Exen

1.
Iemand stuurde een bericht omdat hij met me wilde praten. Hij had vragen en wilde zijn excuses aanbieden. Ik had het druk, zei dat ik het prima vond om eens af te spreken, maar dat ik daar later op terug zou komen.
Toen ik het niet druk meer had, kreeg ik het letterlijk benauwd als ik eraan dacht om met aan een tafeltje te zitten. Ik overlegde.
‘Je moet niet iets doen als je het niet wil,’  zei de een.
‘Spreek met hem af als je denkt dat hij zich daar beter door voelt. Het is een kleine moeite,’ zei de ander.
‘Je moet nu wel iets van je laten horen,’ zei een derde.

2.
Een vriendin was iemand tegengekomen. Hij zag er oud uit, vertelde ze. Ik ben behoorlijk rancuneus van aard, maar hoopte dat het goed met hem ging.
De laatste keer dat ik hem zag was ik 20 kilo zwaarder dan toen we uit elkaar gingen. Ik  liep met gebogen hoofd en hoopte dat hij me niet opmerkte. Pas toen hij me aankeek, groette ik hem. Het duurde een paar seconden voordat hij doorhad dat ik het was, ik zag dat hij schrok, hij had me niet herkend toen hij me aankeek.

3.
Iemand stuurde een berichtje vanaf de camping waar onze relatie eindigde. Ik vroeg hem of de wifi er inmiddels werkt.

Schuursponsjes

Ik pleit voor het uitbrengen van een naslagwerk voor mensen die zichzelf gemakkelijk verwaarlozen, een boek met tips over hoe te leven en dat boek is niet gevuld met de tips die mijn vrienden me soms schoorvoetend geven, zoals ‘bel de dokter’ maar met praktische raad als: Amazing Oriental heeft zilver- en goudkleurige schuursponsjes en het maakt niet uit hoe lang je je de toestand van je keuken hebt genegeerd, met deze schuursponsjes krijg je alles schoon.

Ongesteld

Zo’n vijf dagen voordat ik ongesteld moet worden, verander ik in een labiele vrouw. Een boze, huilende vrouw. Doordat ik jarenlang de prikpil kreeg weet ik dat pas sinds kort. Het probleem openbaarde zich pas na het stoppen met de prikpil en het duurde even voordat ik een verband legde tussen mijn gedrag en mijn cyclus.

Mijn vriend en ik hebben afgesproken dat we samen een bak veganistisch ijs van Ben & Jerry’s eten als ik ongesteld moet worden. Dat zorgt ervoor dat ik niet wekelijks zo’n bak koop. Toen we laatst in de supermarkt waren om ijs te halen, bedacht ik dat ik ook chips wilde.
‘Ik heb zin in chips,’ zei ik toen we voor de vriezer stonden.
‘We zouden ijs eten,’  zei Oscar.
‘Ik wil ook chips,’  zei ik.
‘Dan kies je maar.’
Er valt iets voor te zeggen om geen ijs en chips te eten op dezelfde avond, maar ik vond het onredelijk.
‘Ik kan niet kiezen,’ zei ik.
‘Kom op.’
Oscar liep van me weg, richting de groente. Ik liep achter hem aan.
‘Liefje, ik kan echt niet kiezen.’
‘We kopen chips of ijs,’ zei Oscar. ‘Niet allebei.’
Meestal heb ik behoefte aan duidelijkheid, maar er zijn momenten waarop ik het niet kan verdragen dat iemand me vertelt wat ik moet doen.
‘Dan wil ik allebei niet.’
Oscar pakte een paprika en zuchtte.
‘Ik meen het,’ zei ik. ‘Ik kan echt niet kiezen. Kies jij maar.’ 
‘Nee,’ zei Oscar.
‘Dan kopen we allebei niet,’ zei ik. ‘Dan eten we vanavond niets lekkers.’
‘Prima.’ Oscar had alle ingrediënten voor het avondeten inmiddels in het mandje verzameld en liep weg om af rekenen.
‘Nee wacht!’ riep ik. ‘Ik wil toch chips.’
Ik rende naar het chipsschap en was net op tijd weer bij de kassa.

Thuis huilde ik omdat ik toch liever ijs had gekozen.

Zonder Twitter

Het is een verhaal dat te vaak verteld wordt: iemand is verslaafd aan social media, besluit offline te leven en heeft een openbaring. Er blijken meer minuten in een dag te zitten dan gedacht.

Ik stopte (voorlopig) met Facebook en Twitter. Ik merk nu pas hoe sterk Twitter er voor zorgde dat ik dacht in korte boodschappen die ik direct online zette. Daarmee was ik die korte boodschappen meteen kwijt, ze hadden geen tijd om te rijpen. Nu zit mijn hoofd vol zinnen die ik niet kwijtraak. Dat lijkt me goed.

Vorige week heb ik meer vrienden gezien dan normaal gesproken in een maand. Ik weet niet of er een verband is met de Twitterstop. Het was leuk en vermoeiend.

Ik mis de online aandacht, maar ik voel me niet eenzaam. Ik denk dat dat betekent dat ik zonder die aandacht kan.

Wat ik ook mis, is bezoekers naar mijn blog lokken. En het delen van dingen waar ik blij van word. Zoals: Joram Krol maakte fantastische foto’s van me. Ga ze bekijken.

De zorg

1.
Ik droom over de mensen met wie ik eerder heb gewerkt. De jongen die me afgelopen zomer aanviel komt voor in de nachtmerries die ik steeds minder heb. Ik mis de mensen die ik achterliet toen ik vorig jaar mijn baan opzegde nog. Ze komen voor in fijne dromen.

2.
Ik begeleid nog mensen. Er is iemand die wekelijks opzag tegen het moment dat ik kwam. Het duurde zo lang dat ik me afvroeg of het nog zou veranderen.
Vandaag ontving ik via WhatsApp een link naar een Marktplaatsadvertentie.
‘Wat een mooie auto,’ zei ik. Ik meende het, want het was een oude, mintgroene auto.
Ik wist niet wat ik verder moest zeggen. We hebben het vaak over auto’s en dat komt niet doordat auto’s mij interesseren.
‘Voor jou uitgezocht.’
‘Je hebt goed door wat mijn smaak is.’
‘Ja. Ik vind snelle auto’s mooi. Jij Zweedse auto’s.’

3.
Ik deactiveerde Facebook en Twitter en had ineens het geduld en de tijd om Zomergasten uit te kijken. Eerder deze week las ik dat iemand het jammer vond dat Romana Vrede zo vaak over haar zoon met autisme sprak. Ik vond dat ze prachtig over haar zoon sprak. Ik vond dat ze prachtig over moeder van haar zoon zijn sprak.
‘Ik denk dat iedereen wil meedoen,’ zei Vrede. ‘Niemand wil er aan de zijkant een beetje bijhangen.’
Nu ik het uitschrijf lijkt het een open deur.

Buurman Bertram – of hoe ik mijn grenzen beter leerde kennen

Buurman Bertram zegt dat hij uitvinder is. De wanden van zijn kleine woonkamer zijn bedekt met doorzichtige ladenkastjes vol metalen onderdelen die hij ooit nog ergens voor gaat gebruiken. Het uitvinderschap definieert Buurman Bertram zo sterk, dat hij het noemt als hij zich voorstelt. “Hallo, ik ben Bertram. Ik ben uitvinder.”

Buurman Bertram kleedt zich altijd alsof hij op safari gaat. Of alsof hij klaar is voor een visweekendje met vrienden. Hij draagt beige afritsbroeken die, afhankelijk van het weer, kort of lang zijn, en draagt daarboven meestal een groen T-shirt met daarover iets dat zich het beste laat omschrijven als een beige gilet met veel vakjes, waarvan ik denk dat ze net zo vol zitten als de ladenkastjes in zijn woonkamer.

Buurman Bertram heeft een scharnier uitgevonden. ‘Nou zeg jij natuurlijk: scharnieren bestaan al,’ begint hij zijn verhaal over zijn uitvinding meestal, ‘maar een scharnier als dit is er nog niet. Dit scharnier is zo soepel en dit scharnier beweegt zo fijn, dat we lachen om onze huidige scharnieren zodra dit scharnier op de markt is.’

Buurman Bertram heeft een muur vol deuren en ramen die nergens naar leiden. Hij gebruikt ze om scharnieren te testen. In het midden van de muur zit een grote voordeur, daaromheen kastdeuren, een koelkastdeur en kleine kiepraampjes. Als Buurman Bertram gefrustreerd is, slaat hij zo hard met zijn wanddeuren dat mijn muren ervan trillen.
Als je bij Buurman Bertram op bezoek gaat, wijst hij de twee rode keukenkastdeuren aan, vraagt je ze te openen en te sluiten, en verlangt dan van je dat je zegt dat je duidelijk merkt dat het linkerdeurtje soepeler opent en sluit.
‘Dat komt door mijn uitvinding,’ zegt hij dan.

Buurman Bertram vertelt graag over patenten en octrooien. Er is geen patent op het scharnier aangevraagd, daar is Bertram nog mee bezig. Het valt niet mee ergens patent op te krijgen, vertelt hij vaak. En hoewel Bertram er graag over vertelt, is het te ingewikkeld om uit te leggen wat het probleem nu eigenlijk echt is. Dat het iets te maken heeft met grote jongens en de bank is wel duidelijk. Dat Bertram denkt dat de rechter, misschien uiteindelijk zelfs het Europees Hof er iets over zal zeggen ook.

Ik spreek Buurman Bertram weinig. Hij doet wel eens een toenaderingspoging, maar ik heb al genoeg vrienden en ook in mijn kennissenkring is eigenlijk geen ruimte voor hem. Buurman Bertam vroeg wel eens of ik koffie wilde komen drinken en ik zei dan altijd dat ik het te druk had. Als ik in de tuin zit, vraagt Buurman Bertram of ik last heb van de overhangende takken van de appelboom. Ik zeg dan altijd dat het niet zo is. Soms vraagt hij dan nog of ik ook een biertje wil, hij heeft nog koud staan. Ik bedank dan vriendelijk en ga vaak maar binnen zitten, ook al is het warm genoeg om tot laat in de tuin te zitten. Binnen is Buurman Bertram niet.

Een paar maanden geleden werd er om vijf over voor tien ‘s avonds aangebeld. Het was donker buiten, het waaide hard en Buurman Bertram wilde me iets vragen.
‘Heb je toevallig een nieuw elektrisch apparaat?’ vroeg hij me.
‘Nee’, zei ik.
‘Mijn radio stoort,’ zei Buurman Bertram. Hij hield een rode transistorradio vast, er stak een meterslange antenne uit. Buurman Bertram stak de radio de lucht in en begon heen en weer te lopen op mijn stoep.
‘De afgelopen dagen stoort de radio steeds. Elke avond om tien uur. En als ik hier loop, merk ik dat het bij jou vandaan komt.’
‘Ik heb niets nieuws in huis,’ zei ik.
‘Iedere avond rond tien uur hoor ik ruis op de radio,’ zei Buurman Bertram. ‘Wat doe je ‘s avonds rond tien uur?’
‘Niets,’ zei ik.
‘Jouw keuken is toch achter in je huis? Ik heb de indruk dat de storing daar vandaan komt. Mag ik even kijken?’
Buurman Bertram deed een stap naar voren en ik sloot de voordeur gauw zo ver dat Buurman Bertram niet naar binnen kon stappen.
‘Ik heb hier geen tijd voor,’ zei ik. ‘Ik ga slapen.’

Twee weken later vierde ik mijn verjaardag. Het huis was zo vol, dat ik met een deel van de visite in mijn slaapkamer zat. We hadden veel gedronken en voerden ernstige gesprekken.

Rond een uur of een werd er aangebeld. Ik wilde opstaan om open te doen, maar wat vrienden die in de woonkamer zaten waren me voor. Ik hoorde ze lang praten bij de voordeur. Na een minuut of tien kwam een vriendin van me de slaapkamer in om te vertellen dat ze kennis hadden gemaakt met een aardige buurman, Bertram, dat hij aan had gebeld om te vertellen dat iemand zijn fietslampje had laten branden, dat hij zo vriendelijk was geweest om hem uit te doen en dat hij dacht dat hij daarom wel een biertje had verdiend. Meteen na deze mededeling spoedde mijn vriendin zich naar de woonkamer, om een biertje te drinken met Buurman Bertram.

‘Ik ga even in de woonkamer kijken’ zei ik tegen de slaapkamervisite.

Al op de gang hoorde ik Buurman Bertram hard lachen, harder dan alle visite bij elkaar, harder dan Kendrick Lamar die over de radio klonk. Ik voelde een woede opkomen, maar besloot het rustig aan te pakken.

Buurman Bertram zat wijdbeens op een stoel. In zijn rechterarm had hij bier vast, zijn linkerarm had hij uitgespreid over de eettafel waar hij naast zat Ik ging tegenover hem zitten. De kamer viel stil, maar Bertram sprak door. Over scharnieren, natuurlijk. Ook toen iedereen mijn kant opkeek, bleef Bertram doorpraten over zijn uitvinden. Na een minuut had hij door dat er meer op mij gelet werd dan op hem. Hij keek me even aan, moest hard lachen en zei tegen de rest: ‘moet je haar nou zien zitten, ze wil helemaal niet dat ik hier ben!’
‘Meen je dit nou?’ vroeg ik, ‘zit je nou in mijn huis mijn bier te drinken en recht in mijn gezicht te lachen, omdat je het grappig vindt dat je hier zit, terwijl weet dat je niet welkom bent?’

Buurman Bertram hield een glimlach. De slaapkamervisite kwam de woonkamer ingelopen.
‘Ik ga al,’ zei Buurman Bertram.
‘Nee,’ zei ik. ‘ Mijn vrienden hebben gezegd dat je wat mocht drinken en jij wil hier kennelijk heel graag zijn, dus je blijft zitten en je drinkt je bier op. Daarna ga je.’
Buurman Bertram dronk de fles Grolsch leeg terwijl niemand in de ruimte nog maar een woord durfde te zeggen. Toen stond hij op, bedankte me en liep de kamer uit.

Ik liep naar de laptop om andere muziek op te zetten, Gold, Spandau Ballet, en draaide de volumeknop ver open.


Dit verhaal las ik voor tijdens de presentatie van het festivalmagazine van poëziefestival Dichters in de Prinsentuin, dat volgend weekend in Groningen plaatsvindt.

Het huis van mijn broer VII

Floris vertelde dat hij zijn PlayStation aan Sandra geleend had. Ik had het druk en besloot om langs te gaan op de dag dat ze zou verhuizen. Dan kon ik in de gaten houden of de verhuizing normaal verliep en meteen naar de PlayStation vragen.

Op de avond voor de verhuisdag stuurde ik Sandra een bericht.
‘Morgen kom ik langs om post op te halen.’
Sandra reageerde binnen vijf minuten.
‘Vanaf maandag ben ik weg, dan kan je langskomen voor de post.’
Een minuut later kreeg ik nog een bericht.
‘Er is namelijk geen nieuwe post.’
‘Bedankt,’  schreef ik terug, ‘maar ik kom toch even. Ik moet namelijk ook wat spullen van Floris meenemen.’
Het duurde even voordat ik een reactie kreeg.
‘Moet dat per se morgen?’

Ik besloot de volgende dag zo vroeg mogelijk langs te gaan.

Toen ik opstond bleek dat Sandra me om drie uur ’s nachts nog een bericht had gestuurd. Ik het bericht vroeg ze welke spullen ik op moest halen en wat ik in vredesnaam te zoeken had in het huis van een ander. Ik antwoordde dat ik eraan kwam.

Om half negen stond ik voor de deur van het huis van mijn broer. Ik stak mijn sleutel in het slot, draaide hem naar links en wilde de deur openen. De deur bleek potdicht te zitten, kennelijk had Sandra de deur gebarricadeerd.

Ik probeerde aan te bellen, ik klopte op het raam en belde Sandra. Ze reageerde niet. Na vijf minuten gaf ik het op en stuurde haar een bericht.
‘Sandra, ik kan het huis niet in. Als je me niet binnen laat, moet ik de politie bellen. Dit lijkt me allemaal niet handig als je beveiliger wil worden.’

Ik belde Floris en vroeg hem om Sandra een bericht te sturen waarin hij zei dat ze me binnen moest laten. Het leek me handig om dit te kunnen laten zien als ik de politie echt zou bellen. Floris stuurde Sandra meteen een bericht waarin hij zei dat ze voor elf uur de deur voor me moest openen.

Om de tijd te overbruggen ging ik naar mijn werk. Ik klaagde eerst een kwartier tegen mijn collega, die het verhaal wel vermakelijk leek te vinden. Om half twaalf pakte ik mijn telefoon om te zien of Sandra gereageerd had. Dat had ze niet, al zag ik wel dat ze mijn bericht gelezen had. Ik belde Sandra weer en deze keer nam ze op.

‘Wat is er in vredesnaam aan de hand?’ vroeg ik.
‘Dat kan ik jou beter vragen,’ zei Sandra bits.
‘Waarom laat je mij het huis niet in?’ vroeg ik.
‘Ik heb de deur altijd op slot, tegen de dieven.’
‘Onzin,’ zei ik.
‘Ik wil ’s ochtends geen bezoekers in mijn huis,’  zei Sandra. ‘Juist jij zou moeten weten hoe belangrijk dat is als je ’s nachts pas laat gaat slapen.’
De logica van deze opmerking ontging me, maar de manier waarop Sandra tegen me sprak stond me niet aan.
‘Jij mag wel even denken om je toon,’  zei ik. Ik voelde hoe ik rood werd en durfde niet in de richting van mijn collega te kijken, die vlak naast me zat.
‘Mijn toon? Jij mag zelf wel even denken om je toon,’ zei Sandra.
‘Wie denk je wel niet dat je bent?’ zei ik. ‘Je hebt het nota bene aan mij te danken dat je nog in dat huis mocht wonen. Ik wil niet dat je op deze manier tegen me spreekt.’
‘Ik praat altijd zo,’ zei Sandra.
‘Dan praat je tegen mij maar anders,’ antwoordde ik. ‘Ik fiets nu naar het huis van Floris en je laat me binnen.’

Nadat ik op had gehangen durfde ik mijn collega nog steeds niet goed aan te kijken.
‘Ik ben zo terug,’ zei ik. ‘Ik ben even naar het huis van Floris.’

Binnenkort verschijnt Het huis van mijn broer VIII.
Eerder verschenen Het huis van mijn broer I, II, III
, IV, V en VI.

Uitgesteld

Vandaag gaf ik voor het eerst poëzieles aan een klas met laaggeletterde mensen. Ik vond het eng, de klas vond het leuk. De leerlingen schreven prachtige dingen. Over iets meer dan twee weken begint Dichters in de Prinsentuin, waar ik de productie voor doe. Ik bel, ik mail, ik bezoek en ik werk in een Excelbestand. Af en toe raak ik af en toe in een kleine paniek die snel weer verdwijnt. Komend weekend ga ik naar een festival. Waarmee ik maar wil zeggen: wegens drukte verschijnt Het huis van mijn broer VII een week later. 

Het huis van mijn broer VI

Natuurlijk reageerde Sandra niet. Ik zag aan de blauwe vinkjes dat het bericht dat ik gestuurd had binnen een uur gelezen was, maar zelfs een dag later had ik nog geen reactie van Sandra. Misschien was ik wat voorbarig met mijn verzoek om de sleutel, de maand was nog maar voor de helft voorbij.

Floris maakte zich geen zorgen.
‘Voor het einde van de maand is ze vertrokken. En anders betaalt ze gewoon een extra maand huur.’
‘Heb je überhaupt al huur van haar ontvangen?’ vroeg ik.
‘Sandra vertelde dat ze even geen werk had,’ vertelde Floris. ‘Ze werkt nu om aan het eind van de maand alle huur in een keer te kunnen betalen. Ik heb met haar afgesproken dat ze voor deze maand maar een halve maand huur betaalt.’
‘Gaat ze eerder uit je huis?’
‘Nee, maar ze was boos omdat Chris in mijn huis komt wonen. Ze zei dat ik me niet aan de afspraken hield, dus ik ben coulant geweest.’
‘Zij is degene die zich niet aan afspraken heeft gehouden,’ zei ik.
‘Ik wil gewoon graag mijn geld.’

Een paar dagen was ik in het huis van Floris om een sleutel aan Chris te geven. Ik had Sandra vooraf een bericht gestuurd om haar van mijn bezoek op de hoogte stellen. Ze had niet gereageerd en was niet in het huis toen Chris en ik er waren.
‘Het is een beetje een rommel,’ zei ik. ‘Als Sandra weg ik zal ik opruimen.’
We liepen naar de slaapkamer van Floris, waar Chris tijdelijk zou gaan wonen.
‘Ik denk dat ik toch maar wacht tot Sandra verhuisd is,’ zei Chris. ‘Dan kan ik in haar kamer. Ik vind het niet erg om in Floris zijn kamer te leven, maar ik heb er geen zin in om hier rond te lopen als ik ongewenst ben.’
Ik had begrip voor de beslissing van Chris om tot het einde van de maand te wachten met verhuizen, maar vond het jammer dat er geen extra toezicht op Sandra was.

Ondertussen bleef Sandra stil. Wel veranderde ze bijna dagelijks de foto die ze op WhatsApp gebruikte. Als ze er niet voordelig opstond, zoomde ik in op haar gezicht, maakte een screenshot en stuurde deze naar Floris. 

Ik vroeg Floris of hij nog contact met Sandra had. Hij hoorde ook niets van haar. Chris had wel met Sandra gesproken. Floris had Chris haar nummer gegeven en hij had Sandra gebeld. Ze was heel vriendelijk geweest en wilde eigenlijk alleen maar weten wanneer Chris van plan was te verhuizen. En ze had hem verteld dat ze een nieuwe woning had, over drie dagen zou ze vertrekken.
‘Over drie dagen? Is het niet gek dat ze ons dat niet vertelt?’
‘Ik heb geen tijd om steeds contact met haar te hebben,’ zei Floris. ‘Het is wel even goed zo.’
‘Dit is niet normaal, hoor.’
‘Ik weet het,’ zei Floris. ‘Maar Chris heeft goed contact met Sandra nu. Ik denk dat ze de sleutel wel aan hem geeft en Chris heeft ook beloofd dat hij Sandra naar de PlayStation vraagt voordat ze weg is.’
‘Floris, over welke PlayStation heb je het? Die had je toch met je meegenomen?’
 

Over een week verschijnt Het huis van mijn broer VII.
Eerder verschenen Het huis van mijn broer I, II, III
, IV en V.

Het huis van mijn broer V

Even overwoog ik Sandra te vragen wat ze met Chris zou willen bespreken, maar ik voorzag een vijandige discussie en wist toch al dat ik het telefoonnummer van Chris niet aan haar zou geven, dus ik antwoordde dat ze het maar aan Floris moest vragen. ‘Tot morgen,’ voegde ik er aan toe.

Ik sliep slecht die nacht. Floris had zijn beddengoed verschoond voordat hij naar het buitenland vertrok, dus ik besloot dat ik in zijn bed verder zou kunnen slapen zodra de ketelmonteur er was. 

Het was stil in het huis van mijn broer. Toen ik langs de deur van Sandra’s kamer liep, blafte de hond. Ik hoorde een mannenstem fel tegen de hond zeggen dat hij stil moest zijn. De hond luisterde. Kennelijk logeerde de vriend van Sandra bij haar. Ik wist dat Floris daar geen voorstander van was.

Op de kamer van Floris viel me eerst een wasrek vol dameskleding op. Daarna zag ik zijn bed, het lag vol spijkerbroeken, kleine roze hemdjes en verwassen katoenen strings in allerlei kleuren. Ik wilde naar Sandra’s kamer lopen, haar wakker maken en haar vragen hoe ze het in haar hoofd had gehaald de kamer van Floris te gebruiken, maar omdat ze zo tegen Floris tekeer was gegaan en haar huur op had gezegd, dacht ik dat het verstandiger was om neutraal te blijven, voor het geval dat ze de komende tijd nog wat geks van plan was.

Ik pakte net een tas om haar kleding in te doen, toen mijn telefoon ging.
‘Met Erik van de Energiewacht,’ klonk het. ‘Ik sta voor de deur, maar er doet niemand open.’
Ik liep naar de voordeur en zag dat het koord van de trekbel los langs de muur hing. Er miste een onderdeel. Waarschijnlijk had er sinds het vertrek van Floris niemand meer aan kunnen bellen.
‘Sorry,’ zei ik tegen Erik van de Energiewacht. ‘Ik wist niet dat de bel kapot was.’

Ik liet de man zien waar de ketel hing en ging verder met het opbergen van de kleding op Floris’ bed. Onder de kleding bleek een dekbed zonder overtrek te liggen. Ik wilde deze met de tas vol kleding naar de gang brengen, maar toen ik het dekbed wegpakte, zag ik dat Floris zijn dekbed er niet onder lag. Wel zag ik zijn dekbedovertrek in een propje tussen de kussens liggen. Ik was te moe om na te denken over wat hier gebeurd was.  Ik maakte het bed op en ging slapen. 

Ik werd wakker van een discussie die Sandra met haar vriend had. Eigenlijk had haar vriend vooral een discussie met haar. Ik hoorde hem dingen zeggen als ‘dat had jij moeten regelen’ en ‘daarom ben ik gewoon hier thuisgebleven’. Ik stond op, keek even bij de ketemonteur, die al aardig opschoot, en ging toen naar de wc. In de badkamer bleek het niet alleen een enorme chaos, het stonk er ook alsof de kleding die er op de vloer lag gedragen was tijdens een survivalweekend. Bovendien bleek de vriend van Sandra een eigen bakje op het plankje onder de spiegel te hebben. Er stonden diverse spuitbussen Axe in, een tandenborstel en een scheerapparaat.

Sandra liep de gang op.
‘Hoi Jirke,’ zei ze opgewekt. ‘Wij gaan even weg, dus de hond blijft op de gang. Niet op de kamers laten, hoor. Ze bijt alles kapot.’
Ik was zo verbaasd over hoe normaal Sandra deed, dat ik ook deed alsof er niets bijzonders aan de hand was.
‘Oké,’ zei ik. 
Ik herinnerde me dat Floris had gezegd dat Sandra in september aan een opleiding tot beveiliger wilde beginnen. Koelbloedig was ze in elk geval wel.

Toen ik weer in de kamer van Floris was, zag ik pas dat zijn opbergboxen scheef onder het bed stonden. Die zou Floris nooit zo neerzetten, dacht ik. Tegelijkertijd wilde ik me er niet meer mee bezig houden. Deze maand nog, dan was Sandra weg. 

Die dag zag ik Sandra niet meer, dus stuurde ik haar maar weer een berichtje.
‘Ik hoorde dat je gaat verhuizen. Wanneer kan ik langskomen voor de sleuteloverdracht?’

 

Over een week verschijnt Het huis van mijn broer VI.
Eerder verschenen Het huis van mijn broer I, II, III
 en IV.