet voor mijn andere. Ik liep. En ik liep zelf. Niemand die me duwde. Niemand die me dwong. Niemand die iets van me vroeg. Ik liep zelf, ondanks alles.

Ik veegde mijn wangen droog en ontdekte dat ik mijn schouders kon rechten. Dat ik symmetrische stappen kon maken. Dat ik kon horen wat er om me heen gezegd werd. Dat de zon scheen, al was ze te fel. Ik had pijn en ik liep en ik kon op zo’n manier lopen, dat niemand me zag.  Ik hoefde niet bekeken te worden.

Jij liep even later een andere kant op. Ik weet niet van welke kaart jij leest. Ik zal jouw afwezigheid dragen zonder te buigen. Het gat laat ik open en niemand zal het zien. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *