Terugvinden

Ik woon tussen dozen. Opruimen en inpakken was een confrontatie met hoe slecht ik voor mezelf heb gezorgd, het viel niet mee, het valt niet mee, gelukkig word ik goed geholpen.

Mijn therapeut vertelde over zijn vakantie in Litouwen, liet me foto’s zien van oude gebouwen die gerenoveerd werden door mensen voor wie de geschiedenis van hun land weer belangrijk werd.

Ook dat gebeurde tijdens het opruimen, dacht ik toen ik naar zijn verhalen luisterde. Ik vond terug wat ik verwaarloosd had: festivalbandjes, een doosje met prullen van iemand met wie ik samenwoonde, kinderachtige sieraden die ik te lang gedragen heb, schriften met aantekeningen, een spaarpotje.

Ik heb een geschiedenis en een nieuwe plek waar alles kan gebeuren. Het komt goed.

Vakantie, verhuizen

Ik wilde niet op vakantie, omdat er thuis nog veel moest gebeuren. Ik ga verhuizen. Ik ga verhuizen en er moet nog veel gebeuren, ik weet wat er nog moet gebeuren en ik weet dat ik ook veel dingen over het hoofd zie die moeten gebeuren.

Eenmaal op vakantie wilde ik eerder terug naar huis. Toen lukte het te ontspannen en sliep ik haast halve etmalen, dat was niet de bedoeling, ik besloot een ritme aan te houden en daarna lukte het wel, met die vakantie.

Er was een kat die steeds naar ons vakantiehuisje kwam. Ze miauwde voor de hordeur tot we naar buiten kwamen. Als we haar aaiden beet ze soms, niet hard, we zeiden dan lieve dingen tegen haar en aaiden zachtjes door, dat vond ze prettig. Als ze op schoot wilde legden we een handdoek op onze bovenbenen, zodat we haar gekrab niet voelden. Ze had iets tams en iets wilds.

We reden naar de Ardennen, daar was ik nog nooit geweest. Het blijkt dat ik in de regen door haarspeldbochten kan sturen, ooit wil ik naar Parijs rijden of een andere moeilijke plek, ik houd van autorijden. De Ardennen waren prachtig, ik zag een bergriviertje, ik had nog nooit helder water zien stromen en bouwde een dam.

Ik dronk, maar niet te veel.

We gingen naar het Van Abbemuseum, naar het Philipsmuseum, naar het Carnavalsmuseum. Ik kookte, Oscar kookte.

Soms huilde ik een beetje, vroeg me af waarom dingen op vakantie niet lukten, of juist wel, en hoe het moest als ik weer thuis was. Hoe ik alles ingepakt kreeg. Hoe ik moest verhuizen. Hoe ik ervoor kon zorgen dat ik voor mezelf zou zorgen als ik verhuisd was.

Ik noemde de kat Janneke. Ergens vond ik niet dat ik een kat een naam kon geven als ze er al een had, maar ik vond het ook raar dat we dieren namen geven, dus ik besloot er niet te lang over te piekeren. Janneke beet steeds minder.

Ik werd veel gestoken door muggen. Ik las een boek uit.

Bij het inleveren van de sleutel van het vakantiehuis vroeg ik naar Janneke. ‘Hij is van niemand,’ zei de eigenaresse van het huisje. ‘De meeste mensen vinden hem vervelend, je mag hem zo meenemen.’ 

Janneke leek me erg tevreden en er past bovendien geen halfwilde kat in mijn nieuwe huis, misschien een blinde kat die niet naar buiten mag, maar pas over een jaar, pas als ik weet dat ik voor mezelf kan zorgen. Ik heb eerst wat te bewijzen.

Op weg naar huis wilde ik niet naar huis. Ik zette Oscar voor zijn deur af, hij gaf me bananendozen mee, omdat ik thuis verder zou met inpakken voor de verhuizing.

Toen ik mijn voordeur opende, kwam me een vreemde geur tegemoet. Mijn huis rook niet naar mijn huis. Er stonden dozen in mijn hal. De koelkast was verdwenen. Op het aanrecht lagen stapels gevouwen kleding.

Tijdens mijn vakantie was Floris in mijn huis geweest om de helft van mijn spullen in te pakken. De chaos te beteugelen. Ik belde hem, blij en in paniek en beschaamd, want ik wist wat Floris zoal tegen was gekomen. ‘Ik dacht, ik geef je een zetje in de goede richting,’ zei hij.

Ik had een zetje nodig. Mijn werk is mensen zetjes geven, en ik ben daar goed in omdat ik weet hoe het is om alles alleen te willen kunnen. 

Een opgeruimd huis

Ik begin weer te dromen. Misschien zijn dromen de plekken waar je gevoel voor het eerst terugkomt als het lang weg is geweest. Al mijn dromen zijn vol angst. Afgelopen week stierf mijn oma twee keer. Ik ging vreemd en verzuimde het Oscar te vertellen. Ik pieker in mijn dromen.

Overdag proberen ze me mijn gevoel terug te geven door middel van groepstherapie. Ik doe er graag aan mee, er moet inderdaad iets veranderen, maar ik had niet het idee dat er iets miste. Eerder dat ik te veel van iets had. Zoals mijn huis te veel spullen heeft.

Binnenkort ga ik verhuizen naar een grotere woning. Een zonder tuin, maar met uitzicht. In mijn tuin durf ik al jaren niet meer te komen. Ik ruim een voor een alle ruimtes van mijn huidige huis leeg. Eerst de schuur. Dan het keldertje onder de trap. Ik gooi veel weg. Een deel van de spullen stop ik in dozen, waarop ik de inhoud noteer. Alles waarvan ik niet weet of ik het moet bewaren gooi ik op een hoop. Straks heb ik een leeg huis met een berg troep in het midden van mijn woonkamer.

De vergelijking tussen mijn huishouden en mijn innerlijke belevingswereld is gemakkelijk gemaakt. Ik begrijp wat de rommel in mijn huis betekent. Wat niets weggooien betekent. Wat niemand binnenlaten betekent.

Ik weet niet wat verhuizen betekent. Misschien is dat de reden dat ik ineens spijt kreeg toen ik vorige week mijn nieuwe woning bezichtigde. Ik heb geleerd niet te vertrouwen op wat ik denk dat ik voel. Morgen teken ik het huurcontract.

Zwemmen

We gingen zwemmen.
‘Ik houd echt niet van zwemmen,’ zei ik, ‘maar met jou lijkt het me wel leuk.’

Ik legde een kleed op het zand. Hij plofte erop neer en tuimelde om, doordat het zand schuin afliep. Toen ik mijn kleding uittrok bekeek hij me langzaam van top tot teen, zo had hij me nog nooit gezien. Zijn rolstoel parkeerde ik even verderop, in de schaduw, zodat de zitting niet heet zou zijn als we zouden vertrekken. Hij kreeg een zwemvest aan.

Zijn lichaam werkte beter in het water. In het ondiepe gedeelte rende ik op handen en voeten, met mijn buik naar boven gericht, van hem weg. ‘Je kan me toch niet pakken,’ zei ik. Hij haalde me op handen en knieën in en pakte mijn enkel. Met twee handen nam hij mijn voet beet en kneep mijn tenen bij elkaar. Hij probeerde de nagellak van mijn teennagels te krabben. Drukte mijn voet stevig onder water. Haalde hem weer omhoog. Drukte hem weer onder water. Pakte een bos wier, hield het boven het water en luisterde naar het geluid dat de vallende druppels maakten.

De zon scheen, maar het was nog vroeg, de warmte was aangenaam. Hij was rustig. Ik ook.

Mijn heupen met putjes waren het canvas voor een zandschilderij.
‘Mooi,’ zei ik.
Hij zei niets terug, dat hoeft ook niet, we begrijpen elkaar.

Terwijl hij mijn voet weer beetpakte en onder water drukte, haalde ik mijn handen door het zand en dacht aan de zomers die ik vroeger doorbracht in de sloot vlakbij mijn huis, aan de mossels die ik er opgroef en soms per ongeluk brak als ik ze open wilde maken.

 

Foto’s

Mijn telefoon stelt me voor dagen opnieuw te beleven. Regelmatig krijg ik de foto’s te zien die ik exact een of twee jaar geleden maakte. 28 april 2017 bracht ik door met iemand die ik toen vaker zag. Ik wist toen niet goed wat het te betekenen had, maar gezien de hoeveelheid foto’s die ik die dag van hem maakte hoopte ik er het beste van en gezien de manier waarop hij op die foto’s naar mij keek had hij er alle vertrouwen in.

Ik vind het moeilijk om uit mijn bed te komen. Iedereen noemt het een depressie, maar misschien is niet willen opstaan slechts een ongezonde gewoonte. Ik herinner me hoe schokkend ik het ooit vond dat ik door liefdesverdriet twee weken in bed ben blijven liggen. Volgens de foto’s op mijn telefoon begon dat verdriet op 6 september 2016, ik zei toen ‘laten we nog een laatste foto maken’ en ik vond dat zichtbaar grappiger dan hij dat vond.

Vanaf het moment dat ik geen foto’s meer van hem maakte, schotelde mijn telefoon me oude foto’s van hem voor, liefst met hond.

Soms voel ik me zo slecht over alles in mijn leven wat ik niet meegemaakt en gedaan heb, dat het me niet meer lukt om iets te doen. Ik heb het idee dat hier iets te doorbreken valt, maar ik weet niet hoe ik dat moet doen. Ik denk vaak na over hoe graag ik zou willen dat ik oneindig veel versies van mijn leven kon leven, en dat ik de uitkomst van elke mogelijke keuze en beslissing mee zou willen maken.

Passiviteit is geen aantrekkelijke eigenschap, dus ik maak veel plannen. Als Oscar ooit bij me weggaat zou ik het mezelf niet kunnen vergeven. We hebben het leuk genoeg om niet overal foto’s van te hoeven maken, maar als het ooit zover komt zoek ik uit of ik ‘beleef deze dag opnieuw’ uit kan schakelen.

De achterstand inhalen

Het is niet gek dat in bed liggen gemakkelijker is dan uit bed komen, zeker wanneer je maanden in dat bed gelegen hebt. Vroeger begreep ik niet waarom mensen zich comfortabel voelden bij somberte, inmiddels heb ik geleerd dat de weg van de minste weerstand de enige weg is wanneer je te weinig kracht hebt.

Het probleem met uit een depressie komen is tweeledig. Doordat ik zo lang niets heb gedaan, moet ik weer oefenen te leven. Trainen. Mijn brein is een verwaarloosde spier, mijn doorzettingsvermogen tot een nulpunt gekelderd. Vroeger vond ik mezelf lui, inmiddels geloof ik dat er voor het bevechten van mijn lethargische staat een vasthoudendheid nodig is die me ooit tot iets groots brengt.

En als ik dan overeind ben, is er de achterstand. De rommel in huis, waar ik vaak over praat. De post, die ik liever niet bespreek. De mensen die te lang niets van me hebben gehoord. Die vind ik het ergst. Veel vrienden weten hoe het werkt, dat het geen onwil is, maar er zijn altijd mensen aan wie ik het niet uit heb kunnen leggen, die ik had moeten bellen, die me nodig hadden. Mensen die ik ook nodig had in de tijd dat het me niet lukte om contact met ze op te nemen. De achterstand inhalen is een veel werk, zeker met een brein dat nog niet op volle sterkte functioneert.

Wat het probleem misschien vooral is: op een dag word je wakker en je hebt zin om te leven. Op een dag word je wakker en je wilt bloemen kopen voor je geliefde. Op een dag word je wakker en bedenkt een boek, wilt vrienden uitnodigen om te komen eten, maakt plannen. En dan is er altijd eerst de rommel, de post, de mensen.

Dozen

‘Maar waar ga je dan naartoe?’ vroeg iemand me laatst.
Ik zei dat ik het niet wist.

Vorige week was ik op vakantie en ik kocht in een verre kringloopwinkel een elektronische sinaasappelpers in de vorm van een sinaasappel. Er stonden meerdere exemplaren in de kringloop, sommige persen waren incompleet, anderen zaten nog in de originele verpakking. Ze kostten allemaal €2,50. Een schijntje.

Ik zal de pers niet gebruiken voordat ik verhuisd ben, vandaag stop ik hem in een doos, samen met de achthoekige borrelglaasjes en de Tupperwarebakjes die ik tijdens mijn vakantie kocht. Al mijn andere spullen pak ik ook in.

De laatste keer dat ik wilde verhuizen pakte ik het op dezelfde manier aan: eerst alles inpakken, wegdoen wat weg kan, en nieuwe spullen niet gebruiken maar meteen opbergen en hopen dat ik vergeten ben dat ik ze had gekocht tegen de tijd dat ik een woning gevonden heb. Daarna pas een huis zoeken.

Ik woonde in die tijd in een kamertje, ik deelde een benedenwoning met een vriendin. Ze was in de war en overschreed behoorlijk wat van mijn grenzen. Ik vluchtte voor haar. Het duurde even voordat ik een woning had gevonden en tot die tijd stelde het leven tussen bananendozen me gerust.

Nu vlucht ik voor mezelf, voor alle spullen die ik heb gekocht en voor de snoeppapiertjes die niet in de prullenbak zijn beland. Het lukt me slecht om dingen weg te gooien. Ik erger me aan mensen die zeggen dat het verzamelen van spullen niets meer is dan een zinloze poging een interne leegte proberen te vullen, maar ze kunnen best gelijk hebben. Als ik me mijn nieuwe woning voorstel, is dat zonder al die spullen. Willen verhuizen maakt het gemakkelijk afstand te doen van een groot deel van mijn bezit.

Op vakantie nam ik een microdosis psilocybine. Misschien was het iets meer dan een microdosis, maar het had niet het effect moeten hebben dat het had. Sinds de vakantie denk ik meer dan gebruikelijk na over kwesties die je in de Happinez tegen zou kunnen komen. Vandaag vraag ik me daarom af hoe het kan dat denken aan verhuizen de mentale ruimte schept die ik nog heb om spullen weg te doen en hoe die ruimte zich verhoudt tot de interne leegte die ervoor zorgde dat ik die spullen eerder verzamelde.

Misschien wil ik niet meer verhuizen tegen de tijd dat alles ingepakt is. Verf ik mijn muren zodra ik tussen de dozen woon. Dweil ik mijn vloer.

Wat je tegenkomt als je opruimt

Mijn gang stond al weken vol met dozen, er zat een nieuw bed in. Het matras waarop ik sliep zat vol kuilen en herinneringen van iemand voor mij. Herinneringen die ik niet kende en die ik niet had gemaakt. De laatste tijd wilde ik niet dat Oscar bij me sliep, vanwege de kuilen. Ik werd soms wakker met rugpijn en wilde dat Oscar niet aandoen.

Gisteren kwam mijn broer het bed in elkaar zetten.
‘Misschien,’ zei ik vooraf voorzichtig, ‘moet ik het huis opruimen terwijl jij het bed in elkaar zet.’
‘Geen sprake van,’ zei Floris.

Voordat Floris kwam haalde ik mijn oude bed grotendeels uit elkaar, zodat ik de slaapkamer schoon kon maken. Mijn leefomstandigheden hoeven de werkomstandigheden van een ander niet te zijn. Ik pakte de nieuwe stofzuiger, die ook al weken stond te wachten tot er iets ging gebeuren. Ik pakte een vuilniszak. Ik pakte doekjes. Ik huilde tot de vloer zichtbaar was en schoon.

Ik ontdekte een kier, daar moesten muizen wonen. Ik vond mijn eerste pogingen tot poëzie, van voordat mijn leraar Nederlands me vakkundig alle plezier in het lezen en schrijven van gedichten ontnam. Ze rijmden en waren erg puberaal. Ik weet nog dat ik toentertijd dacht dat het volwassen leven mooier zou zijn, maar ik heb vooral geleerd alles iets mooier te verwoorden.

Toen Floris mijn huis zag, sommeerde hij me om op te ruimen.
‘Maar je wilde toch samen het bed in elkaar zetten?’ vroeg ik.
‘Ik heb me bedacht,’ zei hij.

Ik ploegde door mijn woonkamer. Af en toe keek ik bij Floris.
‘Hoe gaat het, kan ik iets doen?’
‘Opruimen,’ zei hij dan.

Ergens in dit jaar wil ik verhuizen. Dat maakt het gemakkelijker afstand te doen van de spullen die ik in de loop der jaren heb verzameld. Ik vulde vuilniszakken vol afval en vulde een doos met spullen voor de kringloopwinkel. In een trommeltje vond ik kaarten die een ex lang geleden aan me schreef. ‘Ik blijf altijd van je houden,’ stond op een van de kaarten. Ik weet niet goed of en hoe lang je zoiets moet bewaren.

Toen het bed bijna in elkaar zat, werd er pizza bezorgd. Floris en ik aten in de woonkamer, hij complimenteerde me met de voortgang.

Ik dacht aan hoe zelden het gebeurt dat iemand bij me eet. Hoe lang het geleden is dat Oscar bij me sliep. Ik stuurde Aurore een bericht en vroeg of ze binnenkort wilde komen helpen mijn uitdijende kledingberg uit te zoeken. Ik vroeg Oscar of hij deze week wilde komen slapen en afwassen.

Ik dacht aan hoe ik leef in een extreem gevuld museum met zaken uit mijn verleden (een klokhuis van gisteren, de krant van vorige week, de concertkaartjes van zes jaar geleden) en wist niet goed of dat betekent dat ik vasthoud aan dat verleden of juist ontwijk wat er achter me ligt.

Eerlijkheid

Het begint tussen de lakens met eerlijkheid, dat heb ik ergens gelezen. Niet met een klik, vaardigheden of een aantrekkelijk lichaam.

Ik had vooraf van alles beloofd en hij was enthousiast, maar ik had mijn hoofd er niet bij. Natuurlijk probeerde ik het eerst een tijdje, maar toen zei ik: ‘Sorry, eigenlijk ben ik gewoon heel verdrietig.’

Een kort moment las ik een naar woedend neigende ergernis op zijn gezicht, daarna keek hij mild en gaf me een knuffel.
‘Ik dacht al zoiets,’ zei hij.
Hij klonk verdrietiger dan ik me voelde en het duurde even voordat ik hem ervan overtuigd had dat het met mij wel weer ging.

Opstaan

Afgelopen nacht droomde ik dat ik zalm at en vreemd was gegaan. Over de zalm maakte ik me niet druk, over het vreemdgaan wel. Ik moest bedenken of ik het Oscar zou vertellen terwijl ik zeker wist dat het niet uit zou komen omdat de man met wie ik luidruchtig vreemd was gegaan spoedig zou sterven. Niemand had ons gehoord.

De afgelopen tijd droom ik elke nacht, meestal zijn het nachtmerries. Ik denk dat mijn onderbewuste me probeert te vertellen dat ik meer mee moet maken, maar ik heb geen behoefte aan het eten van zalm en geen behoefte aan vreemdgaan (wel aan aandacht, maar niet aan fysiek contact met iemand anders dan Oscar, niet aan leven met een geheim en niet aan opbiechten dat ik iets verkeerd heb gedaan).

Misschien is het tijd om op te staan, te douchen, mijn tanden te poetsen, me aan te kleden, het vuilnis weg te gooien, de rekeningen te betalen, iets gezonds te koken, vrienden te zien, mensen te zeggen dat het me spijt dat ik zo veel in bed heb gelegen.