Vertrekken

Gisteren was mijn laatste werkdag en dat vertelde ik pas gisteren op de groep. De bewoners schrokken. Ik had het moeilijk en moest steeds een beetje huilen. Dat had ik liever niet willen doen, ik wil het niet ingewikkelder maken dan nodig. Aan de andere kant: de bewoners mogen best weten dat ik ze ga missen. We hadden geen geveinsde band.

Er waren gisteren momenten waarop ik niet de begeleider was en een bewoner niet de bewoner. Er was iemand die voorzichtig een hand op mijn arm legde en zei dat hij had gezien dat ik verdrietig was en het wel begreep, ik ben tenslotte nog jong. Het was even zoals het óók is: hij de oudere man met levenservaring, ik de jongere vrouw die minder van het leven heeft gezien dan hij.

Iemand schreef iets moois voor me. Iemand bleef herhalen dat ik wegga, dat ik écht wegga, dat ik niet meer kom werken, dat ik niet meer terugkom, dat ik er morgen niet meer ben, dat we elkaar bijna niet meer zullen zien, dat ze moet wennen als ik weg ben. Iemand bleek onverwacht het vermogen te hebben om me af te leiden, en wees me op een schilderij als hij zag dat ik het moeilijk had. Iemand gaf klopjes op mijn arm en zei ‘stil maar, stil maar’. Iemand wilde niet dat ik nog grapjes maakte. Iemand die liever stil is sprak de hele dag niet tegen me en gaf me chocolade vlak voor ik vertrok.

Aftellen

Ik tel de dagen tot mijn laatste werkdag af. Drieëntwintig, tweeëntwintig. Meestal tel je af naar leuke dingen. Je verjaardag. De vakantie. 

Eenentwintig. 

Vanaf het moment dat ik mijn ontslag indiende om meer te kunnen lezen en schrijven, kreeg ik het drukker. Ik vertelde de wereld wat ik wilde doen. Veel mensen vinden het een dapper besluit. Ik geloof dat zij denken dat dapper een vriendelijk woord is voor dom, of op zijn best: onverstandig. Andere mensen zijn oprecht enthousiast. Sommigen hebben werk voor me, of tips.

Ik werkte aan de aanvraag voor een stipendium. Ik droeg gedichten voor. Ik redigeerde teksten. Ik nam een fantastische opdracht aan.

Mijn nieuwe leven wacht niet tot ik de dagen afgeteld heb en ik neem intussen nog steeds de trein naar mijn werk. Mijn oude werk. Het werk waar ik van houd.

Ik ben opgevoed met het idee dat je maar van één persoon tegelijk mag houden. Of dat juist is weet ik niet. Op dit moment zijn er zaken waar ik zoveel van houd, dat ze geen ruimte laten voor elkaar. (Laat staan voor romantische liefde.)

Hoe vertel ik straks dat ik niet meer kom werken, omdat ik liever letters op papier zet? Ik kan voor mezelf nauwelijks beargumenteren dat dat belangrijker is dan wat ik nu doe, laat staan dat ik het kan uitleggen aan de mensen waar ik voor zorg.

Twintig.

Hij heeft een moeilijke dag achter de rug, maar heeft een vrolijk moment.
‘Als ik aan iemand zou vertellen hoe je eruit ziet, zou ik zeggen dat je twee benen hebt.’
‘En?’
‘En een buik.’
‘Jij hebt ook twee benen en een buik. Eigenlijk lijken we best op elkaar.”
Hij kijkt naar me, lacht dan hardop en knikt. We lijken in niets op elkaar.
‘En we hebben allebei haar op ons hoofd,’ zeg ik, hoewel hij geen vlecht heeft en ik geen blonde stekels .
‘Ja, maar ik vertel niet over je haar.’
‘Waarom niet?’
‘De mensen moeten ook wat te ontdekken hebben.’
Ineens is hij rustiger. Hij laat zich achterover zakken in zijn stoel en bekijkt me weer, maar nu met aandacht. Hij zoekt naar iets. Iets wat de mensen aan me kunnen ontdekken.
Ik houd me stil.
‘Hoe kleine oortjes dat je hebt,’ zegt hij en wijst naar de zijkant van mijn hoofd, ‘want je hebt maar marmottenoortjes.’

Negentien.

Over weggaan en blijven

Ze liegt nooit tegen me. Ze verzwijgt dingen, maar dat is eigenlijk altijd uit onzekerheid. Als ze het koud heeft, vraagt ze niet om een trui. Wanneer ik haar aan tafel zeg dat ze door mag eten, zegt ze niet dat ik haar gekwetst heb. Ze buigt haar hoofd een beetje, kijkt strak naar haar bord en eet. Ik probeer zo vaak mogelijk te zeggen dat ik niet boos op haar ben. Dat ik blij met haar ben. Meestal gelooft ze me en veegt ze met haar ringvinger haar haren uit mijn gezicht.

’s Middags vertelde ik mijn leidinggevende dat ik per 1 januari stop met werken. En ik vertelde het mijn collega’s. De bewoners vertelde ik nog niets. Je vijf maanden zorgen maken over iets is lang.

Mijn baan opzeggen was een lastige beslissing. Ik hou van mijn werk. Ik hou van mijn werk en de band die ik met bewoners heb is echt. Het voelt oneerlijk om te vertrekken. Als ik gestopt ben met mijn werk, heb ik meer tijd om te lezen en schrijven. Ik weet niet wat me dat op zal leveren of hoe ik in mijn levensonderhoud ga voorzien. In december zal ik ander werk moeten zoeken, iets dat minder van me vraagt en minder verdient, denk ik. De uitkomst zal sowieso zijn dat ik weet wat er gebeurt als ik stop met werken om meer te kunnen lezen en schrijven. Dat is waardevolle informatie.

’s Avonds speelden we een spel met opdrachten. Klap je handen achter je hoofd. Hoeveel honden staan er op dit plaatje? Maak het geluid van een kip. Het was gezellig en het was al een paar weken geleden dat ik er ’s avonds was.
‘Wat doen jullie dit goed,’ zei ik, want iedereen deed het werkelijk goed.
‘Voor jou,’ zei ze. ‘We doen ons best, want je bent er.’ 

We dronken koffie. Ik las voor uit Het kleinste zaadje en we hadden het over de enorme zonnebloemen die in tuin staan. Volgens mij zijn ze haast vier meter hoog.
‘Ik ben niet naar Bea geweest,’ zei ze ineens. 
Er zijn bewoners die je moet helpen herinneren aan afspraken, maar het bezoek aan Bea regelt zichzelf altijd. Ze gaat elke vrijdagavond bij Bea op de koffie en heeft volgens mij nog nooit een afspraak overgeslagen. Soms neemt ze een tekening voor Bea mee. 
‘Sorry, zei ik, ‘ik heb er ook helemaal niet aan gedacht. En nu is het te laat om te gaan.’
Ze lachte en nam een slok van haar koffie. ‘Ik dacht, ik zeg maar niets.’
‘Wilde je niet naar Bea?’ vroeg ik. ‘Dat had je gewoon kunnen zeggen, dan hadden we afgebeld. Nu zit ze op je te wachten.’
Het bleef even stil.
‘Ik dacht, ik zeg maar niets. Straks moest ik toch heen. En ik wil gewoon bij jou zijn.’

Voor altijd hier

Er zijn mensen die altijd kwetsbaar zijn gebleven en inmiddels zo oud zijn, dat verschillende generaties voor ze gezorgd hebben. Steeds nieuwe mensen in je leven. Ongevraagd. Steeds nieuwe visies in je leven. Niet zelf bedacht.

Er zijn mensen die gezien hebben hoe de mens werkelijk is, doordat de mens zich niet in ze herkende. De mens werpt haar masker af, als ze zich ongezien waant.

Er zijn mensen die weten dat intenties niet uitmaken als iemand je pijn doet. Dat de ander altijd zegt dat het vervelend voor je is, maar dat het er nou eenmaal bij hoort.

Er zijn mensen die nog steeds hopen op een thuis.

‘Vroeger waren ze gemeen tegen mij, hè?’
– ‘Ja. Dat hadden ze nooit mogen doen.’
‘Hier gebeurt dat niet, hè?’
– ‘Nee. Nergens meer, hoor. Vroeger wisten ze niet beter.’
‘ Ik hoef hier nooit meer weg, hè?’
– ‘Je mag hier altijd blijven wonen.’
‘Wat er ook gebeurt, toch? Ook als ik heel boos doe.’
– ‘Wat er ook gebeurt. Je mag hier altijd blijven wonen.’
‘En jij blijft hier ook voor altijd werken, toch?

Eenzaamheid is een gegeven en wijsheid is dat niet kunnen benoemen.

De kleine dingen

Het hoefde voor hem allemaal niet meer. Hij had zijn redenen, maar een levenseinde leek me toch een voorbarige beslissing. Bovendien moest hij nog in bad.
‘Ik kan je niet missen, hoor,’ zei ik.
Met opbeurende woorden kom je soms een eind, tot aan de badkamer misschien, maar je lost er niet alles mee op.

Ik waste zijn haren en keek naar mijn pols.
‘Ik heb de armband waar je zo’n hekel aan hebt weggedaan,’ zei ik.
‘Mooi,’ zei hij tevreden. ‘Eindelijk. Heb je ook een nieuwe broek?’
Ik knikte. ‘Je kan niet dood op de dag dat ik een nieuwe broek aanheb, hoor.’
Hij was het volledig met me eens. Ik spoelde de shampoo uit zijn haren.

Iets geleerd

Ze laat haar handen zakken en kijkt me met open mond aan. We zijn samen aan het werk en praten ondertussen over van alles. De vraag die ik nu stel is reden om even te stoppen met haar werkzaamheden. Ze zwijgt. Hoe moet ze weten of dit een onzinnige vraag was, of dat ze me niet goed begrepen heeft?
‘Of kan dat niet?’ vraag ik haar.
Ze begrijpt meteen dat het een van mijn onzinnige vragen was. ‘Nee, natuurlijk kan dat niet.’
‘Waarom niet?’
‘In 1959 was ik niet geboren, dus dan kon ik toen niet jarig geweest zijn. Je bent wel een beetje dom, soms.’

Ze heeft verstand van data en jaartallen. Meer dan ik. Als je vraagt op welke weekdag 12 september 2022 valt, weet ze binnen een paar seconden te vertellen dat dat op een maandag is.
Verder is praten over data en jaartallen lastig. Net als praten over andere dingen. Ze kent veel woorden, maar weet niet altijd wat ze betekenen. Bovendien spelen er allerlei ingewikkelde zaken mee, als je met elkaar praat. De bedoelingen van de ander, bijvoorbeeld. Of het goed willen doen.

‘Hoe ging het ook alweer?’ vraag ik, terwijl ik doorga met handdoeken vouwen, ‘als 1 april dit jaar op een zaterdag valt, is het volgend jaar op een zondag?’
Ze lacht. Dit is een gemakkelijke vraag. ‘Ja,’ zegt ze, ‘Elk jaar schuift het een dag op. Behalve na een schrikkeljaar, dan schuift het 2 dagen op.’
‘Heb je zo’n trucje ook voor maanden?’ vraag ik.
‘Ik begrijp niet wat je zegt,’ zegt ze.
‘Als 1 april op een zaterdag valt, hoe weet je dan op welke dag 1 mei valt?’
Dat snapt ze. ‘Dan valt 1 mei op een maandag. April heeft 30 dagen. Na een maand met 30 dagen, schuift het 2 dagen op.’
Ik ben onder de indruk. Het lijkt ineens zo simpel, dat ik niet weet waarom ik dit zelf nooit heb bedacht. ‘Dus als een maand 31 dagen heeft, schuiven de weekdagen van de maand daarop 3 dagen op?’ vraag ik haar.
‘Ja. En februari heeft 28 dagen en daarom lijken februari en maart op elkaar.’
Natuurlijk. Na 28 dagen zijn er precies 4 weken voorbij. De eerste dag van maart valt daardoor op dezelfde dag als de eerste dag van februari.
‘Wauw,’ zeg ik.
‘Maar niet in een schrikkeljaar,’ zegt ze ter verduidelijking. ‘November heeft ook dezelfde dagen als februari en maart. November lijkt op februari en maart, maar niet in een schrikkeljaar. En mei lijkt op januari van het volgende jaar. Januari lijkt op oktober. Maar niet in een schrikkeljaar. September en december lijken ook op elkaar. Juni lijkt op niets.’
Ze pakt een handdoek van de stapel en gaat weer aan het werk.
Ik stop met vouwen.

Geïnteresseerd geraakt? Hier vind je meer informatie over het berekenen van weekdagen.

Antwoord

We staan voor de spiegel en ik heb net haar grijze haren gekamd. Meestal doet ze het zelf, soms doe ik het. Omdat haar haren alle kanten opstaan en ik ze met een beetje water in bedwang krijg. Of vanwege de aandacht die ik haar kan geven.

Met mijn vlakke hand bescherm ik haar ogen tegen de haarlak die ik spuit.
‘Dat doet de kapper ook,’ zegt ze.
‘Ja,’ zeg ik. ‘Je ziet er mooi uit.’

Ze bekijkt zichzelf in de spiegel en is tevreden. Ik sta nog met de bus haarlak in mijn hand. Ze kijkt naar de haarlak en ziet iets op mijn arm.
‘Wat is dat?’ vraagt ze.
Ik heb altijd een hekel gehad aan deze vraag. Het duurde lang voordat ik doorkreeg dat mensen niet werkelijk wilden weten wat ‘dat’ is. De eigenlijke vraag was: hoe komt dat? Of misschien wilden ze alleen zeggen: ik heb het gezien. Dit is de eerste keer dat de vraagsteller het antwoord op de vraag niet weet.
‘Een litteken,’ zeg ik.
‘Oh?’ antwoordt ze. Ze zet haar vinger aan het uiteinde van de streep die haast bij mijn pols zit en volgt de lijn tot aan mijn elleboog.
‘Ik heb er meer,’ vertel ik. De littekens horen bij me en ze is geïnteresseerd. Ik laat de andere strepen zien. Ze zijn allemaal aardig goed verborgen wanneer mijn armen naar beneden hangen.
‘Hoe komt dat?’ vraagt ze.
Ik kan vertellen over het gezandstraalde raam van de voordeur en harde wind die bomen boog alsof ze van elastiek waren, maar soms is een antwoord precies wat iemand nodig heeft.
‘Het is van vroeger,’ zeg ik.
‘Oh,’ zegt ze weer. Ze zet haar vinger nu op een haast spiraalvormig litteken. ‘Mooi.’

Van je afspoelen

Het laatste restje shampoo spoelt uit mijn haar. Ik kantel mijn hoofd naar achteren, zodat het water op mijn voorhoofd valt en zeg ‘ik weet het niet’. Ik praat zo zelden hardop tegen mezelf, dat ik ervan schrik als ik het doe.

Op mijn opleiding leerde ik hoe ik over emoties kan praten met mensen met een verstandelijke beperking. Er zijn slechts een paar emoties. Deze emoties laten zich uitstekend vangen in zwart-witte plaatjes. Een cirkel met daarin twee stippen als ogen en een gekromde streep voor de mond. Blij. Een cirkel met twee stippen, de gekromde streep nu naar beneden gericht en een traan. Droef. Streepjes als wenkbrauwen. Boos.

Het is moeilijk om over emoties te praten als je een laag IQ hebt, of autisme. Maar volgens het boekje leg ik kaarten met zwart-witte afbeeldingen voor iemand op tafel, glimlach, vraag ‘hoe voel je je?’ en ineens is er van alles mogelijk.

De beste gesprekken die ik op mijn werk heb met bewoners, voer ik niet aan tafel. Ik gebruik geen plaatjes. Er wordt niets afgebakend. Niemand hoeft van mij te zeggen of hij bang is of boos. Iedereen is bang. Ik ook. De beste gesprekken die ik voer, zijn kort. Ik zeg: het valt allemaal niet mee, he? De ander zegt: nee.

Ik heb me gewassen, maar blijf staan. Emoties, denk ik, zijn meer zoals het kleurenpalet in Paint. Ik tekende vroeger patronen in Paint en koos graag mooie kleuren uit het palet. De mogelijkheden leken oneindig. Ik kon er zelfs de helderheid van een kleur regelen. Als ik een kleur uitgekozen had, voegde ik deze toe aan ‘aangepaste kleuren’. De kleuren in dit overzichtje kon je later gemakkelijk nog eens gebruiken. Dat deed ik nooit.

Ik pak de zeep nog eens, om niet het idee te krijgen dat ik lummel. Een tweedimensionaal palet lijkt me bij nader inzien toch te beperkt. Ook als je de helderheid zelf kan regelen.

Het water blijft stromen. Als de temperatuur van het water eenmaal goed is, hoef ik niet meer aan de kraan te draaien, hoe lang ik ook blijf staan. Ik kijk naar beneden. In het afvoerputje zitten haren. Niemand stoort zich eraan, toch verwijder ik ze regelmatig.

Hoeveel bewezen dimensies zijn er inmiddels?

Zulks dankbaar werk

Ik heb leuk werk.  Ik heb zwaar werk. Ik vraag me wel eens af hoe ik de dag tot een goed einde moet brengen.

Ik werk met een groep bijzondere mensen. Ze maken me aan het lachen. Zetten me aan tot nadenken. Zingen met me. Willen liever niet dat ik er ben. Slaan me. Pakken mijn hand vast. Zijn bang voor me. Moeten mijn hulp accepteren.

De mensen waar ik mee werk, wonen in een instelling. Mijn werkgever.

De mensen waar ik mee werk, doen niet mee in de maatschappij. Dat is te moeilijk, niet in de laatste plaats voor de maatschappij.

Er bestaat een romantisch beeld van het werk dat ik doe. Iemand slaat zijn arm om een onzeker meisje met het syndroom van Down, zegt dat ze er mag zijn en ze kan er weer tegenaan. Mijn werk voldoet bijna nooit aan dit plaatje.

Gelukkig zitten mijn dagen meestal vol goede momenten. Maar wanneer het erop aankomt, volstaat het niet mijn arm om iemand heen te slaan.

Ik werk met angstige mensen. Mensen die bang zijn, kunnen boos worden.

Als ik iemand help die bang is, écht bang, lijken de geruststellende woorden die ik zeg voornamelijk aan mezelf gericht. Als ik iemand help die bang is, moet ik soms grenzen stellen. Of iemand ‘uit de situatie halen’, zoals het zo netjes genoemd wordt.

Mijn werk draait erom dit soort momenten tot een minimum te beperken. De momenten waarop een bewoner het niet meer weet, en ik soms ook begin te twijfelen. Daar waar de maatschappij ophoudt begripvol te zijn en betaalde krachten het overnemen. En zoals ik een politie-agent niet bedank voor een bekeuring, bedankt een bewoner mij niet als zo’n moment zich toch voordoet.

Dat hoeft ook niet.