Een pen en een boekje

Ze had enorme ogen. Grijs, met lange wimpers.

Haar broertje was bang voor het ritje in de boomstamattractie. De rij was lang en traag. Haar vader sprak het broertje toe. Dicht tegen zijn moeder aangekropen, hoorde het jongetje argument na argument over de veiligheid van de attractie.

Een veelvoorkomende schrijftip is dat je ‘zeggen’ moet gebruiken, als iemand iets zegt. Geen ‘snotteren’, bijvoorbeeld. Nou. Deze man blafte. Bulkte. Donderde de zinnen uit zijn mond. Schoot geruststellingen naar zijn zoon als een semi-automatisch wapen. Het jochie vroeg moeder om zijn knuffeldoek, legde het vale stuk stof met een hand tegen zijn wang en gebruikte zijn andere hand om de punt het van het ding een stukje in zijn neus te steken.

Ze wilde haar broertje geruststellen en vader was het daar niet mee eens. Hij keek haar aan (dat denk ik tenminste, zeker weten doe ik het niet, want hij droeg een donkere pilotenbrul) en zei, zoals alleen hij dat kan, dat zij zich niet met de opvoeding heeft te bemoeien. Ze klom op het ijzeren hekje dat de slingerende rij mensen in bedwang hield, veegde haar haren uit haar gezicht en staarde.

‘Hier, drinken’, zei vader. Hij gaf haar een fles water van blauw glas. De rest van het gezin had al wat gedronken en de fles moest leeg. Hij had er al te lang mee rondgelopen. Ze hoefde niet. Ze moest. Ze nam de fles aan, zette hem aan haar lippen en kantelde haar hoofd wat. ‘Goedzo,’ zei vader, toen ze de fles teruggaf. Ze had geen slok gehad.

‘Is die mevrouw Nederlands?’ vroeg ze haar vader. Ze knikte naar me. Hij dacht van wel, want ik sprak Nederlands. ‘Of ze moet uit Zuid-Afrika komen.’

Ze vertelde dat ze voor de houten achtbaan een uur had moeten wachten. Ik zei dat ik de rij te lang had gevonden. De achtbaan in het donker vonden we beiden een van de mooiste. Ze had in het winkeltje na afloop een doodshoofd willen kopen, maar dat mocht niet van haar vader. Ze had een pen en een boekje gekregen, want ze schreef graag. Ik vroeg haar waar ze over schreef. Ze schreef over van alles. Over wat ze meemaakte of wat ze op de televisie zag. Het valt niet altijd mee om te schrijven, vertelde ze. Als je iets opschrijft alsof je het zelf hebt meegemaakt, moet dat op een heel andere manier dan wanneer je het opschrijft alsof een ander het meemaakt. Ik vroeg hoe oud ze was. Negen. Toen ik zei dat ik onder de indruk was van haar overwegingen, werden haar ogen net een beetje groter.

Na afloop de rit over de roze Dora de Explorer-berg, liep het gezin voor me. Het broertje huilde onbedaarlijk. Ik dacht aan Mathilda en hoe elke ouder onbedoeld geschenken geeft.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *