Vasco ging mee

De medewerker van het asiel drukte me een liquid snack in de hand en zei dat ik echt even beter kennis moest gaan maken.

Vasco is een angstige kat, was me verteld. Hij was waarschijnlijk lang geen mensen meer gewend. Hij liet zich niet aaien, al wilde hij wel liquid snack uit de hand eten. Hij kon krabben. En hij was geen fan van andere katten.

Ik had gedacht dat Vasco ergens weggestopt in een draadstalen kooitje zou zitten, maar hij zat in het verblijf met de andere katten. Alle katten zaten buiten, behalve Vasco, hield vanuit een schuilplekje met platte oren het verblijf in de gaten. Toen ik binnenkwam leek hij zijn lichaam nog iets lager bij de grond te houden. Ik had na even van een afstand naar Vasco gekeken te hebben wel genoeg gezien en liep de ontvangsthal weer in.
‘Ik neem hem mee,’ zei ik tegen de medewerker.
‘Weet je het zeker?’ zei ze.
‘Ik wil hem niet onnodig lastigvallen, dit moet voor Vasco maar zo snel mogelijk voorbij zijn.’

Ze was het niet met me eens. Ik ging terug naar Vasco, benaderde hem zo voorzichtig mogelijk, laag bij de grond en vanaf de zijkant. Hij blies, at wat van de snack en krabde me.
‘Hoi liefje,’ zei ik. En: ‘Sorry.’

Toen ik bewezen had dat ik me niet af liet schrikken, mocht ik Vasco mee. Een opluchting. Ik had Vasco al weken eerder gezien. Hij leek me de perfecte kat voor in mijn thuissituatie; ik heb een ruim appartement en zocht een kat die om wat voor reden dan ook niet naar buiten mag. Ik ben geduld en heb door mijn werk ervaring met het systematisch benaderen van gedragsproblemen. Toen ik belde was het asiel gesloten voor adoptie in verband met corona. En toen het asiel weer open was voor adoptie, bleek iemand anders me net voor te zijn.

‘Hoe kan het dat die adoptie niet doorging?’ vroeg ik toen ik Vasco’s papieren in ontvangst nam.
De medewerker van het asiel zuchtte.
‘Er stond duidelijk op de website wat voor kat Vasco was, en in het telefonische voorgesprek hebben we het nog eens benadrukt. De vrouw die kennis kwam maken met Vasco had het toch niet helemaal begrepen en aaide hem. Dat ging natuurlijk niet goed.’

Iemand zette Vasco in het reismandje voor me op de balie.
‘Ik kreeg hem verrassend gemakkelijk in de mand,’ zei ze.
Ik keek naar de rode kater die met enorme ogen om zich heen keek. We zouden nog een lange reis voor de boeg hebben.

Vasco

Eerst vond ik het maar flauw. Ik bedoel, dan durf je eindelijk naar buiten, dingen te doen, het leven mee te maken, mag het niet meer. Ik raakte verkouden en moest binnenblijven. Mijn brein vond daarin een bekend patroon en paste zich meteen aan: binnenblijven, dat betekent nietsdoen. Dat is voor niemand goed, maar voor mij gewoonweg gevaarlijk.

Na een drie uur durende wandeling door de Groninger ommelanden ging het wel weer. Ik merkte weer dat ik zelf invloed heb op mijn stemming en probeerde er niet aan te denken dat ik er eigenlijk in geloof dat alles gedetermineerd is. Geloven is prima, maar je moet je leven er niet teveel door laten bepalen.

Als ik voor mezelf kan zorgen, dan ook voor een kat, dacht ik. Ik bekeek een week lang asielkatten. Een kat bleef in mijn hoofd. Vasco. Een bange. Een kat die te bang is om geaaid te worden en te bang om naar buiten te gaan. Vasco, mijn appartement, mijn geduld, mijn levensstijl, we pasten perfect bij elkaar.

Toen ik het asiel belde, bleken ze net gesloten in verband met het virus. Ook voor adoptie. Reserveren was niet mogelijk. Ik had een prettig gesprek met een medewerker die me zei dat ik de website in de gaten moest houden zodat ik wist wanneer ze weer open waren. Ik moest haar naam noemen als ik weer belde.

Op de dag dat het asiel weer openging voor adoptie, was iemand anders me net voor.

Ik weet eigenlijk niet wat ik wil vertellen. Er gebeurt weinig en er gebeurt enorm veel. Mijn psycholoog belde voor een telefonische consult. Ik zei haar dat ik best even wilde praten over hoe het met me gaat, maar dat ik geen behoefte had aan een diepgravende sessie. Ik zei dat ik een kat wilde. Ze vond het een goed idee, zei dat dat het goed met me gaat en zei dat we langzaam richting het einde van de therapie gingen

Ik schrok me rot. Toen ik later op de dag van de schrik bekomen was belde ik Oscar om het te vertellen, van de therapie. Hij vroeg of de psycholoog wil stoppen omdat ze tevreden is over hoe het met me gaat, of omdat ze niets meer voor me kan betekenen.

Oscar maakt geen grappen over dit soort dingen.

Ik ben bezig een klimmuur te maken voor de kat die in mijn leven komt. De kleur van de muur had ik bepaald toen ik nog dacht dat Vasco zou komen. Groen. Ik wist dat hij er niets aan zou hebben, maar ik dacht dat de kleur hem goed zou staan.

Om niet alleen met de kat bezig te zijn, werk ik ook hard aan een zo plantrijk mogelijk balkon waarop ik de hele zomer in eenzame afzondering van het weer kan genieten.

Afgelopen weekend zag ik dat Vasco weer op beschikbaar staat. Ik las dat hij niet van andere katten houdt en ben bang dat hij in een klein kooitje zit. Straks om half elf kan ik het asiel weer bellen.

Dorst

De psycholoog had gezegd dat ik meer in contact moest komen met mijn gevoel.
‘Ogen dicht en naar binnen gaan. Wat vóél je? Waar voel je dat? Heb je ergens pijn? Als je in de supermarkt bent, in welke rij ga je staan en waarom voelt die rij beter? Waar wil je je in een ruimte bevinden ten opzichte van anderen?’

Na een week voelen zit ik weer bij haar aan het bureau. Meestal begint ze een sessie met gemopper op de computer, die nooit doet wat ze wil dat hij doet. Vandaag heeft ze de geschreven aantekeningen van de vorige keer voor zich liggen.
‘Jij hebt vorige week een opdracht gekregen,’ zegt ze. ‘Hoe is dat gegaan?’
‘Nou,’ zeg ik, ‘ik drink vaak te weinig, maar de afgelopen week had ik ineens veel dorst.’
De psycholoog zwijgt.
‘Ik geloof dat dat wel goed is. Ik heb nu steeds genoeg gedronken. Maar misschien heb ik net diabetes ontwikkeld. Heb ik daarom dorst. Dat kan ook.’
De psycholoog gaat iets rechter zitten.
‘Waarom zeg je dat?’
‘Dat kan toch?’ zeg ik. Ik pulk aan mijn nagelriemen. ‘Het is toch helemaal niet zeker dat de dorst komt doordat ik meer in contact sta met mijn gevoel?’
‘Je bent bang,’ zegt de psycholoog.
‘Ik houd de mogelijkheid open,’ zeg ik.
De psycholoog schrijft iets op.
‘Wat zou de Gezonde Volwassene hiervan zeggen?’ vraagt ze me.
‘Weet ik niet.’
‘Zou de Gezonde Volwassene zeggen: Jirke, je hebt dorst, dat is vast diabetes?’
‘Nee,’ zeg ik.’
‘Wat dan wel?’
‘Je hebt waarschijnlijk geen diabetes?’
‘Want?’ vraagt de psycholoog.
‘Er is verder geen aanleiding om te geloven dat ik op 34-jarige leeftijd diabetes heb ontwikkeld?
‘Heel goed,’ zegt de psycholoog. ‘Zo zit het. Het is heel normaal om dit soort lichamelijke behoeftes ineens te ervaren als je meer in contact staat met je gevoel.’ Ze schrijft iets op en zakt weer wat onderuit in haar stoel. ‘Vertel nu eens hoe het de afgelopen week verder is gegaan.’

Voorbereid zijn

Ik ben niet bang, ik ben op mijn hoede. Alert. Eerder, als ik niet bang was, kroop ik in mijn slaapkamer onder een dubbel dekbed, zette YouTube aan en deed de gordijnen dicht. Nu bekijk ik tijdens het ontbijt de beelden van lege supermarkten in Italië en maak een boodschappenlijst.

Ik maak een boodschappenlijst en om mezelf gerust te stellen (je bent niet bang, je bent niet gek) vertel ik mezelf dat ik alles op deze lijst sowieso nodig heb, dat een gezonde voorraad eten in huis hebben verstandig is, dat het geen kwaad kan ergens een stapel wc-papier te hebben staan.

Om te zien hoeveel eten een verstandig mens in huis moet hebben, bezoek ik een website voor preppers. Als ik zie hoeveel water ik geacht word op te slaan, klik ik de site weg.

Op mijn lijst staan tomaten in blik. Diepvriesgroente- en fruit. Havermout. Sojamelk. Pijnstillers. Maandverband. Een thermometer. Desinfectans. Ik neem mijn grootste boodschappentas mee.

Als ik mijn huis uitstap, zie ik op de hoek van de straat een oudere dame staan. Ze ziet er breekbaar uit en draagt een veel te grote lichtblauwe jas. De vrouw zwaait naar me, ze lijkt me te willen waarschuwen. Ik loop naar haar toe.

‘Sorry,’ zegt ze. ‘Wil je me helpen oversteken? De stoep is zo hoog, het lukt me niet.’
‘Zal ik u een arm geven?’ vraag ik haar.
Ze knikt.

‘Lukt het u om thuis te komen?’ vraag ik.
‘Jawel,’ zegt ze.
‘Ik loop graag met u mee tot aan uw huis hoor.’
‘Vind je dat niet vervelend?’
‘Nee hoor,’ zeg ik. ‘Ik heb alle tijd.’
Met haar magere vingers pakt ze de mouw van mijn jas beet.

‘Woont u hier al lang?’ vraag ik.
‘Ik woon in de flat aan de Vondellaan,’ zegt ze.
‘Oh,’ zeg ik. ‘Heeft u geen rollator?’
De vrouw struikelt haast over een tegel die nauwelijks omhoog steekt.
‘Nee,’ zegt ze. ‘Die heb ik nog lang niet nodig.’
‘Oh,’ zeg ik.

Als we de flat bereikt hebben laat de vrouw mijn arm los, groet me, en loopt zonder me te bedanken naar binnen. Ik loop terug naar waar ik vandaan kwam en vraag me af of het overdreven is om extra benzine in de schuur te bewaren.

Put

Wat ik eerder deed als ik er genoeg van had: alles wissen wat ik geschreven had. Inclusief de naam die ik voor mezelf had verzonnen. Inmiddels heb ik aardig wat namen versleten.

Jirke Poetijn kan ik niet wissen. Jirke begon online, manifesteerde zich als analoog personage en onbedoeld werd Jirke uiteindelijk een deel van mezelf. Werd Jirke mijn naam.

Alexandre Dumas père liet een feuilleton-personage in een put terechtkomen en kon niet bedenken hoe het personage er weer uit moest komen. Hij redde het personage door een aflevering te beginnen met ‘Toen ik weer uit de put was…’

Mijn blog begon met losse observaties. Kleine persoonlijke ontboezemingen. Verzonnen situaties. Bij elkaar werd dat een verhaal dat zich alleen nog maar verder af kon spelen op de bodem van een put. Tussen afval, verloren vriendschappen, verdriet, medicatie en schaamte. Uitstekend materiaal voor latere fictie, misschien.

Ik heb de put van mijn blog gehaald. Dit is nu het eerste bericht op mijn blog. Voorlopig lijkt me dat goed genoeg voor een nieuw begin.