poëzie #4

Wezen

Je houdt van dierlijk, beestachtig,
als een mol in mijn aarde
maar denkt dat mensen verheven zijn
Ik weet hoe het zit, bouw burchten als bevers
Mijn bed laat net genoeg ruimte voor mij

Tussen kranten en schillen
mijn huis is met schimmel gestuukt
trekbandzakken zijn dragende muren
Ramen ontstaan onder druk
Continu

Poëzie #3

Boomkor

Hoe houden vissers zich staande
op een schokkende kotter
Ogen als splinters
de vingers verkrampt
Als apparaten sorteren ze
een stroming happende platvis
schollen in scholen
op lopende band

Rubber handen strippen, snijden
smijten de levende lijken op ijs
tot een van hen grijpt
naar onverklaarbare bijvangst

In een waterdichte vuist
zit een meerman die zojuist
haast bezweek
onder het stikkende gewicht
van een natte massa vis

Het kokkelige zeewezen
beweegt zijn lippen
Zijn blik brandt
Hij slaat zijn vingers stijf
rond de gele plastic drietand
die weken geleden nog
in een portie kibbeling stak
Heft zijn arm
Vloekt en foetert
Schreeuwt onhoorbaar
Zijn keeltje rauw
Over vader, oceanen
en gevaar

Voor de vissers bestaat niets
dan razende machines
het klappen van de regen
de kermende zee en
even het gelach
over hoe dat malle zeebeest
net een ventje is

Poëzie lezen

Pretentieus stukje tekst. Nog maar kort geleden was dat volgens mij een aardig accurate omschrijving van wat een gedicht is. Totdat ik afgelopen zomer Olijven moet je leren lezen van Ellen Deckwitz las en ik anders naar poëzie leerde kijken.

Of, nee. Eigenlijk veranderde er al eerder iets.

Een paar maanden geleden schreef ik met moeite en plezier Martijn. Ik volgde les in schrijftechnieken en moest het gedicht voordragen in de klas. De poëzie-lessen vond ik een kleine gruwel, maar ik kreeg complimenten en daar ben ik gevoelig voor.

Oh, nee. Er gebeurde daarvoor ook al wat.

Afgelopen kerst kreeg ik een boekenbon en kocht Zo word je een geweldige dichter, ook van Ellen Deckwitz. Ik werd vaak iets chagrijnig tijdens de schrijflessen die aan poëzie besteed werden. Ik hield namelijk niet van poëzie. Op een zeldzaam zelfverzekerd moment dacht ik dat misschien kwam doordat ik zelf veel betere gedichten zou schrijven en schafte dat boek aan.

Nee. Het gaat toch nog verder terug.

In mijn boekenkast staan merkwaardig genoeg al jaren bloemlezingen. Ik heb ze in de loop der tijd verzameld en ze komen voornamelijk van de kringloopwinkel. Ik vond er bijna nooit mooie gedichten in. Ik heb op een gegeven moment enkele boeken weer naar de kringloopwinkel gebracht, omdat ik het gek vond zoveel poëzie te bezitten, zonder er van te houden.

Waarom bleef ik die boeken kopen? Ik dacht er niet over na, maar het lijkt erop dat ik iets zocht. Mooie gedichten. Poëzie die bij me past. Gedichten die niet voelen als een proefwerk. Poëzie die ik verstandelijk misschien niet meteen begrijp, maar op een andere manier wel.

Deze zomer leerde ik (aan de hand van Deckwitz) mijn weg een beetje te vinden. Ik leerde dat ik veel poëzie niet interessant vind. Dat betekent niet dat poëzie niet interessant is. Ik luister niet naar Jan Smit, Mozart of Prince en dat betekent ook niet dat ik muziek volledig uit mijn leven moet verbannen.

Ik leerde gedichten kennen van Martijn Teerlinck. Marieke Rijneveld. Kira Wuck. Erik Jan Harmens.

Ik leerde gedichten beter te begrijpen, door te horen hoe dichters ze voordragen. Toen ik op de middelbare school zat, was er geen YouTube (en misschien ook geen Google), dus ik snap dat het allemaal wat lastiger was in die tijd, maar waarom heeft mijn leraar Nederlands nooit eens een bandje opgezet?

Ik bezocht vorige maand Het Tuinfeest in Deventer. Ik stond er versteld van hoe leuk ik dat vond. De meeste dichters droegen een kwartier voor en voor iemand met mijn concentratie is dat fantastisch.

Volgens mij probeer ik naar een soort conclusie toe te werken, maar ik denk op dit moment zo veel over poëzie, dat het haast onmogelijk is om mijn gedachten hierover volstrekt geordend in een stukje te krijgen.

Ik eindig daarom met een filmpje van Martijn Teerlink, die Ademgebed voordraagt. Of slamt.

Martijn Teerlinck leeft niet meer. Het is raar om iemands werk te leren kennen na zijn dood, terwijl hij pas recent en zo jong gestorven is. Zijn bundel staat nu bij mijn verzamelde bloemlezingen.

De kwaliteit van de opname is aan het begin van het fragment niet erg goed, maar wordt verderop beter.

Poëzie #2

Veendam

Al mijn herinneringen zijn dichtgetimmerd
hier lopend lijkt het net of ruiten altijd van hout zijn geweest

Graffiti op geperste gevelplaten
voor bar-dancing de Barrage
waar ik dansend af bleef tellen
tot mijn vader me kwam halen

MDF voor de Chinees met kipstukjes
in de “tjap tjoy – vegetarisch”
want dat telde niet als vlees

Vroeger moest je hier nog mensen groeten
de beslipperde sokken verdwenen
Op dinsdagmiddag
lijken de huizen nu
een decor
van rood karton

Iemand zegt dat de bomen in het park zijn gekapt
Tussen struiken weggestoken plekken
losten op in overzichtelijk terrein
De ontsnappersbiotoop werd een groengemaaide vlakte
Ik begrijp meteen: het was een veldslag
vraag waar de stammen gebleven zijn

 

Poëzie #1

Martijn

De stoep was een zure mat
Als ik naar je toeliep dacht ik soms
dat je me niet echt uitgenodigd had
Dat de straat een simulatie was
constant langer werd
en onophoudelijk rekte
Jouw huis stond op de horizon
en ik kwam altijd aan

Er lag in de sloot een vogelkarkas
waarvan je later het kale skeletje
op je kamer wilde zetten
Je had dino’s, een husky
met de ogen van David Bowie,
een broer, een zus,
jullie tekeningen hingen
ingelijst

Mijn kunst was een pleister
De kamerdeur had organen van karton
Ik zag ze door gaten
die mijn vader maakte

Dat deed hij vaker