Twee jaar samen

Het was donker. Hij had zijn arm om me heen en ik lag met mijn hoofd op de plek tussen zijn borstkas en zijn schouder. Mijn lievelingsplek.
‘We hebben een programma ontwikkeld,’ zei ik.
‘Wat bedoel je?’
‘Nou. We zoenen. En dan doe ik dit, dan doe jij dat, dan doe ik weer iets en dan eindigt het meestal hetzelfde.’
‘Ja.’

Ik wilde niet zeuren. Ik wist wat mijn bijdrage aan onze relatie was geweest het afgelopen jaar. Iemands gesteldheid heeft invloed op alles en er waren dagen waarop we niet eens meer wisten wat we tegen elkaar moesten zeggen. Vaak dacht ik dat alles zijn schuld was. Ik gaf hem de schuld en hij liet me, omdat een discussie geen zin had. Gelukkig kwamen er pillen en professionals. Een vooruitzicht.

Hoe we hier lagen, het was vooruitgang. Ik wilde niet zeuren.

‘Het is gewoon getrouwdemensenseks,’ zei hij.

(Ik was haast vergeten hoe we de deur niet uit kwamen toen we elkaar nog maar net kenden. We maakten grapjes over de seks die we later zouden hebben en verlangden er op een bepaalde manier naar, naar iets meer rust. Ik had er die middag aan moeten denken toen ik mijn auto naar de wasstraat bracht. Aan hoe alles begint met een blik en dan uit de hand loopt. De jongen van het tankstation had me een kop thee aangeboden terwijl ik stond te wachten. Toen ik op een scherm keek naar hoe mijn auto gewassen werd, boog hij over de toonbank en gaf me een klein papieren bekertje dat afgesloten was met een stukje plastic folie.
‘Misschien vind je dit een beetje gek,’ zei hij, ‘maar dit is mijn lievelingsthee.’
Hij pakte een bak, trok het deksel eraf en liet me de inhoud zien. Thee.
‘Dit is echt goede thee. Je verwacht het niet in een tankstation, maar probeer het thuis eens. Ik houd eigenlijk alleen van koffie, maar voor deze thee maak ik graag een uitzondering.’
Ik staarde naar het bekertje in mijn hand.
‘Oké,’ zei ik.
‘Ben je vrij vandaag?’ vroeg de jongen.
Hij had een soort twinkeling in zijn ogen.
‘Ik ga zo naar mijn werk. Daarom moet ik de auto wassen, ik gebruik hem voor mijn werk.’
‘Wat voor werk doe je?’
‘Ik werk als begeleider in de gehandicaptenzorg.’
‘Wat tof,’ zei de jongen. ‘Ik werk hier een paar dagen in de week, maar ik werk ook in de palliatieve zorg. Op dit moment doe ik nog een opleiding. Misschien wil ik wel werken met mensen met een verstandelijke beperking.
‘Leuk,’ zei ik.
‘Maar probeer de thee,’ zei de jongen.
‘Als ik hem lekker vind, drink ik hem de volgende keer dat ik mijn auto laat wassen,’ zei ik.
‘Ja,’ zei hij. ‘Laat me weten wat je ervan vindt.’
O, dacht ik ineens. O. Je wil dat ik terugkom.

Door een deur achter de toonbank verscheen een vrouw.
‘De auto is klaar,’ zei ze. Ze lachte kort naar de jongen.
‘Heb je al een spaarkaart?’ vroeg ze me.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Wat dom, een spaarkaart!’ riep de jongen. Hij pakte er een voor me. Hij had iets springerigs, iets vrolijks. Ik zei dat ik vreesde de kaart niet voor het einde van het jaar vol te krijgen.
‘Sommige mensen wassen hun auto elke week,’ zei de vrouw en gaf me een knipoog.)

Ik weet niet meer wat hij precies zei. Dat het goed was. Of dat het niet erg was misschien. Hij zei niet dat hij er genoegen mee nam, niet dat ik er genoegen mee hoefde te nemen, hij zei dat er best iets anders kon, maar dat het niet iets was om me druk om te maken, ik weet niet meer wat hij precies zei, maar ik voelde me gerustgesteld.
‘Ja,’ zei ik. ‘Ja.’

Ik wilde me omdraaien, maar hij drukte me iets steviger tegen zich aan. Alles was perfect.

De parkeerplek

Ik verhuisde naar een prachtige woning met een prachtig uitzicht en verfde een muur prachtig blauw. Ik kocht een prachtige stoel. 

Bij de woning zat een vaste parkeerplek in de ondergrondse parkeergarage. Als mensen op visite kwamen en zeiden dat mijn huis zo prachtig was, herinnerde ik ze aan de plek in de ondergrondse parkeergarage, die ook bij mijn woning hoorde.

Er ontstond snel gedoe rondom de parkeerplaats. Iemand anders zette er steeds zijn auto neer, hoewel mijn huisnummer bij de plek hing. Toen ik mijn auto er een paar keer parkeerde, werd er met onnodig veel plakband een wat agressieve mededeling op mijn zijruit geplakt. Dit was niet mijn parkeerplek, zoveel stond er ongeveer. Ik belde een paar keer met de woningbouwvereniging, daar wisten verschillende afdelingen niet hoe het zat. Misschien hing mijn nummer er, maar was het toch de plek van een ander.

Het duurde maar en het duurde maar. Dit is een goed feuilleton, dacht ik.

Enkele oudere flatgenoten hadden ook al opgemerkt dat er iets niet klopte, ze hadden uitgedokterd dat de gele auto van mij was en dat deze soms achter de flat geparkeerd stond. Ze stonden beneden in de hal te discussiëren (roddelen is zo’n onaardig woord) over de kwestie toen ik binnenkwam. Ik moest er echt werk van maken, zeiden de dames.

Vandaag kreeg ik een mail van de woningbouwvereniging. Sorry. Vergissing. Er hoort helemaal geen parkeerplek bij de woning. Zo hadden ze de woning nooit aan me mogen aanbieden. Ze zouden kijken naar een mogelijke oplossing.

Even was ik heel boos. En dat ben ik nog steeds een beetje. Maar ik dacht ook: wat is het een luxe om je druk te kunnen maken over of je je auto binnen kan parkeren. En nog beter: er is een allesoverheersende onverschilligheid verdwenen die me al jaren in de weg zat.

Wat het is

Het is het nieuwe huis. Of nee, het is de ruimte in het nieuwe huis. Of het zijn de spullen die ik achterliet in de vorige woning. Het zijn de mensen die me hielpen met verhuizen.

Het is de twaalf meter lange muur in de mooiste kleur blauw denkbaar. Of het zijn de mensen die kwamen verven. De vriend die drie dagen achter elkaar langskwam, die aan elke laag meegeverfd heeft.

Het is de glittermuur.  Of het is dat ik de glittermuur heb die ik al jaren wilde. Of nee, het is dat ik laag na laag glitterverf aanbreng, omdat ik weet dat ik een glittermuur wil.

Het is de nieuwe buffetkast. Of het is dat Oscar zijn werkdag onderbrak omdat de buffetkast gebracht werd.

Het is dat vrienden hier zonder aankondiging langs kunnen komen. Of nee, het is dat ik niet in paniek raak als mensen hier zonder aankondiging langskomen. Of eigenlijk is het toch de ruimte hier. En dat het opgeruimd is.

Het is dat het me hier lukt om op te ruimen.

Het is dat ik hier soep kookte voor de mensen die kwamen helpen. Of het is dat ik hier dagelijks de afwas doe.

Dat hier geen muizen zijn, dat is het. Dat ik een kat wil en dat er misschien ooit wel een kat komt.

Het zijn de pillen die ik kreeg.

Het is dat ik hier kan leven. Dat ik het Gasuniegebouw kan zien als ik naar buiten kijk. Het is dat ik vooruit kan kijken.

Beslissingen

Nu is het echt. Bijna alles is ingepakt, morgen vul ik de laatste dozen.

Vanmorgen nam een medewerker van de woningbouw de staat van mijn huis op. Het was allemaal in orde, twee weken geleden kon ik me dat niet voorstellen. De medewerker vroeg of er bijzonderheden waren.
‘Ik heb muizen gehad,’ zei ik.
‘Nu nog steeds?’ vroeg hij.
‘Ik geloof het niet,’ zei ik.
De man noteerde iets op zijn tablet. Het was geen probleem.

Als ik door de buurt loop, neem ik afscheid. Ik laat meer achter dan ik eerder besefte. Toen ik langs de Amazing Oriental liep besloot ik flink wat artikelen te kopen die ik nog niet eerder had gekocht. In de buurt van mijn nieuwe huis is geen winkel waar ze producten verkopen die ik graag eens voor het eerst wil proberen.

Ik neem afscheid van naar lopend naar mijn broer kunnen. Lopend het huis kunnen ontvluchten als iemand op het juiste moment vraagt of ik een kopje thee wil komen drinken.

Ik weet nog niet hoe ik afscheid neem van Peter. Als iemand ervoor gezorgd heeft dat ik me thuis voel in deze buurt, is hij het. Peter werkt in de supermarkt om de hoek, hij is altijd opgewekt en geïnteresseerd. Ik denk niet dat mijn nieuwe supermarkt een medewerker heeft die ziet dat ik een nieuwe bril heb, zonder dat ik me daar ongemakkelijk bij voel.

Ik denk erover om Peter een bloemetje te brengen, maar ik ben bang dat hij zich dan ongemakkelijk voelt.

Even geloofde ik dat ik de geplande verhuizing liever terug wilde draaien.

Een van de meest verlammende gedachten die ik heb gaat over dat ik maar een versie van dit leven kan leven. Ik zou niets liever willen dan dit alles oneindig vaak overdoen, bij exen blijven, als puber in therapie gaan, mijn studie afmaken, twee studies afmaken, veel drugs blijven gebruiken, ruzies bijleggen, een kind krijgen. Ik wil alles. Alles.

Ik vergat dat ik een van die versies nu leef. Dat alle twijfel, al het verdriet en alles wat ik niet heb gedaan bij dit leven hoort. En dat ik, als ze er zijn, niet gebaat ben bij kennis van de andere versies.

Ik vergat dat dit mijn leven is.

Ik verhuis. Ik ga mijn routines missen. Nieuwe routines ontwikkelen. Andere ervaringen opdoen. Spijt hebben. Uitkijken naar dingen die komen.

Ik weet niet wat de uitkomsten van mijn beslissingen zijn, maar ik maak ze.

Ik wil alles graag oneindig vaak overdoen. Dat is dit leven.

Terugvinden

Ik woon tussen dozen. Opruimen en inpakken was een confrontatie met hoe slecht ik voor mezelf heb gezorgd, het viel niet mee, het valt niet mee, gelukkig word ik goed geholpen.

Mijn therapeut vertelde over zijn vakantie in Litouwen, liet me foto’s zien van oude gebouwen die gerenoveerd werden door mensen voor wie de geschiedenis van hun land weer belangrijk werd.

Ook dat gebeurde tijdens het opruimen, dacht ik toen ik naar zijn verhalen luisterde. Ik vond terug wat ik verwaarloosd had: festivalbandjes, een doosje met prullen van iemand met wie ik samenwoonde, kinderachtige sieraden die ik te lang gedragen heb, schriften met aantekeningen, een spaarpotje.

Ik heb een geschiedenis en een nieuwe plek waar alles kan gebeuren. Het komt goed.

Vakantie, verhuizen

Ik wilde niet op vakantie, omdat er thuis nog veel moest gebeuren. Ik ga verhuizen. Ik ga verhuizen en er moet nog veel gebeuren, ik weet wat er nog moet gebeuren en ik weet dat ik ook veel dingen over het hoofd zie die moeten gebeuren.

Eenmaal op vakantie wilde ik eerder terug naar huis. Toen lukte het te ontspannen en sliep ik haast halve etmalen, dat was niet de bedoeling, ik besloot een ritme aan te houden en daarna lukte het wel, met die vakantie.

Er was een kat die steeds naar ons vakantiehuisje kwam. Ze miauwde voor de hordeur tot we naar buiten kwamen. Als we haar aaiden beet ze soms, niet hard, we zeiden dan lieve dingen tegen haar en aaiden zachtjes door, dat vond ze prettig. Als ze op schoot wilde legden we een handdoek op onze bovenbenen, zodat we haar gekrab niet voelden. Ze had iets tams en iets wilds.

We reden naar de Ardennen, daar was ik nog nooit geweest. Het blijkt dat ik in de regen door haarspeldbochten kan sturen, ooit wil ik naar Parijs rijden of een andere moeilijke plek, ik houd van autorijden. De Ardennen waren prachtig, ik zag een bergriviertje, ik had nog nooit helder water zien stromen en bouwde een dam.

Ik dronk, maar niet te veel.

We gingen naar het Van Abbemuseum, naar het Philipsmuseum, naar het Carnavalsmuseum. Ik kookte, Oscar kookte.

Soms huilde ik een beetje, vroeg me af waarom dingen op vakantie niet lukten, of juist wel, en hoe het moest als ik weer thuis was. Hoe ik alles ingepakt kreeg. Hoe ik moest verhuizen. Hoe ik ervoor kon zorgen dat ik voor mezelf zou zorgen als ik verhuisd was.

Ik noemde de kat Janneke. Ergens vond ik niet dat ik een kat een naam kon geven als ze er al een had, maar ik vond het ook raar dat we dieren namen geven, dus ik besloot er niet te lang over te piekeren. Janneke beet steeds minder.

Ik werd veel gestoken door muggen. Ik las een boek uit.

Bij het inleveren van de sleutel van het vakantiehuis vroeg ik naar Janneke. ‘Hij is van niemand,’ zei de eigenaresse van het huisje. ‘De meeste mensen vinden hem vervelend, je mag hem zo meenemen.’ 

Janneke leek me erg tevreden en er past bovendien geen halfwilde kat in mijn nieuwe huis, misschien een blinde kat die niet naar buiten mag, maar pas over een jaar, pas als ik weet dat ik voor mezelf kan zorgen. Ik heb eerst wat te bewijzen.

Op weg naar huis wilde ik niet naar huis. Ik zette Oscar voor zijn deur af, hij gaf me bananendozen mee, omdat ik thuis verder zou met inpakken voor de verhuizing.

Toen ik mijn voordeur opende, kwam me een vreemde geur tegemoet. Mijn huis rook niet naar mijn huis. Er stonden dozen in mijn hal. De koelkast was verdwenen. Op het aanrecht lagen stapels gevouwen kleding.

Tijdens mijn vakantie was Floris in mijn huis geweest om de helft van mijn spullen in te pakken. De chaos te beteugelen. Ik belde hem, blij en in paniek en beschaamd, want ik wist wat Floris zoal tegen was gekomen. ‘Ik dacht, ik geef je een zetje in de goede richting,’ zei hij.

Ik had een zetje nodig. Mijn werk is mensen zetjes geven, en ik ben daar goed in omdat ik weet hoe het is om alles alleen te willen kunnen. 

Een opgeruimd huis

Ik begin weer te dromen. Misschien zijn dromen de plekken waar je gevoel voor het eerst terugkomt als het lang weg is geweest. Al mijn dromen zijn vol angst. Afgelopen week stierf mijn oma twee keer. Ik ging vreemd en verzuimde het Oscar te vertellen. Ik pieker in mijn dromen.

Overdag proberen ze me mijn gevoel terug te geven door middel van groepstherapie. Ik doe er graag aan mee, er moet inderdaad iets veranderen, maar ik had niet het idee dat er iets miste. Eerder dat ik te veel van iets had. Zoals mijn huis te veel spullen heeft.

Binnenkort ga ik verhuizen naar een grotere woning. Een zonder tuin, maar met uitzicht. In mijn tuin durf ik al jaren niet meer te komen. Ik ruim een voor een alle ruimtes van mijn huidige huis leeg. Eerst de schuur. Dan het keldertje onder de trap. Ik gooi veel weg. Een deel van de spullen stop ik in dozen, waarop ik de inhoud noteer. Alles waarvan ik niet weet of ik het moet bewaren gooi ik op een hoop. Straks heb ik een leeg huis met een berg troep in het midden van mijn woonkamer.

De vergelijking tussen mijn huishouden en mijn innerlijke belevingswereld is gemakkelijk gemaakt. Ik begrijp wat de rommel in mijn huis betekent. Wat niets weggooien betekent. Wat niemand binnenlaten betekent.

Ik weet niet wat verhuizen betekent. Misschien is dat de reden dat ik ineens spijt kreeg toen ik vorige week mijn nieuwe woning bezichtigde. Ik heb geleerd niet te vertrouwen op wat ik denk dat ik voel. Morgen teken ik het huurcontract.

Zwemmen

We gingen zwemmen.
‘Ik houd echt niet van zwemmen,’ zei ik, ‘maar met jou lijkt het me wel leuk.’

Ik legde een kleed op het zand. Hij plofte erop neer en tuimelde om, doordat het zand schuin afliep. Toen ik mijn kleding uittrok bekeek hij me langzaam van top tot teen, zo had hij me nog nooit gezien. Zijn rolstoel parkeerde ik even verderop, in de schaduw, zodat de zitting niet heet zou zijn als we zouden vertrekken. Hij kreeg een zwemvest aan.

Zijn lichaam werkte beter in het water. In het ondiepe gedeelte rende ik op handen en voeten, met mijn buik naar boven gericht, van hem weg. ‘Je kan me toch niet pakken,’ zei ik. Hij haalde me op handen en knieën in en pakte mijn enkel. Met twee handen nam hij mijn voet beet en kneep mijn tenen bij elkaar. Hij probeerde de nagellak van mijn teennagels te krabben. Drukte mijn voet stevig onder water. Haalde hem weer omhoog. Drukte hem weer onder water. Pakte een bos wier, hield het boven het water en luisterde naar het geluid dat de vallende druppels maakten.

De zon scheen, maar het was nog vroeg, de warmte was aangenaam. Hij was rustig. Ik ook.

Mijn heupen met putjes waren het canvas voor een zandschilderij.
‘Mooi,’ zei ik.
Hij zei niets terug, dat hoeft ook niet, we begrijpen elkaar.

Terwijl hij mijn voet weer beetpakte en onder water drukte, haalde ik mijn handen door het zand en dacht aan de zomers die ik vroeger doorbracht in de sloot vlakbij mijn huis, aan de mossels die ik er opgroef en soms per ongeluk brak als ik ze open wilde maken.

 

Foto’s

Mijn telefoon stelt me voor dagen opnieuw te beleven. Regelmatig krijg ik de foto’s te zien die ik exact een of twee jaar geleden maakte. 28 april 2017 bracht ik door met iemand die ik toen vaker zag. Ik wist toen niet goed wat het te betekenen had, maar gezien de hoeveelheid foto’s die ik die dag van hem maakte hoopte ik er het beste van en gezien de manier waarop hij op die foto’s naar mij keek had hij er alle vertrouwen in.

Ik vind het moeilijk om uit mijn bed te komen. Iedereen noemt het een depressie, maar misschien is niet willen opstaan slechts een ongezonde gewoonte. Ik herinner me hoe schokkend ik het ooit vond dat ik door liefdesverdriet twee weken in bed ben blijven liggen. Volgens de foto’s op mijn telefoon begon dat verdriet op 6 september 2016, ik zei toen ‘laten we nog een laatste foto maken’ en ik vond dat zichtbaar grappiger dan hij dat vond.

Vanaf het moment dat ik geen foto’s meer van hem maakte, schotelde mijn telefoon me oude foto’s van hem voor, liefst met hond.

Soms voel ik me zo slecht over alles in mijn leven wat ik niet meegemaakt en gedaan heb, dat het me niet meer lukt om iets te doen. Ik heb het idee dat hier iets te doorbreken valt, maar ik weet niet hoe ik dat moet doen. Ik denk vaak na over hoe graag ik zou willen dat ik oneindig veel versies van mijn leven kon leven, en dat ik de uitkomst van elke mogelijke keuze en beslissing mee zou willen maken.

Passiviteit is geen aantrekkelijke eigenschap, dus ik maak veel plannen. Als Oscar ooit bij me weggaat zou ik het mezelf niet kunnen vergeven. We hebben het leuk genoeg om niet overal foto’s van te hoeven maken, maar als het ooit zover komt zoek ik uit of ik ‘beleef deze dag opnieuw’ uit kan schakelen.

De achterstand inhalen

Het is niet gek dat in bed liggen gemakkelijker is dan uit bed komen, zeker wanneer je maanden in dat bed gelegen hebt. Vroeger begreep ik niet waarom mensen zich comfortabel voelden bij somberte, inmiddels heb ik geleerd dat de weg van de minste weerstand de enige weg is wanneer je te weinig kracht hebt.

Het probleem met uit een depressie komen is tweeledig. Doordat ik zo lang niets heb gedaan, moet ik weer oefenen te leven. Trainen. Mijn brein is een verwaarloosde spier, mijn doorzettingsvermogen tot een nulpunt gekelderd. Vroeger vond ik mezelf lui, inmiddels geloof ik dat er voor het bevechten van mijn lethargische staat een vasthoudendheid nodig is die me ooit tot iets groots brengt.

En als ik dan overeind ben, is er de achterstand. De rommel in huis, waar ik vaak over praat. De post, die ik liever niet bespreek. De mensen die te lang niets van me hebben gehoord. Die vind ik het ergst. Veel vrienden weten hoe het werkt, dat het geen onwil is, maar er zijn altijd mensen aan wie ik het niet uit heb kunnen leggen, die ik had moeten bellen, die me nodig hadden. Mensen die ik ook nodig had in de tijd dat het me niet lukte om contact met ze op te nemen. De achterstand inhalen is een veel werk, zeker met een brein dat nog niet op volle sterkte functioneert.

Wat het probleem misschien vooral is: op een dag word je wakker en je hebt zin om te leven. Op een dag word je wakker en je wilt bloemen kopen voor je geliefde. Op een dag word je wakker en bedenkt een boek, wilt vrienden uitnodigen om te komen eten, maakt plannen. En dan is er altijd eerst de rommel, de post, de mensen.