Hoe moet het nu met de gokverslaafden

Het is nu haast een week geleden dat er brand woedde in het Holland Casino in Groningen. Een paar dagen na de brand dacht ik: hoe moet het nu met de gokverslaafden? Ik moest er een beetje om lachen, hoewel brand en verslaving niet grappig zijn.

Er wordt momenteel gesproken met omwonenden, terecht, er is van alles aan de hand, maar ik denk nog steeds aan de gokverslaafden. Hoe gaat het nu met ze? Waar gaan ze heen? Blijven ze thuis?

Als cold turkey afkicken van een gokverslaving werkt, pakt het sluiten van het casino voor sommige mensen vast goed uit. Ik kan me ook voorstellen dat de gokverslaafden zich naar andere casino’s hebben verplaatst, plekken met versleten vloerbedekking. Misschien kunnen de gokpaleizen in de binnenstad dan het bandje met geluid van klaterende muntjes uitzetten en de luidsprekers bij de ingangen weghalen, omdat de plekken binnen eindelijk allemaal bezet zijn.

Het Holland Casino vertelt altijd graag over gokpreventie. Over de gesprekken die medewerkers met te frequente bezoekers voeren. Hoe moet het met de man die de afgelopen tijd net iets te vaak het casino bezocht? Ik denk dat het leven hem de afgelopen tijd allemaal net wat minder kon schelen. Hij scheert zich te weinig en drinkt te vaak. In een ruzie gaf hij vandaag zijn vrouw een duw en nu weet hij niet meer hoe het moet. Hij zou naar het Holland Casino gegaan zijn, daar zouden ze een gesprek met hem gevoerd hebben, omdat het opviel dat hij wel erg vaak was langsgekomen. Het Holland Casino is er niet meer. Wat gaat hij vandaag doen?

Ik denk aan hem.

Overall

“Dat is mijn vriend.”

Mijn wangen kleurden nog roder dan het gezicht van Lisa, die mij onbarmhartig neersabelde met deze mededeling.

Ik had zojuist een opmerking gemaakt over een jongen die in een overall door de school liep. Dat deden er wel meer, want mijn middelbare school bood de mogelijkheid in de praktijk te leren. Koken. En dakdekken. Ik vermoed dat de jongens in overalls vooral met auto’s bezig waren. Zeker weet ik dat niet, want op de havo werd niet gesleuteld. En we liepen niet in handige, blauwe pakken.

“Dat is mijn vriend.”

Ik herinner me niet wat ik precies had gezegd, ik weet alleen nog dat ik het niet zo lelijk bedoelde als het klonk. Kom daar maar mee aan, als iemand de handen stevig in de zij geplant heeft en je recht in de ogen kijkt. Dus ik stamelde wat.

Die dag leerde ik een belangrijke les. Een les waar ik al eens een voorproef op had gehad, toen een vriendin me vertelde dat zij opgroeide in een VPRO-gezin en ik in een RTL4-gezin.

Ik leerde een les die geen leraar had kunnen voorbereiden. Een les die tot stand kwam, doordat op mijn school in de brugklas alle leerlingen door elkaar zaten. Pas daarna werden de klassen naar niveau ingedeeld. Op mijn school kenden de meeste leerlingen niet alleen leerlingen met hetzelfde opleidingsniveau. Gelukkig, want we hadden nog de flexibele breinen waarmee je belangrijke lessen kan leren.

Het pleidooi van Vincent Fiddelaar in Trouw verbaast me. Het lijkt deze docent geschiedenis een goede zaak dat vanaf groep acht de wegen van leerlingen zich scheiden, zodat leerlingen van verschillende niveaus geen hinder van elkaar ondervinden.

Dat klassen met niveauverschillen uitdagingen met zich meebrengen, geloof ik meteen. Irritaties? Natuurlijk. Jaloezie? Ongetwijfeld. Is het niet aan leraren om deze zaken (die bij het leven horen!) te begeleiden?

Fiddelaar sluit zijn verhaal af met een opmerking over de arbeidsvreugde van docenten. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat voor hem daar het werkelijke probleem zit.