Foto’s

Mijn telefoon stelt me voor dagen opnieuw te beleven. Regelmatig krijg ik de foto’s te zien die ik exact een of twee jaar geleden maakte. 28 april 2017 bracht ik door met iemand die ik toen vaker zag. Ik wist toen niet goed wat het te betekenen had, maar gezien de hoeveelheid foto’s die ik die dag van hem maakte hoopte ik er het beste van en gezien de manier waarop hij op die foto’s naar mij keek had hij er alle vertrouwen in.

Ik vind het moeilijk om uit mijn bed te komen. Iedereen noemt het een depressie, maar misschien is niet willen opstaan slechts een ongezonde gewoonte. Ik herinner me hoe schokkend ik het ooit vond dat ik door liefdesverdriet twee weken in bed ben blijven liggen. Volgens de foto’s op mijn telefoon begon dat verdriet op 6 september 2016, ik zei toen ‘laten we nog een laatste foto maken’ en ik vond dat zichtbaar grappiger dan hij dat vond.

Vanaf het moment dat ik geen foto’s meer van hem maakte, schotelde mijn telefoon me oude foto’s van hem voor, liefst met hond.

Soms voel ik me zo slecht over alles in mijn leven wat ik niet meegemaakt en gedaan heb, dat het me niet meer lukt om iets te doen. Ik heb het idee dat hier iets te doorbreken valt, maar ik weet niet hoe ik dat moet doen. Ik denk vaak na over hoe graag ik zou willen dat ik oneindig veel versies van mijn leven kon leven, en dat ik de uitkomst van elke mogelijke keuze en beslissing mee zou willen maken.

Passiviteit is geen aantrekkelijke eigenschap, dus ik maak veel plannen. Als Oscar ooit bij me weggaat zou ik het mezelf niet kunnen vergeven. We hebben het leuk genoeg om niet overal foto’s van te hoeven maken, maar als het ooit zover komt zoek ik uit of ik ‘beleef deze dag opnieuw’ uit kan schakelen.

De achterstand inhalen

Het is niet gek dat in bed liggen gemakkelijker is dan uit bed komen, zeker wanneer je maanden in dat bed gelegen hebt. Vroeger begreep ik niet waarom mensen zich comfortabel voelden bij somberte, inmiddels heb ik geleerd dat de weg van de minste weerstand de enige weg is wanneer je te weinig kracht hebt.

Het probleem met uit een depressie komen is tweeledig. Doordat ik zo lang niets heb gedaan, moet ik weer oefenen te leven. Trainen. Mijn brein is een verwaarloosde spier, mijn doorzettingsvermogen tot een nulpunt gekelderd. Vroeger vond ik mezelf lui, inmiddels geloof ik dat er voor het bevechten van mijn lethargische staat een vasthoudendheid nodig is die me ooit tot iets groots brengt.

En als ik dan overeind ben, is er de achterstand. De rommel in huis, waar ik vaak over praat. De post, die ik liever niet bespreek. De mensen die te lang niets van me hebben gehoord. Die vind ik het ergst. Veel vrienden weten hoe het werkt, dat het geen onwil is, maar er zijn altijd mensen aan wie ik het niet uit heb kunnen leggen, die ik had moeten bellen, die me nodig hadden. Mensen die ik ook nodig had in de tijd dat het me niet lukte om contact met ze op te nemen. De achterstand inhalen is een veel werk, zeker met een brein dat nog niet op volle sterkte functioneert.

Wat het probleem misschien vooral is: op een dag word je wakker en je hebt zin om te leven. Op een dag word je wakker en je wilt bloemen kopen voor je geliefde. Op een dag word je wakker en bedenkt een boek, wilt vrienden uitnodigen om te komen eten, maakt plannen. En dan is er altijd eerst de rommel, de post, de mensen.

Dozen

‘Maar waar ga je dan naartoe?’ vroeg iemand me laatst.
Ik zei dat ik het niet wist.

Vorige week was ik op vakantie en ik kocht in een verre kringloopwinkel een elektronische sinaasappelpers in de vorm van een sinaasappel. Er stonden meerdere exemplaren in de kringloop, sommige persen waren incompleet, anderen zaten nog in de originele verpakking. Ze kostten allemaal €2,50. Een schijntje.

Ik zal de pers niet gebruiken voordat ik verhuisd ben, vandaag stop ik hem in een doos, samen met de achthoekige borrelglaasjes en de Tupperwarebakjes die ik tijdens mijn vakantie kocht. Al mijn andere spullen pak ik ook in.

De laatste keer dat ik wilde verhuizen pakte ik het op dezelfde manier aan: eerst alles inpakken, wegdoen wat weg kan, en nieuwe spullen niet gebruiken maar meteen opbergen en hopen dat ik vergeten ben dat ik ze had gekocht tegen de tijd dat ik een woning gevonden heb. Daarna pas een huis zoeken.

Ik woonde in die tijd in een kamertje, ik deelde een benedenwoning met een vriendin. Ze was in de war en overschreed behoorlijk wat van mijn grenzen. Ik vluchtte voor haar. Het duurde even voordat ik een woning had gevonden en tot die tijd stelde het leven tussen bananendozen me gerust.

Nu vlucht ik voor mezelf, voor alle spullen die ik heb gekocht en voor de snoeppapiertjes die niet in de prullenbak zijn beland. Het lukt me slecht om dingen weg te gooien. Ik erger me aan mensen die zeggen dat het verzamelen van spullen niets meer is dan een zinloze poging een interne leegte proberen te vullen, maar ze kunnen best gelijk hebben. Als ik me mijn nieuwe woning voorstel, is dat zonder al die spullen. Willen verhuizen maakt het gemakkelijk afstand te doen van een groot deel van mijn bezit.

Op vakantie nam ik een microdosis psilocybine. Misschien was het iets meer dan een microdosis, maar het had niet het effect moeten hebben dat het had. Sinds de vakantie denk ik meer dan gebruikelijk na over kwesties die je in de Happinez tegen zou kunnen komen. Vandaag vraag ik me daarom af hoe het kan dat denken aan verhuizen de mentale ruimte schept die ik nog heb om spullen weg te doen en hoe die ruimte zich verhoudt tot de interne leegte die ervoor zorgde dat ik die spullen eerder verzamelde.

Misschien wil ik niet meer verhuizen tegen de tijd dat alles ingepakt is. Verf ik mijn muren zodra ik tussen de dozen woon. Dweil ik mijn vloer.

Wat je tegenkomt als je opruimt

Mijn gang stond al weken vol met dozen, er zat een nieuw bed in. Het matras waarop ik sliep zat vol kuilen en herinneringen van iemand voor mij. Herinneringen die ik niet kende en die ik niet had gemaakt. De laatste tijd wilde ik niet dat Oscar bij me sliep, vanwege de kuilen. Ik werd soms wakker met rugpijn en wilde dat Oscar niet aandoen.

Gisteren kwam mijn broer het bed in elkaar zetten.
‘Misschien,’ zei ik vooraf voorzichtig, ‘moet ik het huis opruimen terwijl jij het bed in elkaar zet.’
‘Geen sprake van,’ zei Floris.

Voordat Floris kwam haalde ik mijn oude bed grotendeels uit elkaar, zodat ik de slaapkamer schoon kon maken. Mijn leefomstandigheden hoeven de werkomstandigheden van een ander niet te zijn. Ik pakte de nieuwe stofzuiger, die ook al weken stond te wachten tot er iets ging gebeuren. Ik pakte een vuilniszak. Ik pakte doekjes. Ik huilde tot de vloer zichtbaar was en schoon.

Ik ontdekte een kier, daar moesten muizen wonen. Ik vond mijn eerste pogingen tot poëzie, van voordat mijn leraar Nederlands me vakkundig alle plezier in het lezen en schrijven van gedichten ontnam. Ze rijmden en waren erg puberaal. Ik weet nog dat ik toentertijd dacht dat het volwassen leven mooier zou zijn, maar ik heb vooral geleerd alles iets mooier te verwoorden.

Toen Floris mijn huis zag, sommeerde hij me om op te ruimen.
‘Maar je wilde toch samen het bed in elkaar zetten?’ vroeg ik.
‘Ik heb me bedacht,’ zei hij.

Ik ploegde door mijn woonkamer. Af en toe keek ik bij Floris.
‘Hoe gaat het, kan ik iets doen?’
‘Opruimen,’ zei hij dan.

Ergens in dit jaar wil ik verhuizen. Dat maakt het gemakkelijker afstand te doen van de spullen die ik in de loop der jaren heb verzameld. Ik vulde vuilniszakken vol afval en vulde een doos met spullen voor de kringloopwinkel. In een trommeltje vond ik kaarten die een ex lang geleden aan me schreef. ‘Ik blijf altijd van je houden,’ stond op een van de kaarten. Ik weet niet goed of en hoe lang je zoiets moet bewaren.

Toen het bed bijna in elkaar zat, werd er pizza bezorgd. Floris en ik aten in de woonkamer, hij complimenteerde me met de voortgang.

Ik dacht aan hoe zelden het gebeurt dat iemand bij me eet. Hoe lang het geleden is dat Oscar bij me sliep. Ik stuurde Aurore een bericht en vroeg of ze binnenkort wilde komen helpen mijn uitdijende kledingberg uit te zoeken. Ik vroeg Oscar of hij deze week wilde komen slapen en afwassen.

Ik dacht aan hoe ik leef in een extreem gevuld museum met zaken uit mijn verleden (een klokhuis van gisteren, de krant van vorige week, de concertkaartjes van zes jaar geleden) en wist niet goed of dat betekent dat ik vasthoud aan dat verleden of juist ontwijk wat er achter me ligt.

Eerlijkheid

Het begint tussen de lakens met eerlijkheid, dat heb ik ergens gelezen. Niet met een klik, vaardigheden of een aantrekkelijk lichaam.

Ik had vooraf van alles beloofd en hij was enthousiast, maar ik had mijn hoofd er niet bij. Natuurlijk probeerde ik het eerst een tijdje, maar toen zei ik: ‘Sorry, eigenlijk ben ik gewoon heel verdrietig.’

Een kort moment las ik een naar woedend neigende ergernis op zijn gezicht, daarna keek hij mild en gaf me een knuffel.
‘Ik dacht al zoiets,’ zei hij.
Hij klonk verdrietiger dan ik me voelde en het duurde even voordat ik hem ervan overtuigd had dat het met mij wel weer ging.

Opstaan

Afgelopen nacht droomde ik dat ik zalm at en vreemd was gegaan. Over de zalm maakte ik me niet druk, over het vreemdgaan wel. Ik moest bedenken of ik het Oscar zou vertellen terwijl ik zeker wist dat het niet uit zou komen omdat de man met wie ik luidruchtig vreemd was gegaan spoedig zou sterven. Niemand had ons gehoord.

De afgelopen tijd droom ik elke nacht, meestal zijn het nachtmerries. Ik denk dat mijn onderbewuste me probeert te vertellen dat ik meer mee moet maken, maar ik heb geen behoefte aan het eten van zalm en geen behoefte aan vreemdgaan (wel aan aandacht, maar niet aan fysiek contact met iemand anders dan Oscar, niet aan leven met een geheim en niet aan opbiechten dat ik iets verkeerd heb gedaan).

Misschien is het tijd om op te staan, te douchen, mijn tanden te poetsen, me aan te kleden, het vuilnis weg te gooien, de rekeningen te betalen, iets gezonds te koken, vrienden te zien, mensen te zeggen dat het me spijt dat ik zo veel in bed heb gelegen.

Adventskalenders

Het is december. Het is vroeg donker en terwijl winkeliers aan het einde van de dag tevreden de inhoud van hun kassalades tellen, tellen consumenten de dagen af tot aan kerst.

Het is advent en wie daar op een sobere manier bij stil wil staan steekt elke zondag een kaars op zijn adventskrans aan totdat op de zondag voor kerst alle kaarsen op de krans branden. Wie meer wil dan wekelijks kaarsen aansteken haalt een adventskalender in huis en wie niet van chocolade houdt of graag het kapitalisme viert onder het mom van aftellen naar een christelijke feestdag koopt voor zichzelf een prijzige kalender met allerlei verrassingen.

Adventskalenders met beautyproducten zijn populair. Op social media zie ik influencers elke dag een vakje van de adventskalender van hun favoriete beautymerk openen. Sommige YouTubesterren hebben meerdere kalenders in huis gehaald, en een enkeling opende al op de eerste dag van de maand meteen alle vakjes. Zelden zag ik mensen zo enthousiast over minuscule potjes nagellak en parfum.

Ik heb een adventskalender in mijn hoofd. Op de eerste december kreeg ik dat ik dacht dat mijn vriend niet meer van me hield. Op de tweede december kreeg ik dat ik de hele dag in bed wilde blijven, ik had dat geschenk al vaker gehad.

Influencers krijgen vaak nagelvijltjes in december, ze halen ze zuchtend uit de adventskalenders.
‘Ja, hoor, daar heb je hem al,’ zeggen ze tegen de camera’s in hun eenzame kamers, ‘er zit altijd wel een vijltje bij.’ En zoals de influencers met een te grote beauty-stash hun pas gekregen nagelvijlen meteen in de bak met weg te geven spullen gooien, legde ik het in bed willen blijven liggen naast me neer en stond op.

Vandaag kreeg ik dat ik in paniek raakte toen een collega me liet weten dat iemand een belangrijke mail van mij niet had ontvangen. Als ik in paniek raak, doe ik niets meer. Dat is onhandig als je naar de ontvangers van je belangrijke mails moet kijken.

Ik vrees voor de rest van de maand. Een bekwame arts heeft de adventskalender in mijn hoofd een winterdepressie genoemd. Waar een deel van de bevolking de gourmetpannen vast afstoft, probeer ik mezelf overeind te houden terwijl de korte dagen me omver proberen te duwen. Vroeger overviel het me elke dag, tegenwoordig weet ik ongeveer wat er komt: overdag willen slapen, veel en ongezond willen eten, geen zin hebben om met mensen af te spreken, weinig behoefte hebben aan seks en vooral constant het gevoel hebben dat ik alles verkeerd doe.

Ondertussen probeer ik toch te werken, mijn afwas niet te ernstig uit de hand te laten lopen, af te spreken met mensen die me dierbaar zijn, leid ik mezelf af door kopen van nutteloze producten die ik langs heb zien komen bij influencers die ik alleen ironisch denk te volgen, smeer ik tegen beter weten in glitters op mijn gezicht in de hoop dat ik er gelukkiger van word en hoop ik maar dat mijn brein geen onverwachte dingen doet de komende tijd.

Vandaag zag ik een YouTube-ster huilen omdat een van de vakjes van haar Asos-adventskalender leeg bleek. Zo’n verrassing zal mij deze maand vast niet gegund zijn.

Een jaar een match

Hoewel er romantische zielen zijn die zeggen dat in het geval van echte liefde alles vanzelf gaat, hoor ik vaak dat een goede relatie hard werken is.

Ik weet het niet. Een goed voorbeeld heb ik nooit gehad. Mensen die zeggen dat een slecht voorbeeld nuttig is (zodat je in elk geval weet hoe het niet moet) vergeten dat er over het algemeen meer manieren zijn om iets verkeerd te doen, dan dat er manieren zijn om het goed aan te pakken. Ik heb zelf verschillende methodes gevonden om een relatie te verpesten, daar had ik het mislukte huwelijk van mijn ouders niet voor nodig.

Het is vandaag exact een jaar geleden dat ik Tinder installeerde op mijn telefoon. Ik had Tinder al eerder gebruikt en hoewel ik redelijk wat leuke matches had sprak ik met niemand af. Daten is een hele toestand en kennelijk was ik van niemand zo onder de indruk dat ik bereid was om dat voor even te vergeten. De matches en de gesprekken waren goed voor mijn zelfvertrouwen, maar kostten me toch wat te veel van mijn tijd, waardoor ik Tinder van mijn telefoon verwijderde.

Ik geloof graag dat er een bijzondere reden was dat ik Tinder opnieuw installeerde, dat er een hogere macht aan het werk was, maar de werkelijkheid is zelden romantisch. Ik herinstalleerde een jaar geleden Tinder omdat ik het leuk vond om mijn belevenissen via Twitter te delen. Op een relatie zat ik niet te wachten, ik had al genoeg gedoe in mijn leven en bovendien had ik niet de indruk dat ik erg goed was in het hebben van relaties.

Doordat ik zo fanatiek over Tinder schreef op Twitter, kan ik nu precies achterhalen wat ik zoal tegenkwam een jaar geleden. Ik zag mijn ex langskomen, bijvoorbeeld, de ex met wie ik 7,5 jaar samen was. Kennelijk was ik er zo van geschrokken zijn foto te zien dat ik een ‘nope’ swipete voordat ik bedacht dat het wel interessant zou zijn om te lezen wat hij in zijn bio had staan. Ook kwam ik mijn eerste echte verkering tegen, we hadden een match, hij had me niet herkend. Na even gepraat te hebben verwijderde ik hem weer. Ook zag ik een profiel met een foto van een heel varken aan het spit en begreep niet waarom iemand dacht daar vrouwen mee te versieren. En ik had een leuke match.

Ik was meteen in paniek over de leuke match. Er waren eerder leuke mannen op Tinder en ik voelde nooit de behoefte met ze af te spreken, maar na een paar zinnen gewisseld te hebben met deze match wist ik dat ik er niet onderuit zou komen om hem in het echt te ontmoeten. Ik zou me altijd af blijven vragen hoe het geweest zou zijn en dus was er twee weken later een date. En vijf dagen nog een. In december vierden we samen kerst, we kusten elkaar op 31 december om twaalf uur, er kwamen naamkettingen, er was een vakantie en tussendoor kwamen we het bed niet uit. Liefde is mooi, maar verhalen over verliefdheid zijn allemaal hetzelfde, hoewel het altijd voor iedereen knetterbijzonder voelt.

Veel interessanter is het om te kijken naar hoe het na een jaar gaat. In elke vorige relatie had ik een soort voorbehoud: dit is leuk voor zolang het duurt. Nog steeds geloof ik niet dat liefde per se een leven lang moet duren om waardevol te zijn, maar toch houd ik deze keer geen rekening met een naderend einde. Althans, ik maak geen leuke plannen voor na dat einde, soms vrees ik het einde wel. Dan zeg ik ‘ik dacht vandaag dat je bij me weg zou gaan’, en hij zegt dan ‘och liefje, alweer?’

Ik denk dat ik na een jaar kan zeggen dat een goede relatie werken is. Of het hard werken is weet ik niet, maar ik ik geloof dat ik gewerkt heb. De theorie dat in het geval van echte liefde alles vanzelf gaat, is slechts op een korte periode van toepassing. In die periode ben je met niet veel meer zaken bezig dan de fysieke. In die periode bestel je pizza, omdat alle supermarkten gesloten zijn tegen de tijd dat je de slaapkamer uitstapt omdat je honger hebt. In die periode heb je een schrale kin van zijn stoppels. Ik herinner me dat we in die periode wel eens tegen elkaar zeiden dat dit allemaal niet te lang moest duren, dat we het vast zouden missen als het voorbij was, maar dat het niet handig was dat we nergens meer aan toekwamen.

De periode duurde langer dan we voorspelden, maar het was voorbij voor we er erg in hadden. Werken voor de relatie begon met me realiseren dat het misschien niet aantrekkelijk was dat ik altijd zijn boxershorts droeg. Later, toen seks niet meer iets was dat ons overviel als we eigenlijk iets anders van plan waren, bedacht ik dat ik initiatief moest nemen. De eerste keer dat ik dat dapper deed op een moment dat er verder niets in de lucht hing lag hij op de bank. Ik ging op hem zitten en gaf hem zachte kusjes in zijn nek. Het leek even te duren voordat hij mijn bedoelingen had opgepikt, maar na een tijdje hoorde ik zijn ademhaling trager en dieper worden. Het wond me op. Toen ik hem lang en diep door zijn neus hoorde inademen, keek ik hem aan. Ik verwachtte dankbaarheid over het initiatief dat ik had genomen, in plaats daarvan was ik van dichtbij getuige van de grootste geeuw die ik in maanden had gezien.

Moeite doen voor een relatie zit niet in een keer je best doen. Moeite doen zit in jezelf oprapen voor iemand anders. Ik ben het afgelopen jaar veel in paniek geweest over het hebben van een relatie. Soms vertelde ik het hem, soms besloot ik het voor mezelf te houden. Vaak maakte ik daar een verkeerde keuze in, wat de paniek niet ten goede kwam. Ik moest vaak huilen en dat deed ik dan bij voorkeur stiekem, omdat ik dacht dat het beter was als hij het niet zag. Soms voelde ik me alleen en ik geloof dat het geheim van werken aan een relatie zit in wat ik op die momenten deed, in wat ik op die momenten anders deed dan in mijn vorige relaties: me realiseren dat een eenzaamheid een gevoel is waar je iets aan kan doen, me realiseren dat er in deze relatie nog iemand anders bestaat dan ik en dat deze ander ook gevoel heeft, een gesprek aangaan, laten zien dat ik moet huilen, een grapje maken, sorry zeggen, waardering uiten. Me realiseren dat weggaan geen oplossing is.

Afgelopen zondag gingen we ‘s ochtends naar de Stadjersmarkt. Ik kocht een boek van Roald Dahl dat ik al tien keer gelezen had en hij een houten scorebord waarop we scores over willekeurige zaken bij wilden gaan houden, wie de meeste taalfouten maakt bijvoorbeeld. Tussen de middag bakte ik burgers die ik met veel groente en saus tussen twee boterhammen serveerde. We lagen samen in bed, we hadden goede gesprekken. Hij werkte wat achter de computer terwijl ik las. Omdat ik last van mijn nek had, legde hij twee matjes op de grond, gaf mij een van zijn parkietenleggings om aan te trekken en zocht een geschikte yoga-instructie op Youtube. Het hielp. Daarna bestelde hij pizza en zette Formule 1 op. We zaten samen op de bank, ik las De Heksen voor de elfde keer, hij keek de wedstrijd en kneep af en toe in mijn voet om te laten weten dat hij aan me dacht.
Ik dacht terug aan wat ik de afgelopen maanden had gedaan, aan Dichters in de Prinsentuin, aan zomerdagen in het plantsoen, aan mijn verjaardagsfeest, het aardbeipak dat ik toen droeg en wie er allemaal waren.
‘Dit is de mooiste dag van de tweede helft van 2018,’ zei ik. Ik schrok van hoe erg ik het meende, moest een beetje huilen en deed niet mijn best het te verbergen.

Fauna

In mijn slaapkamer woont sinds kort de dikste huisvlieg die ik ooit heb gezien. De vlieg is zo groot dat zijn vleugels hem nauwelijks kunnen dragen, hij vliegt steeds maar enkele centimeters boven de grond. De dikke huisvlieg is harig, luid en traag. Ik denk dat hij aan zijn laatste dagen begonnen is. Als ik binnenkort mijn slaapkamer opruim en zijn lichaam tussen het afval op mijn vloer vind, zal ik het begraven in de tuin. Daarna maak ik met een jampot en azijn een val voor de fruitvliegen in mijn keuken. Ik zal ze niet laten verdrinken, maar laat ze vrij bij een ondergrondse afvalcontainer in de buurt.

Voor altijd samenblijven

Soms loop ik liever om als ik hem in de verte zie. Het is een aardige man, maar ik heb niet altijd zin in een praatje. Hij wel. Toen ik hier net woonde en in mijn tuin zat, ontdekte ik hoe vaak hij rondjes over de binnenplaats van ons huizenblok loopt. De heggen zijn hier laag en hij knoopte iedere keer dat hij langskwam een praatje aan, soms wel drie keer op een middag. Ik maak nu nauwelijks nog gebruik van mijn tuin, er wonen hier meer mensen die behoefte hebben aan contact.

Als het mooi weer is bouwt hij met behangtafels vol spullen een rommelmarkt voor zijn huis. Ik heb nog nooit iets van hem gekocht, wel vraag ik hem als ik langsloop hoe het gaat met de zaken. Lange tijd ging het goed, dan vertelde hij wat hij uitgestald had, alsof ik de spullen zelf niet kon zien liggen. Een wasmand, videobanden, oude emmers, een tinnen kannetje. Merkloze Barbiepoppen. De afgelopen maanden liep de verkoop terug.
‘De mensen zijn zuinig,’ zei hij. ‘Maar ik moet bezig blijven.’

Een paar weken geleden stond hij in de opening van zijn voordeur. Het was mooi weer, maar de behangtafels stonden er niet. Hij droeg de morsige gele polo die hij meestal draagt.
‘Geen zaken vandaag?’ vroeg ik.
‘Nee meid,’ zei hij. Daarna bleef hij stil, dat was ik niet gewend.
‘Hoe gaat het ermee?’
‘Niet zo goed,’ zei hij. ‘De vrouw, hè? De nieren. Nog maar vier procent. Dat is niet best. Ze ligt de hele dag op bed.’
Zijn stem was nog zachter dan anders.
‘Het gaat snel. Twee weken geleden was er niets aan de hand.’
‘Och,’ zei ik. ‘En nu?’
‘Afwachten,’ zei hij. ‘Verder kan ik niets doen.’

Na een paar dagen zat ik vijf auto’s voor zijn huis geparkeerd staan. Toen ik hem tegenkwam durfde ik hem niets te vragen. Hij begon uit zichzelf te vertellen.
‘Het is gebeurd,’ zei hij. ‘Gisterochtend. Ik zat bij haar en ze was zomaar weg.’
Ik dacht aan het grote huwelijksfeest dat hij vorig jaar had gegeven, waar hij maar vol trots over bleef vertellen. Hoe lang ze samen waren, hoeveel mensen er op het feest waren gekomen, hoeveel kleinkinderen hij had.
‘Jullie waren lang getrouwd, toch?’
‘Eenenzestig jaar, meid.’
Oscar en ik hebben het soms over hoe lang we samen blijven. Voor altijd. Oud worden vind ik onvoorstelbaar, zoals ik het me als kind niet in kon denken dat ik ooit volwassen zou zijn.
‘Dat is heel lang,’ zei ik.
‘Ja,’ zei hij. ‘Ik moet gewoon door. Het is niet anders.’

Nu loop ik wat vaker langs zijn huis. Hij staat steeds in zijn deuropening en buiten wordt het alsmaar kouder.