Na een avond op een invalwerkplek

Ik liep naar de trein en dacht aan mezelf. Niet aan de collega die er doorheen zat. Niet aan andere collega’s. Niet aan de cliënt (op mijn vorige werk heetten cliënten gewoon bewoners, ik vind het woord cliënt stom, maar ze noemen ze bewoners overal cliënten) en hoe het met haar ging. Ik dacht alleen aan dat ik dit niet mee had willen maken.

Afgelopen week was er op een invalwerkplek een incident met agressie dat diepe indruk op me maakte. De agressie was op mij gericht. Ik ken agressie bij mensen met een beperking en ik ben wel vaker bang geweest, maar nog niet eerder was het zo erg als afgelopen week. Geeft niets, dacht ik. Als ik er maar weer sta de volgende keer. Als ik maar zie dat het ook goed kan gaan.

Het ging niet goed.

Gisteravond was het om acht uur stil in Nederland, maar daar kreeg ik niets van mee. Het ging mis met de cliënt die eerder deze week agressief naar mij was. Er zijn veel dingen die je leert als je jaren in de gehandicaptenzorg werkt, een van die dingen is dat agressie te maken heeft met angst. Ik heb nog nooit iemand zo lang zo ontzettend bang gezien en ze was niet gerust te stellen. Zij aan de ene kant van een deur, wij aan de andere kant van een deur. Voor ieders veiligheid.

Soms ga je na een heftige avond naar huis met het gevoel dat je het goed hebt gedaan. Ik kon alleen maar denken aan wat ik niet kon doen, doordat ik een invalkracht ben, doordat ik het eerdere incident nog in mijn lijf had zitten en doordat de situatie te groot was.

Dan was er nog de veiling van een tekening. De veiling zou vlak nadat ik vrij was afgelopen zijn en dat zou me net de gelegenheid geven om op de tekening te bieden. Doordat ik langer had gewerkt ging die aan me voorbij. Ik was bijna bij het station en pakte mijn telefoon uit mijn tas om te zien wat de tekening op had gebracht. Ik bleek nog een minuut en zeventien seconden te hebben om te bieden.

Op de tekening is een vrouw te zien, ze heeft een klein kleedje over haar buik liggen en daar steekt ze een van haar armen onder. Ik vond het op de afdeling erotica, tussen beduimelde Duitse seksblaadjes en te sterk ingezoomde foto’s. 

Ik besloot te bieden en won de veiling. De behoefte aan iets positiefs meemaken was zo sterk dat ik hardop moest lachen.

Pas in de overvolle trein voelde ik mijn rug en ik moest bijna huilen toen een man zomaar tegen een jongen zei dat hij zijn tas van de stoel moest zetten zodat ik kon zitten. Ik deed mijn oordoppen in en tikte de suggesties die Spotify me deed allemaal door. Er was weinig dat ik wilde horen. Bij een nummer van The Offspring bleef ik hangen.

You gotta keep ‘em separated

Ik houd niet van The Offspring, maar ik heb dit nummer vroeger vaak gehoord. Geruststelling vind je in dat wat je kent.

Hey, come out and play

Hoe ik heet, wie ik ben

Ik herkende hem meteen, toch vroeg ik voor de zekerheid zijn naam aan de barvrouw. ‘Ewoud,’ zei ze. Het was hem echt. De man die vorig jaar onder te veel Facebookberichten een reactie achterliet. De man waar ik zo’n medelijden mee had. De man die me graag wilde helpen als hij dacht dat ik het moeilijk had. De man tegen wie ik niet durfde te zeggen dat ik zijn berichten onprettig vond. De man waar ik het benauwd van kreeg. De man die ik van Facebook verwijderde. De man die me vroeg waarom ik dit had gedaan, geen genoegen nam met mijn korte uitleg en nog dagenlang berichten bleef sturen. Een keer zelfs midden in de nacht, omdat hij er niet van kon slapen dat we geen vrienden meer waren.

Hoewel de man me niet herkende, was ik blij dat hij mijn echte naam waarschijnlijk niet kende.

Ik trad anderhalf jaar geleden eens op onder een verzonnen naam. Jirke Poetijn. Na dat optreden maakte ik dit blog aan. Het is prettig schrijven onder een pseudoniem. Je kan grote geheimen delen en verzinnen als mensen niet weten wie je bent. Ik dacht dat Jirke Poetijn alleen op internet zou bestaan, maar ik organiseerde een open podium dat ik presenteerde als Jirke, waarna er mensen waren die me bij een verzonnen naam noemden.

Mijn echte voornaam was lange tijd op mijn blog, op Facebook en op Twitter te vinden, totdat iedereen me online Jirke noemden, behalve mannen die privé-berichten stuurden waarin ze veel te dichtbij kwamen.

Op steeds meer plekken heet ik Jirke, omdat er steeds meer redenen zijn om mijn online identiteit aan te laten sluiten bij de offline variant van mezelf. Iedere keer dat ik besluit ergens me Jirke te noemen terwijl ik eigenlijk anders heet, moet ik wennen aan de verzonnen naam op een nieuwe plek.

Toen mijn vriend en ik naamkettingen kochten, vroeg een vriendin met welke naam mijn vriend om zijn nek liep.
‘Toch niet Jirke?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Gelukkig.’

Met een andere vriendin at ik vorige week pizza. Ik vertelde haar over de boventiteling die ik voor een theatergezelschap doe. En dat iedereen daar denkt dat ik Jirke heet, omdat ik me aan had gemeld met mijn Jirke-emailadres. Ik heb daar wat spijt van.
‘Het voelt ongemakkelijk,’  vertelde ik. ‘Op andere plekken is er altijd een goede reden om me voor te stellen als Jirke. Nadat ik de mail had afgesloten had met Jirke vond ik het raar om alsnog te zeggen dat ik eigenlijk een andere naam heb. En nu blijf ik me maar als Jirke voorstellen.’
‘Nou,’ zei ze, terwijl ze een stuk pizza dubbelvouwde om in haar mond te steken, ‘volgens mij vind je het gewoon hartstikke interessant.’
Ik dacht aan de boodschap van een ex die zo vaak herhaald is dat hij als een soort mantra in mijn brein is blijven hangen: je wil alleen maar aandacht, je wil alleen maar aandacht, aandacht, aandacht, aandacht.
‘Nee,’  zei ik. ‘Nee.’

Vorige week had ik een vergadering. We hadden het over poëzie. Er was taart. Iemand noemde me bij mijn echte naam. Iemand anders was verbaasd.
‘Heet je geen Jirke meer?’ vroeg ze.
‘Zo heet ik natuurlijk niet,’ zei ik. ‘Eigenlijk.’
‘Voor mij heet je gewoon Jirke.’
‘Dat is goed,’  zei ik. ‘Ik luister naar beide namen wel.’

Over mensen dromen

Ik heb vannacht over een dichter gedroomd. Hij troostte me. Ik herinner me niet dat ik verdrietig was, misschien is het fijn om getroost te worden zonder droef te zijn. De dichter is langer dan ik ben. In mijn droom kwam hij achter me liggen in bed. Een grote, veilige lepel.

Ik vertelde mijn vriend over de droom. Hij luisterde. Ik zei dat het er heel platonisch aan toeging vannacht. De dichter valt niet op vrouwen, dat was in mijn droom ook zo. 
‘Ja,’ zei mijn vriend. ‘Dat zegt natuurlijk niets over jouw gevoelens.’
Daar had ik niet aan gedacht.

Ik droom vaak over mensen. Toen ik in een callcenter werkte, droomde ik regelmatig over collega’s. In dat callcenter heb ik geleerd dat anderen het niet per se willen weten als je over ze gedroomd hebt. Ik vond het meestal leuk als ik me bij het zien van iemands gezicht een droom herinnerde. De ander schrok soms als ik erover vertelde, dus ik besloot de dromen vaker voor me te houden. Toen ik eens droomde dat ik met een teamleider naar de bioscoop was geweest en het hem vertelde, omdat ik dacht dat hij het wel kon waarderen, reageerde hij zo ongemakkelijk dat ik het helemaal afleerde om anderen over hun nachtelijke bezoekjes te informeren.

Later droomde ik over Freek Vonk. Het was een merkwaardige, vrij expliciete droom. Ik werd wakker en vond het erg grappig dat ik zo’n rare droom had gehad. Enthousiast vertelde ik mijn toenmalige vriend onmiddellijk over de plek op mijn lichaam waar Freek zijn ejaculaat had achtergelaten. Hij kon er niet om lachen.

Het is lente

Ik zou bijna zeggen: een depressie is ook maar relatief.

Gisteren at ik met een aantal mensen waarvan er één weet hoe het vorig jaar echt met me ging. De rest ken ik sinds november. Ik vertelde dat dat ik de beste winter had sinds ik op mezelf woon en nog nooit zo ontevreden ben geweest over hoe het met me gaat. In de afgelopen maanden heb ik twee keer lichttherapie gehad en de grootste winst daarvan is dat ik met een helder hoofd terug kan kijken op hoe ik gefunctioneerd heb.

‘Je hebt depressies en je hebt depressies,’ zei iemand.
Ik vertelde dat ik vorig jaar thuis letterlijk tot aan mijn kuiten in het afval stond. Om een depressie uit te leggen heb je geen metaforen nodig, dacht ik. Maar een metafoor is gemakkelijker te gebruiken dan een omschrijving van de werkelijkheid. Dat ik een laag afval op de vloer had liggen vertel ik met gemak, want ik heb het al twintig keer verteld. Ik heb erop geoefend. In mijn hoofd zitten nog tientallen voorbeelden gevangen.

Vorig jaar vond ik dat ik wel redelijk functioneerde. Ik was moe, maar ik werkte veel. Het was een rommel, maar die kon ik opruimen. Er lagen enveloppen, maar die kon ik openen. Er zaten ladders in mijn panty, maar ik kon nieuwe halen. Ik at borrelnootjes, maar ik zou kunnen koken. Ik deed het allemaal niet.

Deze winter valt het allemaal wel mee. Tenminste, ten opzichte van vorig jaar. En ten opzichte van de jaren ervoor. Ik kan gewoon door mijn huis lopen. In de keuken is genoeg plek om te koken. Er hangt geen slecht voorgevoel in mijn hoofd. Misschien zorgt dat voor ruimte om te kijken naar hoe het echt gaat. 

‘Sinds je een relatie hebt, spreken we elkaar niet veel meer,’ zei een vriendin vorige week. 
Ze had ongeveer gelijk. Ik kreeg een relatie op het moment dat de winter in mijn hoofd begon. Ik kreeg een relatie op het moment dat ik tien uur per nacht begon te slapen. Ik kreeg een relatie toen ik moeite kreeg met het openen van post.
‘Ik mis je,’ zei ze. Daar schrok ik van. Ik verwachtte niet dat iemand me zou missen.

Ik keek naar de post die er nog lag en opende die. De energieleverancier wilde dat ik de meterstand doorgaf. Ergens tijdens mijn gedeprimeerde geestestoestand van vorig jaar besloot ik dat ik de verwarming het liefst constant op 23 graden wilde hebben, daar had ik niet meer aan gedacht. Ik ruimde op. Ik schreef een verslag. Ik opende de gordijnen. Ik stuurde wat mensen een bericht. Ik deed de was. Ik bakte een taart.

Ik denk na over hoe het volgende winter beter kan.

Elf dingen die ik wil zeggen als mensen me vragen hoe het leven bevalt nu ik mijn werk heb opgezegd en alle tijd heb om te schrijven

1.
In de winter valt alles tegen.

2.
Een paar maanden geleden hoorde ik iemand zeggen dat ze een periode niet had geschreven en zich daar zorgen over had gemaakt. Een ander had haar toen verteld dat het niet erg was dat ze niet schreef, omdat het een goed teken was dat ze zich er zorgen over maakte. Ik maak me geen zorgen en hoop maar dat me daar zorgen over maken voldoende is.

3.
Gisteren werkte ik achter een bar. Ik leerde er dat je al gauw Mooie Dame heet als mensen je naam niet kennen. Een klant zei “ik kan gewoon heel slecht tegen vooruitgang” en ik schreef dit op een viltje. Ik deed het viltje in mijn tas, las vanmorgen de uitspraak terug en vond deze een stuk minder opmerkelijk dan toen ik hem opschreef.

4.
Ik las stapels gedichten, vond alles stom en vroeg me af of ik niet gewoon stiekem toch een hekel aan poëzie heb.

5.
De afgelopen week was ik op vakantie. Ondanks mijn voornemens las en schreef ik zo ongeveer niets. Ik wilde met mijn vriend de 36 vragen om te stellen om verliefd te worden beantwoorden. Dat was onnodig, maar van een beetje bestendiging is nog nooit een relatie op de klippen gelopen. Ondanks dat hij instemde met het beantwoorden van de vragen, kwam het ook daar niet van.

6.
Ik weet soms niet wanneer ik ten onder ga aan mijn eigen verwachtingen of een gebrek daaraan.

7.
Laatst was ik op mijn oude werk, ik speel er soms nog in het theater dat de bewoners op vrijdagavond bezoeken. Het was een goede beslissing om te stoppen met dat werk, al weet ik niet zo goed wat ik nu met de vrijgekomen ruimte aan het doen was. De bewoners weer zien was moeilijk. Ik moest huilen toen ik vertrok.

8.
Ik ruim mijn huis tegenwoordig wat op. Mijn moeder zei dat ik nog niet eerder in de winter alles zo netjes had. Bij het schoonmaakbaantje dat ik heb, verrekte ik binnen een uur mijn pols zodanig dat ik mijn andere werk een tijdje moest laten liggen.

9.
Het allemaal niet weten is een voortdurende toestand, dat moet ik mezelf altijd blijven voorhouden.

10.
Ik doe veel leuke dingen. 

11.
Tegenwoordig heb ik veel tijd en weinig geld. Ik vind weinig tijd erger dan weinig geld en ben benieuwd of ik daar over een jaar nog zo over denk.

Sleutels geven

Ik had besloten hem mijn huissleutels te geven. Ik heb moeite met visite, maar hij mag altijd naar binnen. Het leek me logisch dat hij dan ook zelf naar binnen zou kunnen komen. Een vriendin nam de reservesleutels die bij haar lagen voor me mee (“het is wel duidelijk op welke plek ik ben komen te staan”), ik had de sleutels vervolgens op een bereikbare plek in het voorvak van mijn tas gedaan en ging naar hem toe.

Nog voordat ik de sleutels kon geven, kregen we onenigheid. Of nee, we begrepen elkaar verkeerd. Het was niets dramatisch, maar het overhandigen van huissleutels zou het wel tot iets dramatisch gemaakt hebben, dus ik besloot ze in mijn tas te houden. Later hadden we goede gesprekken die ik niet wilde onderbreken voor het geven van sleutels. Eigenlijk gebeurde er die avond verder niets wat het onderbreken waard was. Een goed moment vinden bleek lastiger dan ik dacht. 

Pas de volgende ochtend dacht ik een moment gevonden te hebben. Hij vertelde iets over een sleutelbos die hij naar zijn werk gebracht had. Ik greep dat aan, het was een bruggetje, van bruggetjes moet je eigenlijk geen gebruik maken, bruggetjes zijn stom, maar ik wilde die sleutels gegeven hebben.
´Wacht,´ zei ik en ik sprong over hem heen het bed uit. ´Nu je het over sleutels hebt, ik heb nog wat voor je.´
Alsof het normaal is om te vergeten dat je je huissleutels voor je verkering mee hebt meegenomen en om er de volgende ochtend in bed dan ineens aan te denken.

Hij gaf me zijn sleutels ook. Ik weet nog steeds niet of het beter is om eerste of tweede te zijn met het geven van sleutels.

Elkaars sleutels hebben bleek nog ingewikkelder dan sleutels aan elkaar geven. Toen hij naar mijn huis kwam, belde hij gewoon aan. Dat is logisch, het zou gek zijn als hij ineens binnen stond. Aan de andere kant: waarvoor geef je elkaar je sleutels?

We vonden het beiden handig dat ik zijn sleutels had, omdat mijn fiets bij hem in de kelder moet staan en hij steeds vier trappen naar beneden moest lopen om de deur naar de kelder te openen. Maar toen ik voor zijn portiekdeur stond, wist ik even niet wat ik moest doen. Zelf naar binnen gaan, mijn fiets in de kelder zetten en naar boven lopen? En daar dan aanbellen bij zijn voordeur? Ik besloot om niet zelf zijn portiek binnen te gaan, maar om aan te bellen bij de portiekdeur.
‘Heb je de sleutels mee?’ klonk het door de intercom. 
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik zet even mijn fiets in de kelder.’
Met een zoem liet hij me binnen. Ik zette mijn fiets weg en op het moment dat ik de kelderdeur weer op slot wilde draaien, stond hij ineens achter me. Vier trappen naar beneden gelopen, terwijl het niet nodig was. Hij gaf me een kus.
‘Wilde je even kijken of het me allemaal wel lukte?’ vroeg ik. Zijn aanwezigheid maakte me wat onzeker. 
‘Nee,’ zei hij. ‘Ik kwam gewoon maar naar beneden. Het voelde een beetje raar om maar boven te blijven zitten.’

De baas van de psychiater

Ik mocht de psychiater wel. Tijdens het intakegesprek voor lichttherapie waarschuwde hij me voor bijwerkingen. Hij vertelde dat de kans ontzettend klein is, maar dat sommige mensen manisch worden van lichttherapie. Toen ik zei dat manisch worden me uitstekend leek, dat ik had gehoord dat je daar nog mooier van gaat schrijven, raakte hij er niet van in paniek. Dat vond ik een goed teken.

Het duurde even voordat ik moe genoeg was om lichttherapie te krijgen. Ik moest wekelijks vragenlijsten invullen, zodat de artsen in de gaten konden houden hoe het met me ging. Als er uit de lijsten zou blijken dat ik een winterdepressie kreeg, zouden ze contact met me opnemen. Toen ik halve etmalen in bed lag belde ik zelf maar.

Lichttherapie bleek iets wonderbaarlijks. Vijf ochtenden achter elkaar zat ik drie kwartier voor een grote lichtbak. Zo ongeveer elke twee minuten moest ik even recht in de lamp kijken. Op de eerste dag leek ik nog vermoeider voorheen. Op de tweede dag werkte ik in een half uur de mail weg waar ik al anderhalve week tegen aan zat te hikken. Op de derde dag deed ik de was. Op de vierde dag deed ik de helft van mijn afwas.

Om er zeker van te zijn dat de therapie echt had gewerkt, wilde de psychiater me na afloop even zien.

‘Hoe gaat het met je?’ vroeg hij.
Ik vertelde over hoe goed het met me ging. En ik vroeg of ik de volgende keer wat eerder mocht komen, omdat ik niet weer halve etmalen in bed wilde blijven liggen.
‘Dat mag zeker,’ zei de psychiater. ‘Je mag gewoon bellen. En misschien moet je de vragenlijsten ook wat eerlijker invullen.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Als je in moet vullen of je moe bent, kijk dan naar hoe lang je in bed ligt. En niet naar of daar oorzaken voor zijn, om daar vervolgens rekening mee te houden in je antwoorden. Niet denken: ik lig de hele dag in bed omdat ik een slecht gedicht heb geschreven. Gewoon invullen dat je erg vermoeid bent.’
‘Daar ligt het momenteel niet aan,’ zei ik.
‘Weet je dat mijn leidinggevende poëzie schreef? Van den Hoofdakker. Hoe heet hij? Kopland.’
De psychiater had me al eens over hem verteld en ik las onlangs dat Kopland een autoriteit was op het gebied van lichttherapie. Dat vond ik mooi.
‘Hij schreef niet onaardig,’ zei de psychiater. ‘Hij won er wel eens prijsjes mee.’
Ik moest een beetje lachen om de prijsjes.
‘Het was geen beroerde carrière’, zei ik.
‘We hadden wel eens discussies.’ De gedachten van de psychiater leken wat af te dwalen.
‘Over poëzie?’ vroeg ik.
‘Nee, nooit over poëzie. Ik heb daar niets mee. Als het over poëzie ging zei Van den Hoofdakker zei altijd: ik kan jou beter een bord aardappelen geven.’

De winter start vaak in het nieuwe jaar

Als ik het nodig vond om langs te komen en kreeg maar geen uitnodiging, mocht ik zelf bellen, zo hadden ze gezegd. Ik had week na week keurig middels een vragenlijst laten weten hoe het met me ging. Ik liet weten hoe moe ik me voel, op een schaal van 1 tot 5. Hoe fit ik me voel, op een schaal van 1 tot 5. Hoe somber ik me voel. Of die somberheid op verdriet lijkt. Of ik het me sterk aantrek wat anderen van me vinden. Of ik nog zin in seks heb. Of ik tevreden ben over hoe ik mijn werk doe.

Vorige week vulde ik de vragenlijst in en dacht: nu bellen ze vast.

Deze week sliep ik elke dag uit tot een uur of twee, vulde de lijst in en besloot na het versturen zelf maar te bellen. De verpleegkundige die gaat over het inplannen van de afspraken voor lichttherapie nam de telefoon niet op.

Nu heb ik energie, dacht ik. Nu moet ik bellen. Ik belde wel tien keer, vlak na elkaar, als iemand het had gehoord moest hij gedacht hebben dat er een noodgeval was, maar niemand hoorde de telefoon en het werd etenstijd en ik gaf het op.

‘Het is vast een test,’ zei ik tegen mijn vriend. ‘Ze herkennen me aan mijn nummer, zien hoe vaak ik bel en vinden dat iemand die de energie heeft om zo vaak te bellen nog lang geen lichttherapie nodig heeft. Ze wachten af om te zien of ik morgenochtend weer contact opneem, als ik morgenochtend niets van me laat horen geloven ze dat het erg genoeg is en dan bellen ze morgenmiddag terug.’
‘Dat is een uitstekende theorie,’ zei hij. ‘Je hebt er alleen geen rekening mee gehouden dat ze me ingelicht hebben en dat ik nu aan ze door moet geven dat je denkt dat er sprake is van een samenzwering en dat ze nu zéker geloven dat het tijd is dat je langskomt.’

Ik dronk vanmorgen Red Bull en belde toch zelf maar. De verpleegkundige vroeg of ik degene was die gisteren constant had geprobeerd contact op te nemen, ze wilde me al terugbellen.

Vanaf maandag zit ik elke ochtend drie kwartier voor een lichtbak. Ik probeer me voor te stellen hoe die bak er uitziet. En of ik er in mijn eentje voor zit, of met een hele groep mensen. Op een soort tribune. Een tribune vol mensen met mijn energielevel. Een tribune vol mensen met mijn gemoed.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om een week lang elke dag vroeg op te staan.

Gesprek

Het is me onhelder hoe ik er ondanks de goede voorbereiding zo verfrommeld bij kan zitten. Gisteren besloot ik dat ik verstandig was om alvast een outfit te passen en deze klaar te leggen. Onderop een stapel in mijn kast vond ik een rode blouse die perfect zat. Ik streek de blouse en hing hem keurig aan een kapstok. Nu ik naar beneden kijk, zie ik exact dezelfde kreukels als die er voor het strijken ook zaten.

De bovenste knopen van de blouse staan op spanning, dat was me thuis voor de spiegel al opgevallen. Vanmorgen trok ik de enige bh aan die niet in de wasmachine zat, de bh met kussentjes die ik heb voor het geval ik om onduidelijke redenen eens een cupmaat wil overdrijven of wil doen alsof mijn borsten nog door stevige huid overeind gehouden worden, de bh die ervoor zorgt dat ik niets voel als een borst vastgepakt wordt en me ondertussen af doet vragen wat degene die mijn borst beetneemt precies ervaart. Dit is niet de bh die ik droeg toen ik gisteren de blouse aantrok. Gisteren paste de blouse prima.

Vanmorgen had ik geen tijd meer om iets anders aan te trekken. Ik houd mijn schouders iets naar voren en hoop dat dat helpt.

De stoelen in de wachtkamer zijn versleten. Ik denk dat ze uit de jaren 80 komen. Er staat een grote plant. Niet zo een keurige uit het tuincentrum, maar een grillige. Een plant die klein gekocht is en hier is opgegroeid. Ik vraag me nu pas af hoe lang dit bedrijf bestaat. Ik heb me op geen enkele manier inhoudelijk voorbereid op het gesprek dat ik straks heb.

Volgens de klok had ik al vijf minuten geleden opgehaald moeten worden. Ik twijfel erover of ik een van de magazines van de tafel moet pakken. Het lijkt vast geïnteresseerd als ik er een lees, of ik wek de indruk dat ik geïnteresseerd over wil komen en dat lijkt me ook in mijn voordeel spreken, maar CustomerFirst trekt me op geen enkele manier aan.

Er hangen vergeelde posters van schilderijen aan de muur. Ingelijst. Onder elk schilderij staat op de witte rand in glimmende gouden letters dezelfde handtekening gedrukt. Kandinsky.

Dan voel ik iets langzaams en warms en realiseer me dat ik voor vertrek iets belangrijks vergeten ben. Mijn tampon verwisselen. Voor de zekerheid maandverband dragen. Ik kijk op de klok, het is negen minuten over tien. Ik wil naar de wc, maar ik twijfel. Ik heb niets meegenomen, ik wil de receptionist niet vragen of ze iets op voorraad hebben, maar ik kan een buffer van wc-papier in mijn onderbroek aanleggen. 

De bekleding van de stoelen is lichtblauw.

Op het moment dat ik besluit om naar de wc te gaan, hoor ik luide mannenschoenen over de gang in de richting van de wachtkamer lopen. Een man in een iets te ruim pak komt de kamer binnen, net terwijl ik opsta. De ruimte ruikt onmiddelijk naar after shave.

‘Sorry dat ik laat ben,’ zegt de man. ‘Jij bent Jirke. Hallo. Herman de Raad.’
Herman geeft me een stevige hand. Ik wil hem zeggen dat ik even iets moet doen, maar het lukt me niet. Herman praat door.
‘Bedankt voor het wachten. Ik heb het ontzettend druk. Er is een lijn uitgevallen.’
Herman lacht. Hij legt zijn hand op mijn rug en begeleidt me richting de gang.
‘Ik heb over een kwartier een spoedvergadering, dus ik heb maar kort de tijd. Laat ik terwijl we naar mijn kantoor lopen vast wat vertellen over wat we hier doen, en waar ik precies naar op zoek ben.’

Ik doe twee snelle passen en maak me los van de hand van Herman.