Dichters in het Donker

Over tien dagen lees ik ergens gedichten voor. ‘Wat leuk,’ zeggen de mensen. Ze hebben het verkeerd begrepen. Er is weinig leuks aan. Voornamelijk veel engs. En gênants. Wat ik schrijf, rammelt. Wat ik voordraag, hapert. De enige manier om daar wat aan te doen, is te blijven schrijven. Te blijven voorlezen. Dat is niet leuk. 

Ik denk aan de eerste keer seks. En de tweede en derde. Hoe het daarna al snel leuker werd. Misschien wordt dit niet leuker en ga ik er toch mee door.

Vragen die ik tijdens Dichters in de Prinsentuin met ‘nee’ heb beantwoord

Wil je wat drinken?
Heb je Sonja al gezien?
Moet ik een plakje cake voor je meenemen?
Is deze stoel bezet?
Vond je dit ook zo’n mooie voordracht?
Ben jij Mark tegengekomen?
Zit er iemand naast jou?
Weet jij wie hierna voordraagt?
Ben je hier met de trein gekomen?
Ben je bekend met het werk van deze dichter?
Kom je uit Utrecht?
Heb je een paraplu mee?
En jij hebt hier al eens in de loofgangen gestaan?
Is er nog een andere wc?
Zit jij nou ook bij de Arbeiderspers?

De kleding van dichters

Ik ging naar Dichters in de Prinsentuin. Ik maakte aantekeningen, omdat ik een verslag zou schrijven voor SLAG. Op mijn papier verschenen zinsdelen over dichters, over hun voordrachten. Ik schreef ook op of de zon scheen. Wat het publiek deed. Dat er een duif liep. Dingen waarmee ik de sfeer zou kunnen omschrijven. Als vanzelf wilde ik iets opschrijven over het vestje dat een dichteres droeg. Voordat mijn pen het papier raakte, bedacht ik me. Wat gek dat me dat relevant had geleken.

Ik ergerde me aan de neiging die ik had gehad. Het bleef me bezighouden. In de kantlijn schreef ik iets over de kleding van een mannelijke dichter. Als daad van verzet tegen mezelf. Zijn blauwe vest haalde uiteindelijk het verslag.

“De tweede ronde op het theeveld wordt geopend door Tonnus Oosterhoff. Oosterhoff draagt een sportief blauw jasje met witte strepen over de mouwen en ‘Uruguay’ op de rug. Zijn bril heeft hij in het haar. Het publiek luistert ademloos naar het benauwende mannengedicht over een mijnwerker uit Kentucky.”

Voorpret

Lange tijd kocht ik jaarlijks een eindejaarslot. Niet om iets te winnen, maar vanwege wat er in mijn hoofd ontstond. Ik zou een klein huis voor mezelf kopen, wat mensen blij maken en daarna zou ik me ontpoppen tot een ware altruïst. De gedachte aan mijn denkbeeldige goedheid is voldoende om tevreden met mezelf te zijn. Ik was nooit teleurgesteld over mijn verlies.

In mijn hoofd heb ik tientallen studies gedaan. Reizen gemaakt. Feestjes gegeven. Dingen georganiseerd. In het echt heb ik veel informatiepakketten aangevraagd en laten verstoffen op een plank. Ik hoef niet alles mee te maken.

Een paar maanden geleden maakte ik weer een plan. Ik besprak het met iemand. Ik besprak het plan met een ander. Ik vroeg de eigenaar van een café of ze het ook een goed plan vond. Ik vroeg iemand of ze een poster wilde maken. Ik vroeg of mensen wilden komen voordragen op mijn plan.

Er is een plan en ik kan niet meer terug. Ik vind het leuk, ik ben slecht in het houden van overzicht, ik ben een beetje bang, ik weet niet of dit stukje een gewoon stukje, of reclame is.