De baas van de psychiater

Ik mocht de psychiater wel. Tijdens het intakegesprek voor lichttherapie waarschuwde hij me voor bijwerkingen. Hij vertelde dat de kans ontzettend klein is, maar dat sommige mensen manisch worden van lichttherapie. Toen ik zei dat manisch worden me uitstekend leek, dat ik had gehoord dat je daar nog mooier van gaat schrijven, raakte hij er niet van in paniek. Dat vond ik een goed teken.

Het duurde even voordat ik moe genoeg was om lichttherapie te krijgen. Ik moest wekelijks vragenlijsten invullen, zodat de artsen in de gaten konden houden hoe het met me ging. Als er uit de lijsten zou blijken dat ik een winterdepressie kreeg, zouden ze contact met me opnemen. Toen ik halve etmalen in bed lag belde ik zelf maar.

Lichttherapie bleek iets wonderbaarlijks. Vijf ochtenden achter elkaar zat ik drie kwartier voor een grote lichtbak. Zo ongeveer elke twee minuten moest ik even recht in de lamp kijken. Op de eerste dag leek ik nog vermoeider voorheen. Op de tweede dag werkte ik in een half uur de mail weg waar ik al anderhalve week tegen aan zat te hikken. Op de derde dag deed ik de was. Op de vierde dag deed ik de helft van mijn afwas.

Om er zeker van te zijn dat de therapie echt had gewerkt, wilde de psychiater me na afloop even zien.

‘Hoe gaat het met je?’ vroeg hij.
Ik vertelde over hoe goed het met me ging. En ik vroeg of ik de volgende keer wat eerder mocht komen, omdat ik niet weer halve etmalen in bed wilde blijven liggen.
‘Dat mag zeker,’ zei de psychiater. ‘Je mag gewoon bellen. En misschien moet je de vragenlijsten ook wat eerlijker invullen.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Als je in moet vullen of je moe bent, kijk dan naar hoe lang je in bed ligt. En niet naar of daar oorzaken voor zijn, om daar vervolgens rekening mee te houden in je antwoorden. Niet denken: ik lig de hele dag in bed omdat ik een slecht gedicht heb geschreven. Gewoon invullen dat je erg vermoeid bent.’
‘Daar ligt het momenteel niet aan,’ zei ik.
‘Weet je dat mijn leidinggevende poëzie schreef? Van den Hoofdakker. Hoe heet hij? Kopland.’
De psychiater had me al eens over hem verteld en ik las onlangs dat Kopland een autoriteit was op het gebied van lichttherapie. Dat vond ik mooi.
‘Hij schreef niet onaardig,’ zei de psychiater. ‘Hij won er wel eens prijsjes mee.’
Ik moest een beetje lachen om de prijsjes.
‘Het was geen beroerde carrière’, zei ik.
‘We hadden wel eens discussies.’ De gedachten van de psychiater leken wat af te dwalen.
‘Over poëzie?’ vroeg ik.
‘Nee, nooit over poëzie. Ik heb daar niets mee. Als het over poëzie ging zei Van den Hoofdakker zei altijd: ik kan jou beter een bord aardappelen geven.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *