Poëzie #6a

Ik richt mij niet ten gronde maar trek met een vlijmscherp mes lijnen in het tapijt
Lijmresten poederen de lucht als ik de donkergrijze mat van jouw vloer afruk
Zonder stofmasker werk ik door, de ruwe bult in de hoek groeit met de dag
Ik kijk er soms naar om en zie: de tijd brandt er de rafels af

Love is a concept by which we measure our pain, lieverd.

Weet je nog hoe ik als kleermaker bij de gashaard zat
de hitte op mijn rug gericht mijn huid zo warm
en rood dat je dacht dat ik voorgoed zou blijven
gloeien. Al die keren dat ik zonder te kijken
achter mijn rug de knop om wilde zetten

Op mijn armen draag ik nog de plekken

 
Voor Dichters in het Donker bekeek ik het kleine stapeltje gedichten dat ik vorig jaar schreef en schrok. Ik zou zo ongeveer alles moeten herschrijven. Wat een pretentieuze pulp. Ik werd er een beetje droevig van. Dit gedicht herschreef ik, er bleef weinig van over, het werd bovenstaande versie. Volgend jaar zal ik me hier weer voor schamen. Dan zal ik een #6b schrijven.

Poëzie #8

Hij zei dat ik niet hoefde te doen alsof ik het lekker vond
Hij droeg Axe, het was mijn eerste keer. We wisten beiden niet
dat pijn en plezier in dezelfde spieren liggen

Jaren later sliep ik op woensdagen bij een man
die de rest van de week naar een Aziatische partner zocht
Na zestien weken slokte hij tot maandag mijn gedachten op
Voordat de dagen elkaar zouden raken, bedankte ik voor wat we hadden
en wachtte tot er niets anders overbleef dan een lichamelijke reactie op Davidoff

Mijn oudtante Tjaaktje was een van de eerste Veenkoloniale marktstrategen. Zij onderwees me:
Verleiden is niets meer dan iemand ongemerkt een bekend verhaal te laten herbeleven
Het hare speelde in een geurloze kamer en ging over trots
die af te meten was aan de diepte van groeven in een bleek gelaat

Ik zal parfum gaan dragen

Poëzie #7

Treffen

Ik verzin je in de ogen die me kruisen
de schouders die me raken in voorbijgaan
als ik mij gejaagd een weg baan
door overvolle winkels, straten
steeds zou jij het kunnen zijn

Als wij elkaar dan hebben
handen in elkaar, de wangen vastgeplakt
hoe weet ik dat de adem in mijn hals van jou is
hoe weet jij dat ik ben wie jij dacht dat ik was
of wanneer dit is ontstaan

We stonden allebei al aan

Poëzie #6

Bodem

Wat mij ten gronde richt
is niet nu zonder jou maar
herinneringen aan jouw vloer
zijn korreliger met de dag
maandelijks breken delen af
scherpe beelden lossen op
tot ik in gedachten aan
de plekken waar ik ben geweest
niet besef dat er in mij
iets wezenlijks ontbreekt

Hoe ik als kleermaker bij de gashaard zat
de hitte op mijn rug gericht mijn huid zo warm
en rood dat je dacht dat ik voorgoed zou blijven
gloeien de vloerbedekking golfde waar het lastig
te leggen was wanneer ik geen sokken droeg
drukten stugge zwarte haren vlakke hoeken
in mijn enkels het groene kleed op jouw bank
was zachter hoe vaak ik die voor de kachel legde
en al die keren dat ik zonder te kijken
de knop achter mijn rug om wilde zetten

Op mijn armen draag ik nog de vlekken

poëzie #4

Wezen

Je houdt van dierlijk, beestachtig,
als een mol in mijn aarde
maar denkt dat mensen verheven zijn
Ik weet hoe het zit, bouw burchten als bevers
Mijn bed laat net genoeg ruimte voor mij

Tussen kranten en schillen
mijn huis is met schimmel gestuukt
trekbandzakken zijn dragende muren
Ramen ontstaan onder druk
Continu

Poëzie #3

Boomkor

Hoe houden vissers zich staande
op een schokkende kotter
Ogen als splinters
de vingers verkrampt
Als apparaten sorteren ze
een stroming happende platvis
schollen in scholen
op lopende band

Rubber handen strippen, snijden
smijten de levende lijken op ijs
tot een van hen grijpt
naar onverklaarbare bijvangst

In een waterdichte vuist
zit een meerman die zojuist
haast bezweek
onder het stikkende gewicht
van een natte massa vis

Het kokkelige zeewezen
beweegt zijn lippen
Zijn blik brandt
Hij slaat zijn vingers stijf
rond de gele plastic drietand
die weken geleden nog
in een portie kibbeling stak
Heft zijn arm
Vloekt en foetert
Schreeuwt onhoorbaar
Zijn keeltje rauw
Over vader, oceanen
en gevaar

Voor de vissers bestaat niets
dan razende machines
het klappen van de regen
de kermende zee en
even het gelach
over hoe dat malle zeebeest
net een ventje is

Poëzie #2

Veendam

Al mijn herinneringen zijn dichtgetimmerd
hier lopend lijkt het net of ruiten altijd van hout zijn geweest

Graffiti op geperste gevelplaten
voor bar-dancing de Barrage
waar ik dansend af bleef tellen
tot mijn vader me kwam halen

MDF voor de Chinees met kipstukjes
in de “tjap tjoy – vegetarisch”
want dat telde niet als vlees

Vroeger moest je hier nog mensen groeten
de beslipperde sokken verdwenen
Op dinsdagmiddag
lijken de huizen nu
een decor
van rood karton

Iemand zegt dat de bomen in het park zijn gekapt
Tussen struiken weggestoken plekken
losten op in overzichtelijk terrein
De ontsnappersbiotoop werd een groengemaaide vlakte
Ik begrijp meteen: het was een veldslag
vraag waar de stammen gebleven zijn

 

Poëzie #1

Martijn

De stoep was een zure mat
Als ik naar je toeliep dacht ik soms
dat je me niet echt uitgenodigd had
Dat de straat een simulatie was
constant langer werd
en onophoudelijk rekte
Jouw huis stond op de horizon
en ik kwam altijd aan

Er lag in de sloot een vogelkarkas
waarvan je later het kale skeletje
op je kamer wilde zetten
Je had dino’s, een husky
met de ogen van David Bowie,
een broer, een zus,
jullie tekeningen hingen
ingelijst

Mijn kunst was een pleister
De kamerdeur had organen van karton
Ik zag ze door gaten
die mijn vader maakte

Dat deed hij vaker