Getest worden

Of ik tweehonderd euro contant mee wilde nemen. Dat had met schimmigheid niets van doen: ik mocht het geld ook overmaken, maar een pinautomaat zou er niet zijn.

De oprijlaan was er een met kiezels. Ik was er al een paar keer voor langs gelopen. Doordat ik de bus had genomen was ik meer dan een half uur te vroeg. Ik durfde niet meteen aan te bellen. Het pand was enorm, maar de kans dat er geen wachtkamer aanwezig was leek me groot. Dat gaf niets, het was zonnig.

Door mijn dunne schoenzolen leek ik elke steen te kunnen waarnemen. Ik vroeg me af hoe de oprijlaan zou voelen onder veterschoenen met lederen zool. Waarschijnlijk slechts als oneffen. Het geluid van de schurende stenen zou wel hetzelfde zijn.

De deur zat aan de zijkant van het pand, drie stenen treden hoog. Er miste een authentieke trekbel.

De man die opendeed was klein, grijs en vriendelijker dan ik had verwacht nadat ik hem telefonisch had gesproken. Het accent dat aan de telefoon zijn goede afkomst verraadde leek verdwenen. Hoewel ik nog steeds te vroeg was, mocht ik meteen doorlopen.
‘Kon je het goed vinden?’ vroeg de man.
‘Uitstekend,’ zei ik, ‘U had gezegd dat ik naast het benzinestation moest zijn, en dat klopte.’

Ik mocht naast de man aan het eiken bureau komen zitten, terwijl hij zich over een handzame laptop boog.
‘Eens zien,’ zei hij, ‘je bent hier vanwege de diagnose ADHD. Waar is die die diagnose gesteld? Gebruik je medicatie? In welke dosering?’
Ik gaf antwoord, de man typte. Hij zat met zijn neus op het toetsenbord als hij schreef en met zijn neus tegen het scherm als hij zijn woorden nalas.
‘Ben je al met rijlessen begonnen? Hoe gaat dat? Hoe vindt je rijleraar dat het gaat? Heb je je theorie al gehaald?’
De vragen waren gemakkelijk.
‘Kon je het hier trouwens goed vinden?’ vroeg de man nog eens.
‘Ja,’ zei ik.

Er stonden minstens tien schilderijen op de grond tegen de muren opgesteld. Een met koeien. Een met Lenin. Iets abstracts. Ik nam aan dat ze opgehangen moesten worden.
‘Bent u aan het inrichten?’
‘Nee.’
‘O.’

‘Ik heb nog een paar vragen,’ zei de man. Zijn rode montuur leek gehaald bij een kwaliteitsopticien. Ik had mijn twijfels bij de kwaliteit van de glazen.
‘Drink je?’
‘Valt mee.’
‘Wat bedoel je daarmee?’
‘Het wisselt.’
‘Hoeveel glazen drink je per week?’
‘Als het een paar glazen in een week zijn, is het veel.’ Ik verzuimde te vertellen hoe ik aan dat gemiddelde kwam, maar vertelde wel dat ik haast nooit drink als ik alleen ben.
‘Gebruik je drugs?’
‘Al lang niet meer.’
‘Heb je geblowd?’
‘Ja. Maar het is al tien jaar geleden dat ik dat voor het laatst gedaan heb.’
‘Heb je andere middelen gebruikt?’
‘Ja. Niet vaak en net zo lang geleden.’

‘Hoe zou je jezelf omschrijven?’
De man draaide zich van zijn toetsenbord af en keek me aan. Ik wist geen antwoord te geven en keek naar de boekenkast. Deze stond net te ver weg om te kunnen lezen wat er op de ruggen van de boeken stond, hoewel de meeste boeken fors waren. Vast medische informatie.
‘Ik lees graag.’
‘En verder?’
‘Ik handel snel, maar denk er achteraf lang over na.’
‘Je bent een denker. Ben je ook impulsief?’
‘Vroeger wel, inmiddels niet meer zo. Ik ben ouder geworden. Eigenschappen als impulsiviteit zijn niet statisch, geloof ik. Of denkt u van wel?’
‘Wat vind je eigenlijk van je diagnose?’
‘Ik ben niet ziek. Ik heb een aantal kenmerken waar we de term ADHD voor hebben bedacht. Het is fijn dat ik er pillen voor kan krijgen.’
‘Ik moet even wat pakken, een moment.’

In een hoek van de ruimte stond een bronzen sculptuur op een sokkel. Ik wist niet wat het voor moest stellen. Door de brede jaloezieën scheen de zon er strepen op. Die vond ik mooi.

De man kwam terug met een labformulier.
‘Wat mij betreft mag je je rijbewijs gaan halen. Ik stuur je gegevens door naar het CBR. Er is alleen één ding: je moet eerst een drugstest doen.’
Ik fronste.
‘Ik weet dat het lang geleden is dat je iets gebruikt hebt, maar vanwege je drugsverleden moet ik dit doen. Het is een urinecontrole.’
‘Moet ik onder begeleiding in een potje plassen?’ Ergens vond ik dat een aardig idee. De man wist niet of het plassen onder begeleiding gedaan moest worden.

‘Wat vond je van dit gesprek?’
Het was geen bijzonder onprettig gesprek, maar ik had er tweehonderd euro voor betaald.
‘Ik vraag me af wat het nut precies is geweest,’ zei ik. ‘Als iemand de juiste dingen zegt in dit gesprek, geeft u toch uw goedkeurig?’
‘Denk je niet dat ik door masking heen kan prikken?’ vroeg de man. Hij lachte voor het eerst.
‘U heeft veel ervaring, dus in de meeste gevallen kunt u dat vast.’

Ik kreeg een stevige hand. De mijne was klam. De man zou me bellen zodra hij de uitslag had.

Op de oprijlaan trok ik mijn vest uit. Hoewel ik tevreden was met de mooie anekdote die ik met het moeten doen van de plastest gewonnen had, baalde ik inmiddels van mijn eerlijkheid. Als ik de man niets over drugs had verteld, hoefde ik geen extra hindernis te nemen op weg naar mijn rijbewijs. Waarna ik me afvroeg hoe het kon dat ik dit als een hindernis zag, als ik zo eerlijk was geweest.

Ik bekeek mijn telefoon. Nog twaalf minuten tot de bus langs zou komen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *