De kleding van dichters

Ik ging naar Dichters in de Prinsentuin. Ik maakte aantekeningen, omdat ik een verslag zou schrijven voor SLAG. Op mijn papier verschenen zinsdelen over dichters, over hun voordrachten. Ik schreef ook op of de zon scheen. Wat het publiek deed. Dat er een duif liep. Dingen waarmee ik de sfeer zou kunnen omschrijven. Als vanzelf wilde ik iets opschrijven over het vestje dat een dichteres droeg. Voordat mijn pen het papier raakte, bedacht ik me. Wat gek dat me dat relevant had geleken.

Ik ergerde me aan de neiging die ik had gehad. Het bleef me bezighouden. In de kantlijn schreef ik iets over de kleding van een mannelijke dichter. Als daad van verzet tegen mezelf. Zijn blauwe vest haalde uiteindelijk het verslag.

“De tweede ronde op het theeveld wordt geopend door Tonnus Oosterhoff. Oosterhoff draagt een sportief blauw jasje met witte strepen over de mouwen en ‘Uruguay’ op de rug. Zijn bril heeft hij in het haar. Het publiek luistert ademloos naar het benauwende mannengedicht over een mijnwerker uit Kentucky.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *