Zwemmen

We gingen zwemmen.
‘Ik houd echt niet van zwemmen,’ zei ik, ‘maar met jou lijkt het me wel leuk.’

Ik legde een kleed op het zand. Hij plofte erop neer en tuimelde om, doordat het zand schuin afliep. Toen ik mijn kleding uittrok bekeek hij me langzaam van top tot teen, zo had hij me nog nooit gezien. Zijn rolstoel parkeerde ik even verderop, in de schaduw, zodat de zitting niet heet zou zijn als we zouden vertrekken. Hij kreeg een zwemvest aan.

Zijn lichaam werkte beter in het water. In het ondiepe gedeelte rende ik op handen en voeten, met mijn buik naar boven gericht, van hem weg. ‘Je kan me toch niet pakken,’ zei ik. Hij haalde me op handen en knieën in en pakte mijn enkel. Met twee handen nam hij mijn voet beet en kneep mijn tenen bij elkaar. Hij probeerde de nagellak van mijn teennagels te krabben. Drukte mijn voet stevig onder water. Haalde hem weer omhoog. Drukte hem weer onder water. Pakte een bos wier, hield het boven het water en luisterde naar het geluid dat de vallende druppels maakten.

De zon scheen, maar het was nog vroeg, de warmte was aangenaam. Hij was rustig. Ik ook.

Mijn heupen met putjes waren het canvas voor een zandschilderij.
‘Mooi,’ zei ik.
Hij zei niets terug, dat hoeft ook niet, we begrijpen elkaar.

Terwijl hij mijn voet weer beetpakte en onder water drukte, haalde ik mijn handen door het zand en dacht aan de zomers die ik vroeger doorbracht in de sloot vlakbij mijn huis, aan de mossels die ik er opgroef en soms per ongeluk brak als ik ze open wilde maken.

 

Foto’s

Mijn telefoon stelt me voor dagen opnieuw te beleven. Regelmatig krijg ik de foto’s te zien die ik exact een of twee jaar geleden maakte. 28 april 2017 bracht ik door met iemand die ik toen vaker zag. Ik wist toen niet goed wat het te betekenen had, maar gezien de hoeveelheid foto’s die ik die dag van hem maakte hoopte ik er het beste van en gezien de manier waarop hij op die foto’s naar mij keek had hij er alle vertrouwen in.

Ik vind het moeilijk om uit mijn bed te komen. Iedereen noemt het een depressie, maar misschien is niet willen opstaan slechts een ongezonde gewoonte. Ik herinner me hoe schokkend ik het ooit vond dat ik door liefdesverdriet twee weken in bed ben blijven liggen. Volgens de foto’s op mijn telefoon begon dat verdriet op 6 september 2016, ik zei toen ‘laten we nog een laatste foto maken’ en ik vond dat zichtbaar grappiger dan hij dat vond.

Vanaf het moment dat ik geen foto’s meer van hem maakte, schotelde mijn telefoon me oude foto’s van hem voor, liefst met hond.

Soms voel ik me zo slecht over alles in mijn leven wat ik niet meegemaakt en gedaan heb, dat het me niet meer lukt om iets te doen. Ik heb het idee dat hier iets te doorbreken valt, maar ik weet niet hoe ik dat moet doen. Ik denk vaak na over hoe graag ik zou willen dat ik oneindig veel versies van mijn leven kon leven, en dat ik de uitkomst van elke mogelijke keuze en beslissing mee zou willen maken.

Passiviteit is geen aantrekkelijke eigenschap, dus ik maak veel plannen. Als Oscar ooit bij me weggaat zou ik het mezelf niet kunnen vergeven. We hebben het leuk genoeg om niet overal foto’s van te hoeven maken, maar als het ooit zover komt zoek ik uit of ik ‘beleef deze dag opnieuw’ uit kan schakelen.

De achterstand inhalen

Het is niet gek dat in bed liggen gemakkelijker is dan uit bed komen, zeker wanneer je maanden in dat bed gelegen hebt. Vroeger begreep ik niet waarom mensen zich comfortabel voelden bij somberte, inmiddels heb ik geleerd dat de weg van de minste weerstand de enige weg is wanneer je te weinig kracht hebt.

Het probleem met uit een depressie komen is tweeledig. Doordat ik zo lang niets heb gedaan, moet ik weer oefenen te leven. Trainen. Mijn brein is een verwaarloosde spier, mijn doorzettingsvermogen tot een nulpunt gekelderd. Vroeger vond ik mezelf lui, inmiddels geloof ik dat er voor het bevechten van mijn lethargische staat een vasthoudendheid nodig is die me ooit tot iets groots brengt.

En als ik dan overeind ben, is er de achterstand. De rommel in huis, waar ik vaak over praat. De post, die ik liever niet bespreek. De mensen die te lang niets van me hebben gehoord. Die vind ik het ergst. Veel vrienden weten hoe het werkt, dat het geen onwil is, maar er zijn altijd mensen aan wie ik het niet uit heb kunnen leggen, die ik had moeten bellen, die me nodig hadden. Mensen die ik ook nodig had in de tijd dat het me niet lukte om contact met ze op te nemen. De achterstand inhalen is een veel werk, zeker met een brein dat nog niet op volle sterkte functioneert.

Wat het probleem misschien vooral is: op een dag word je wakker en je hebt zin om te leven. Op een dag word je wakker en je wilt bloemen kopen voor je geliefde. Op een dag word je wakker en bedenkt een boek, wilt vrienden uitnodigen om te komen eten, maakt plannen. En dan is er altijd eerst de rommel, de post, de mensen.

Dozen

‘Maar waar ga je dan naartoe?’ vroeg iemand me laatst.
Ik zei dat ik het niet wist.

Vorige week was ik op vakantie en ik kocht in een verre kringloopwinkel een elektronische sinaasappelpers in de vorm van een sinaasappel. Er stonden meerdere exemplaren in de kringloop, sommige persen waren incompleet, anderen zaten nog in de originele verpakking. Ze kostten allemaal €2,50. Een schijntje.

Ik zal de pers niet gebruiken voordat ik verhuisd ben, vandaag stop ik hem in een doos, samen met de achthoekige borrelglaasjes en de Tupperwarebakjes die ik tijdens mijn vakantie kocht. Al mijn andere spullen pak ik ook in.

De laatste keer dat ik wilde verhuizen pakte ik het op dezelfde manier aan: eerst alles inpakken, wegdoen wat weg kan, en nieuwe spullen niet gebruiken maar meteen opbergen en hopen dat ik vergeten ben dat ik ze had gekocht tegen de tijd dat ik een woning gevonden heb. Daarna pas een huis zoeken.

Ik woonde in die tijd in een kamertje, ik deelde een benedenwoning met een vriendin. Ze was in de war en overschreed behoorlijk wat van mijn grenzen. Ik vluchtte voor haar. Het duurde even voordat ik een woning had gevonden en tot die tijd stelde het leven tussen bananendozen me gerust.

Nu vlucht ik voor mezelf, voor alle spullen die ik heb gekocht en voor de snoeppapiertjes die niet in de prullenbak zijn beland. Het lukt me slecht om dingen weg te gooien. Ik erger me aan mensen die zeggen dat het verzamelen van spullen niets meer is dan een zinloze poging een interne leegte proberen te vullen, maar ze kunnen best gelijk hebben. Als ik me mijn nieuwe woning voorstel, is dat zonder al die spullen. Willen verhuizen maakt het gemakkelijk afstand te doen van een groot deel van mijn bezit.

Op vakantie nam ik een microdosis psilocybine. Misschien was het iets meer dan een microdosis, maar het had niet het effect moeten hebben dat het had. Sinds de vakantie denk ik meer dan gebruikelijk na over kwesties die je in de Happinez tegen zou kunnen komen. Vandaag vraag ik me daarom af hoe het kan dat denken aan verhuizen de mentale ruimte schept die ik nog heb om spullen weg te doen en hoe die ruimte zich verhoudt tot de interne leegte die ervoor zorgde dat ik die spullen eerder verzamelde.

Misschien wil ik niet meer verhuizen tegen de tijd dat alles ingepakt is. Verf ik mijn muren zodra ik tussen de dozen woon. Dweil ik mijn vloer.

Wat je tegenkomt als je opruimt

Mijn gang stond al weken vol met dozen, er zat een nieuw bed in. Het matras waarop ik sliep zat vol kuilen en herinneringen van iemand voor mij. Herinneringen die ik niet kende en die ik niet had gemaakt. De laatste tijd wilde ik niet dat Oscar bij me sliep, vanwege de kuilen. Ik werd soms wakker met rugpijn en wilde dat Oscar niet aandoen.

Gisteren kwam mijn broer het bed in elkaar zetten.
‘Misschien,’ zei ik vooraf voorzichtig, ‘moet ik het huis opruimen terwijl jij het bed in elkaar zet.’
‘Geen sprake van,’ zei Floris.

Voordat Floris kwam haalde ik mijn oude bed grotendeels uit elkaar, zodat ik de slaapkamer schoon kon maken. Mijn leefomstandigheden hoeven de werkomstandigheden van een ander niet te zijn. Ik pakte de nieuwe stofzuiger, die ook al weken stond te wachten tot er iets ging gebeuren. Ik pakte een vuilniszak. Ik pakte doekjes. Ik huilde tot de vloer zichtbaar was en schoon.

Ik ontdekte een kier, daar moesten muizen wonen. Ik vond mijn eerste pogingen tot poëzie, van voordat mijn leraar Nederlands me vakkundig alle plezier in het lezen en schrijven van gedichten ontnam. Ze rijmden en waren erg puberaal. Ik weet nog dat ik toentertijd dacht dat het volwassen leven mooier zou zijn, maar ik heb vooral geleerd alles iets mooier te verwoorden.

Toen Floris mijn huis zag, sommeerde hij me om op te ruimen.
‘Maar je wilde toch samen het bed in elkaar zetten?’ vroeg ik.
‘Ik heb me bedacht,’ zei hij.

Ik ploegde door mijn woonkamer. Af en toe keek ik bij Floris.
‘Hoe gaat het, kan ik iets doen?’
‘Opruimen,’ zei hij dan.

Ergens in dit jaar wil ik verhuizen. Dat maakt het gemakkelijker afstand te doen van de spullen die ik in de loop der jaren heb verzameld. Ik vulde vuilniszakken vol afval en vulde een doos met spullen voor de kringloopwinkel. In een trommeltje vond ik kaarten die een ex lang geleden aan me schreef. ‘Ik blijf altijd van je houden,’ stond op een van de kaarten. Ik weet niet goed of en hoe lang je zoiets moet bewaren.

Toen het bed bijna in elkaar zat, werd er pizza bezorgd. Floris en ik aten in de woonkamer, hij complimenteerde me met de voortgang.

Ik dacht aan hoe zelden het gebeurt dat iemand bij me eet. Hoe lang het geleden is dat Oscar bij me sliep. Ik stuurde Aurore een bericht en vroeg of ze binnenkort wilde komen helpen mijn uitdijende kledingberg uit te zoeken. Ik vroeg Oscar of hij deze week wilde komen slapen en afwassen.

Ik dacht aan hoe ik leef in een extreem gevuld museum met zaken uit mijn verleden (een klokhuis van gisteren, de krant van vorige week, de concertkaartjes van zes jaar geleden) en wist niet goed of dat betekent dat ik vasthoud aan dat verleden of juist ontwijk wat er achter me ligt.

Zorgen voor

De afgelopen maanden lukte het me slecht om uit bed te komen. Ik wilde de gordijnen gesloten houden. Eergisteren werd ik ziek en ik weigerde me te laten vellen. Ik ging naar mijn werk, hield het vol.

Vandaag blijf ik thuis, met tegenzin.

Depressie is sterker dan griep, dacht ik. En toen: misschien is fysiek ongemak beter te bestrijden dan mentaal ongemak. Ik dacht nog meer, niets sneed hout, veel van mijn gedachten waren beledigend voor mezelf of anderen.

Onlangs likte Oscar mijn gezicht, als een hond. Toen hij mij daarna wilde zoenen kon hij de geur van zijn adem die van mijn huid opsteeg niet verdragen. Hij haalde een washandje en waste mijn gezicht.

Voor iemand zorgen is nooit onbaatzuchtig, geloof ik. Voor jezelf zorgen ook niet. Vanmorgen ging ik met ongekamde haren naar de Albert Heijn en haalde een liter versgeperst sinaasappelsap uit de persautomaat. Het smaakte me niet.

Eerlijkheid

Het begint tussen de lakens met eerlijkheid, dat heb ik ergens gelezen. Niet met een klik, vaardigheden of een aantrekkelijk lichaam.

Ik had vooraf van alles beloofd en hij was enthousiast, maar ik had mijn hoofd er niet bij. Natuurlijk probeerde ik het eerst een tijdje, maar toen zei ik: ‘Sorry, eigenlijk ben ik gewoon heel verdrietig.’

Een kort moment las ik een naar woedend neigende ergernis op zijn gezicht, daarna keek hij mild en gaf me een knuffel.
‘Ik dacht al zoiets,’ zei hij.
Hij klonk verdrietiger dan ik me voelde en het duurde even voordat ik hem ervan overtuigd had dat het met mij wel weer ging.

Opstaan

Afgelopen nacht droomde ik dat ik zalm at en vreemd was gegaan. Over de zalm maakte ik me niet druk, over het vreemdgaan wel. Ik moest bedenken of ik het Oscar zou vertellen terwijl ik zeker wist dat het niet uit zou komen omdat de man met wie ik luidruchtig vreemd was gegaan spoedig zou sterven. Niemand had ons gehoord.

De afgelopen tijd droom ik elke nacht, meestal zijn het nachtmerries. Ik denk dat mijn onderbewuste me probeert te vertellen dat ik meer mee moet maken, maar ik heb geen behoefte aan het eten van zalm en geen behoefte aan vreemdgaan (wel aan aandacht, maar niet aan fysiek contact met iemand anders dan Oscar, niet aan leven met een geheim en niet aan opbiechten dat ik iets verkeerd heb gedaan).

Misschien is het tijd om op te staan, te douchen, mijn tanden te poetsen, me aan te kleden, het vuilnis weg te gooien, de rekeningen te betalen, iets gezonds te koken, vrienden te zien, mensen te zeggen dat het me spijt dat ik zo veel in bed heb gelegen.

Oud en nieuw

‘Zie je dat cadeautje in de kast?’ vroeg Aurore. ‘Wat vind je ervan?’
‘Mooi ingepakt,’ zei ik.
‘Het is voor jou.’

We dronken lichtroze wijn, hadden het over mannen en over wat we de rest van de avond zouden gaan doen. Ik had verteld over Oscar, dat ik hem had gezegd dat ik bang was een emotionele dronk te krijgen tijdens de jaarwisseling.
‘Wat moet ik doen als je emotioneel wordt?’ had Oscar gevraagd. Het was een eenvoudige vraag, dat zijn vaak de beste.
‘Lief voor me zijn, me een kus geven, zeggen dat alles goedkomt en het menen.’
‘En als je weg wil?’
Ik had er nog niet over nagedacht dat ik kon vertrekken.
‘Als je ook bijna weg wil moet je misschien maar met me mee,’ zei ik. ‘Als het feestje nog leuk is, blijf dan maar gewoon.’
‘Ik ben blij dat we dit vooraf al besproken hebben,’ had Oscar gezegd.

Het cadeau was een fleecedeken in een goede kleur blauw.
‘Omdat je vaak verdriet hebt, zei Aurora. ‘Omdat je dan soms geen mensen in de buurt wil hebben en ik niet altijd weet hoe ik er voor je kan zijn.
We huilden een beetje. Ik aaide de kat.
‘Tot volgend jaar,’ zei ik toen ik vertrok, ook al vond ik dat een stomme grap.

Om kwart voor twaalf dronk ik rode wijn. Oscar dronk alcoholvrij bier. Er werden hits uit de jaren 80 gedraaid, na twaalf uur zouden we overschakelen op muziek uit de jaren 90. Ik kon nauwelijks op nummers komen die in de jaren 80 gemaakt waren.

Tijdens het aftellen naar twaalf uur liep het beeld op de televisie vast.

Buiten dronken we champagne en keken naar groot vuurwerk in de verte. Weer binnen luisterden we naar de Spice Girls en Aphex Twin. Ik stond op en zong alle nummers mee met een bierfles als microfoon. Ik werd steeds minder blij en zong steeds harder mee, omdat ik bang was dat ik moest huilen als ik stil was.

Oscar zat op de bank en keek naar me. Ik wist niet wat hij dacht.
‘Ik mis je,’ wilde ik zeggen. In plaats daarvan zei ik dat ik naar de kroeg ging. Iemand vroeg of ik een kwartier wilde wachten, dan konden we samen gaan.
‘Ik moet nu weg,’ zei ik. ‘Ik krijg een emotionele dronk en ik word er niet leuker op als ik langer blijf.’

In de kroeg sprak ik iemand die zei dat hij geen vrouwen durfde te versieren. Ik zei dat ik zijn wingwoman wel wilde zijn.
‘Wat doe je hier überhaupt in een kroeg vol mensen die veel ouder zijn dan jij?’ vroeg ik.
De jongen vertelde over zichzelf.
‘Je moet professionele hulp zoeken,’ zei ik.
De jongen vroeg of hij mijn nummer mocht.

Toen ik aan mezelf dacht, werd ik verdrietig. Ik vertrok.

Thuis haalde ik het karton van het dekentje dat ik van Aurore kreeg en huilde tot mijn plakwimpers loslieten.

Adventskalenders

Het is december. Het is vroeg donker en terwijl winkeliers aan het einde van de dag tevreden de inhoud van hun kassalades tellen, tellen consumenten de dagen af tot aan kerst.

Het is advent en wie daar op een sobere manier bij stil wil staan steekt elke zondag een kaars op zijn adventskrans aan totdat op de zondag voor kerst alle kaarsen op de krans branden. Wie meer wil dan wekelijks kaarsen aansteken haalt een adventskalender in huis en wie niet van chocolade houdt of graag het kapitalisme viert onder het mom van aftellen naar een christelijke feestdag koopt voor zichzelf een prijzige kalender met allerlei verrassingen.

Adventskalenders met beautyproducten zijn populair. Op social media zie ik influencers elke dag een vakje van de adventskalender van hun favoriete beautymerk openen. Sommige YouTubesterren hebben meerdere kalenders in huis gehaald, en een enkeling opende al op de eerste dag van de maand meteen alle vakjes. Zelden zag ik mensen zo enthousiast over minuscule potjes nagellak en parfum.

Ik heb een adventskalender in mijn hoofd. Op de eerste december kreeg ik dat ik dacht dat mijn vriend niet meer van me hield. Op de tweede december kreeg ik dat ik de hele dag in bed wilde blijven, ik had dat geschenk al vaker gehad.

Influencers krijgen vaak nagelvijltjes in december, ze halen ze zuchtend uit de adventskalenders.
‘Ja, hoor, daar heb je hem al,’ zeggen ze tegen de camera’s in hun eenzame kamers, ‘er zit altijd wel een vijltje bij.’ En zoals de influencers met een te grote beauty-stash hun pas gekregen nagelvijlen meteen in de bak met weg te geven spullen gooien, legde ik het in bed willen blijven liggen naast me neer en stond op.

Vandaag kreeg ik dat ik in paniek raakte toen een collega me liet weten dat iemand een belangrijke mail van mij niet had ontvangen. Als ik in paniek raak, doe ik niets meer. Dat is onhandig als je naar de ontvangers van je belangrijke mails moet kijken.

Ik vrees voor de rest van de maand. Een bekwame arts heeft de adventskalender in mijn hoofd een winterdepressie genoemd. Waar een deel van de bevolking de gourmetpannen vast afstoft, probeer ik mezelf overeind te houden terwijl de korte dagen me omver proberen te duwen. Vroeger overviel het me elke dag, tegenwoordig weet ik ongeveer wat er komt: overdag willen slapen, veel en ongezond willen eten, geen zin hebben om met mensen af te spreken, weinig behoefte hebben aan seks en vooral constant het gevoel hebben dat ik alles verkeerd doe.

Ondertussen probeer ik toch te werken, mijn afwas niet te ernstig uit de hand te laten lopen, af te spreken met mensen die me dierbaar zijn, leid ik mezelf af door kopen van nutteloze producten die ik langs heb zien komen bij influencers die ik alleen ironisch denk te volgen, smeer ik tegen beter weten in glitters op mijn gezicht in de hoop dat ik er gelukkiger van word en hoop ik maar dat mijn brein geen onverwachte dingen doet de komende tijd.

Vandaag zag ik een YouTube-ster huilen omdat een van de vakjes van haar Asos-adventskalender leeg bleek. Zo’n verrassing zal mij deze maand vast niet gegund zijn.