Wat ik bang ben te vergeten (en hoop te onthouden)

Dat er veel manieren bestaan om slim te zijn.
Dat mensen die minder weten dan ik toch vaak gelijk kunnen hebben.
Hoe je uitrekent op welke dag van de week 16 januari 2032 valt.
Hoe je kan zingen zonder schaamte.
Dat Jan Smit best leuk is na een paar uur shantykoor.
Hoe je steken op moet zetten.
Dat je niet bang hoeft te zijn voor insecten.
Hoe je een enorme zonnebloem kweekt.
Dat je trots moet zijn op kleine prestaties.
Dat kleine prestaties vaak de grootste overwinningen vergen.
Dat geluk in kleine dingen zit.
Dat contact hebben in kleine dingen zit.
Dat intimiteit in kleine dingen zit.
Wat klein en wat groot is.
Wat de waarde van een compliment is.
Dat er situaties zijn waarin je mag liegen.
Dat liegen alleen geoorloofd is in die situaties.
Dat het belangrijk is om te vieren.
Dat je slingers kan breien.
Dat je kan weten hoe iemand zich voelt door te kijken naar hoe hij zijn vork vasthoudt.
Dat ik niet altijd kan verbergen hoe ik me voel.
Dat elk brein donkere hoeken heeft.
Waar mijn donkere hoeken zich bevinden.
Dat je nooit zeker weet hoe grappig een grap bedoeld is.
Dat de boodschap niet altijd zit in wat er letterlijk gezegd wordt.
Hoe je moet luisteren.
Hoe je moet relativeren.
Wat je serieus moet nemen.
Wat je los moet laten en hoe je dat doet.
Dat vergeven met begrip te maken heeft.
Dat agressieve mensen vaak bang zijn.
Dat je geschreeuw soms het beste kan beantwoorden met een vraag.
Dat je niet zonder anderen kan, maar toch ten diepste alleen bent.
Dat je geen woorden nodig hebt om te kunnen begrijpen.
Dat dingen begrijpen soms gemakkelijker gaat als je er geen woorden voor kent.

Wat je niet zoekt

Er zijn zaken waar je niet naar op zoek bent en er zijn zaken waar je niet voor hoeft te zoeken, toch heb je binnenkort een date.

De vraag is waarom je Tinder installeert als je nergens naar zoekt, maar altijd niets doen is geen optie. Zelfs wanneer je niets te wensen hebt moeten je ogen zich ergens op richten en kunnen je handen niet altijd leeg zijn.

Soms vind je iets terwijl je ontkent dat je ergens naar zocht. Je hebt het niet opgeraapt, maar je buigt je al voorover. Het kan nog tegenvallen als je het van dichtbij bekijkt. Je weet ook niet wat je ermee moet wanneer het je aanstaat, maar je strekt een arm richting de grond.

Verlangen

Laatst sprak ik iemand die altijd een juiste hoeveelheid voorraad eten in huis heeft. Ze weet hoeveel rijst en pasta er in haar kast staat en houdt daar rekening mee als ze boodschappen doet. Het gebeurt zelden dat ze iets weg moet gooien. Dat heeft te maken met overzicht kunnen houden.

Soms leg ik een voorraad aan en dat gebeurt altijd impulsief. Ik herinner me de wraps in verschillende kleuren die Lidl eens verkocht. Ik vond ze prachtig, haalde zes pakken en gooide ze uiteindelijk allemaal weg, omdat ik nooit aan de inhoud van mijn keukenkastjes dacht als ik boodschappen deed.

Ik bedenk me pas dat ik nieuw wc-papier nodig heb als de laatste rol leeg is. En zelfs dan gebeurt het dat ik naar de supermarkt ga voor nieuw papier en alleen thuiskom met wraps. Op de een of andere manier is het wc-papier voornamelijk op als ik ongesteld ben, maar misschien zijn de situaties die ontstaan als je ongesteld bent en geen toiletpapier hebt penibeler dan de andere momenten zonder papier en onthoud ik ze daardoor beter.

Wanneer ik papierloos op het toilet zit en probeer na te denken over mogelijke oplossingen en hoe ik me zo probleemloos mogelijk naar deze oplossingen kan verplaatsen, dwalen mijn gedachten af naar de mensen die vroeger naast me zaten bij wiskunde en biologie. Ik kom ze wel eens tegen. Ze hebben huizen, zijn getrouwd, hebben kinderen, honden, verbouwingen, onbezoldigde functies en tweede auto’s. Ik begrijp niet waar ze blij van worden en waar ze naar verlangen. Ik haal mijn vreugde voornamelijk uit de gedachte dat er nog veel te behalen valt. Wanneer ik denk aan mensen met onaangebroken pakken toiletpapier, voel ik niets dan compassie.

Sex

Vanaf het moment dat ik een verkering eens vertelde dat ik alleen nog maar seks met hem zou hebben als hij seks op de juiste manier zou spellen in de berichten die hij me stuurde, had hij het alleen nog maar over met elkaar naar bed gaan, het was namelijk geen man die zich liet vertellen wat hij moest doen.

Aftellen

Ik tel de dagen tot mijn laatste werkdag af. Drieëntwintig, tweeëntwintig. Meestal tel je af naar leuke dingen. Je verjaardag. De vakantie. 

Eenentwintig. 

Vanaf het moment dat ik mijn ontslag indiende om meer te kunnen lezen en schrijven, kreeg ik het drukker. Ik vertelde de wereld wat ik wilde doen. Veel mensen vinden het een dapper besluit. Ik geloof dat zij denken dat dapper een vriendelijk woord is voor dom, of op zijn best: onverstandig. Andere mensen zijn oprecht enthousiast. Sommigen hebben werk voor me, of tips.

Ik werkte aan de aanvraag voor een stipendium. Ik droeg gedichten voor. Ik redigeerde teksten. Ik nam een fantastische opdracht aan.

Mijn nieuwe leven wacht niet tot ik de dagen afgeteld heb en ik neem intussen nog steeds de trein naar mijn werk. Mijn oude werk. Het werk waar ik van houd.

Ik ben opgevoed met het idee dat je maar van één persoon tegelijk mag houden. Of dat juist is weet ik niet. Op dit moment zijn er zaken waar ik zoveel van houd, dat ze geen ruimte laten voor elkaar. (Laat staan voor romantische liefde.)

Hoe vertel ik straks dat ik niet meer kom werken, omdat ik liever letters op papier zet? Ik kan voor mezelf nauwelijks beargumenteren dat dat belangrijker is dan wat ik nu doe, laat staan dat ik het kan uitleggen aan de mensen waar ik voor zorg.

Twintig.

Hij heeft een moeilijke dag achter de rug, maar heeft een vrolijk moment.
‘Als ik aan iemand zou vertellen hoe je eruit ziet, zou ik zeggen dat je twee benen hebt.’
‘En?’
‘En een buik.’
‘Jij hebt ook twee benen en een buik. Eigenlijk lijken we best op elkaar.”
Hij kijkt naar me, lacht dan hardop en knikt. We lijken in niets op elkaar.
‘En we hebben allebei haar op ons hoofd,’ zeg ik, hoewel hij geen vlecht heeft en ik geen blonde stekels .
‘Ja, maar ik vertel niet over je haar.’
‘Waarom niet?’
‘De mensen moeten ook wat te ontdekken hebben.’
Ineens is hij rustiger. Hij laat zich achterover zakken in zijn stoel en bekijkt me weer, maar nu met aandacht. Hij zoekt naar iets. Iets wat de mensen aan me kunnen ontdekken.
Ik houd me stil.
‘Hoe kleine oortjes dat je hebt,’ zegt hij en wijst naar de zijkant van mijn hoofd, ‘want je hebt maar marmottenoortjes.’

Negentien.

Invloed

Ik troost mezelf met de gedachte dat ik altijd alleen zal blijven. Als ik niemand iets verschuldigd ben, ben ik dat ook mezelf niet. 

Toen ik net alleen was, hoorde ik van alle kanten dat ik niet meteen weer een relatie moest beginnen. Dat ik eerst een tijd eenzaam hoorde te zijn. Mezelf moest vinden. Ik heb vaak iemand gemist. Dat doe ik soms nog, maar inmiddels geloof ik niet meer dat dat iets te betekenen heeft.

De mensen die me waarschuwen voor seks zonder betekenis zien de waarde niet in van een exact afgemeten hoeveelheid bevestiging krijgen. Ze weten niet welke verhalen ongemak oplevert. Wat dat betreft kan je beter knokig in elkaars armen liggen terwijl je het beiden niet meent, dan ontdekken dat jullie lichamen (ook als jullie geen seks hebben) perfect in elkaar passen.

Als ik iets leuks moet vertellen over mijn langste relatie, vertel ik graag over hoe hij me toestond om voor onze vakantie naar Parijs de hotels met de slechtste beoordeling te boeken. Er is genoeg te beleven in Parijs, als je maar de moeite neemt om goed te zoeken.

Vorige week hoorde ik dit gesprek: 
“En toen gingen we naar Simplon en daar hebben we gezoend.”
“Het was in Vera.”

In het afgelopen jaar heb ik een narratief ontwikkeld dat ik met iedereen deel, maar aan niemand toevertrouw.

Ik weet niet of ik nog met de waarheid kan leven.

Mijn allereerste blogstuk

Bij het opruimen vond ik in een snelhechter mijn eerste blogstuk terug. Ik begon een blog toen ik de lerarenopleiding Nederlands in Leeuwarden deed en me eenzaam en afgesloten van mijn Grunneger vrienden voelde.

Iemand heeft lang geleden het volledige archief van mijn eerste blog uitgeprint. Daar ben ik geïrriteerd over geweest, inmiddels ben ik er blij mee. Alles is er nog.

Over een paar dingen aan het stukje blijf ik nadenken:

1.
Ik wilde opruimen op mijn vrije dag. Dat voornemen herken ik nog steeds. Heb ik het me ooit niet voorgenomen? Heb ik het ooit werkelijk gedaan?

2.
Ik noem iemand bij zijn echte naam. In latere blogstukjes vertel ik over hoe gemeen mijn ex is. Ook hem noem ik bij zijn echte naam. 

3.
Na de inspiratieloze poëzielessen op de middelbare school was er voor mijn ontluikende interesse voor poëzie weinig meer over. Dit was mijn toenmalige proza.

Notitie

Even was ik bang dat ik al mijn aantekeningen kwijt was toen mijn telefoon stierf. Gelukkig bleken ze ergens centraal opgeslagen. Ik las ze terug. Sommige notities vind ik nuttig. Van andere begrijp ik niets meer.

En er zijn aantekeningen waarvan ik graag wil weten wat ik deed op het moment dat ik ze schreef. Bijvoorbeeld:

Bakjes pinda’s op een swingersfeest bij iemand thuis.

Weggespoeld

Ik zeg soms dingen waarvan ik niet weet of ik ze meen, zoals: als deze telefoon stuk is, neem ik geen nieuwe smartphone.

Gisteren hoorde ik op mijn werk iets in de wc vallen. Mijn hersenen registreerden de plons pas op het moment dat ik al doortrok. Toen ik in de pot keek, zag ik een golf water boven de afvoer bruisen. Een halve seconde lang was ik opgelucht, want ik zag alleen maar water. Tot de golf in de afvoer verdween en mijn telefoon onthulde.

Er was geen paniek. Ik pakte mijn mobiel uit het water, droogde hem vluchtig met een handdoek en drukte een knop in. De telefoon werkte en viel meteen weer uit.

Dat komt nog wel goed, dacht ik. Daarna las ik dat je een telefoon die in het water is gevallen zo lang mogelijk moet laten rusten, om kortsluiting te voorkomen.

In de trein op weg naar huis dacht ik over wat ik zou gaan missen. WhatsApp. De werkgerelateerde WhatsApp-groep. De andere werkgerelateerde WhatsApp-groep. De WhatsApp-groep over met zijn allen naar de film gaan, terwijl we überhaupt nooit ergens met zijn allen naartoe gaan. Goede gesprekken met vrienden. Gesprekken met mannen die ik nooit gezien heb. Als zij denken dat ik relevant ben, hebben ze mijn nummer.

Ik dacht aan Twitter. Aan Facebook. Aan websites die ik graag bezoek. Ik dacht aan de laptop die ik thuis heb staan en uitstekend kan gebruiken voor deze dingen.

Ik pakte een boek uit mijn tas. Ik was er vorige week in begonnen en had het nog niet weer geopend. Het was een van mijn lievelingsboeken op de middelbare school. Ik las over Johannes. Hij ontmoette Hein en hoorde hoe Hein antwoordde op de vraag hoe het met hem ging.

– ‘Druk, druk!’ – zeide de lange man en wischte zich het koude zweet van het beenige, bleeke voorhoofd.

Ik begreep het. Het was nog maar 1884, maar de Dood heeft nooit stilgezeten.

Tussen het station en mijn huis miste ik mijn oordopjes. Ik sluit me graag af, maar had nu geen muziek meer.

De geluiden van de stad zijn clichés. Brommers, studenten die een lied zingen, het krik-krak-krik-krak van iemand op een fiets die het bijna begeeft. Ik kan hier aan wennen, dacht ik. Iets later, toen ik romantische muziek hoorde en een huis inkeek waar ik twee mensen lief op een salontafel zag dansen, leerde ik wat je mist als je blik de geluiden om je heen niet kan volgen.

Ik heb geen Tinder meer, besefte ik toen. Alle matches, alle leuke gesprekken en alle mooie mannen zijn weg. Alle grappige mannen zijn weg. Alle slimme mannen zijn weg. Ik heb geen van de matches ooit ontmoet. Een hoop mogelijkheden waren me ontnomen. Even vond ik het jammer. Daarna bedacht ik dat het leven me genoeg beloftes doet.

Blauwe plekken

1.
In de kelderbar van Vera speelde ik een potje tafelvoetbal zonder handen. Mijn tegenstander en ik bedienden de stangen met onze heupen. Om te schieten plaats je je heup of bil tegen de stang (die je normaal gesproken met je handen bedient) en maakt een op- of neergaande beweging. Om de pionnen te verplaatsen, geef je met je heup een duwtje tegen de stang. Je hebt elkaars hulp af en toe nodig om de stang weer terug te krijgen, als deze volledig naar de kant van de tegenstander geduwd is.
Ik won.
Twee dagen later zaten mijn heupen vol blauwpaarse stippen en vegen. Ik denk dat het er wel dertig waren.

2.
Lang geleden besloot ik eens met blote benen naar buiten te gaan. Ik deed dat anders nooit, omdat ik me schaamde voor mijn lichaam.
Het voelde bevrijdend, al voordat ik de deur uit was.
Mijn vriend zag mijn schenen en zei dat hij zo niet met me over straat wilde. Mensen zouden kunnen denken dat hij mishandelde. Ik trok een panty aan.

3.
Ik volg sekswerkers op Twitter. Ze vertellen over hun werk. Over de leuke kanten, maar ook over de vooroordelen waar ze mee te maken hebben.
Ik leer van ze.
Tussen de werkgerelateerde foto’s zitten soms foto’s van forse bloeduitstortingen. Opzettelijk aangebracht. De eerste keer dat ik dit zag, schrok ik. Inmiddels kijk ik soms in de spiegel en denk: dat is een mooie blauwe plek.