Dorst

De psycholoog had gezegd dat ik meer in contact moest komen met mijn gevoel.
‘Ogen dicht en naar binnen gaan. Wat vóél je? Waar voel je dat? Heb je ergens pijn? Als je in de supermarkt bent, in welke rij ga je staan en waarom voelt die rij beter? Waar wil je je in een ruimte bevinden ten opzichte van anderen?’

Na een week voelen zit ik weer bij haar aan het bureau. Meestal begint ze een sessie met gemopper op de computer, die nooit doet wat ze wil dat hij doet. Vandaag heeft ze de geschreven aantekeningen van de vorige keer voor zich liggen.
‘Jij hebt vorige week een opdracht gekregen,’ zegt ze. ‘Hoe is dat gegaan?’
‘Nou,’ zeg ik, ‘ik drink vaak te weinig, maar de afgelopen week had ik ineens veel dorst.’
De psycholoog zwijgt.
‘Ik geloof dat dat wel goed is. Ik heb nu steeds genoeg gedronken. Maar misschien heb ik net diabetes ontwikkeld. Heb ik daarom dorst. Dat kan ook.’
De psycholoog gaat iets rechter zitten.
‘Waarom zeg je dat?’
‘Dat kan toch?’ zeg ik. Ik pulk aan mijn nagelriemen. ‘Het is toch helemaal niet zeker dat de dorst komt doordat ik meer in contact sta met mijn gevoel?’
‘Je bent bang,’ zegt de psycholoog.
‘Ik houd de mogelijkheid open,’ zeg ik.
De psycholoog schrijft iets op.
‘Wat zou de Gezonde Volwassene hiervan zeggen?’ vraagt ze me.
‘Weet ik niet.’
‘Zou de Gezonde Volwassene zeggen: Jirke, je hebt dorst, dat is vast diabetes?’
‘Nee,’ zeg ik.’
‘Wat dan wel?’
‘Je hebt waarschijnlijk geen diabetes?’
‘Want?’ vraagt de psycholoog.
‘Er is verder geen aanleiding om te geloven dat ik op 34-jarige leeftijd diabetes heb ontwikkeld?
‘Heel goed,’ zegt de psycholoog. ‘Zo zit het. Het is heel normaal om dit soort lichamelijke behoeftes ineens te ervaren als je meer in contact staat met je gevoel.’ Ze schrijft iets op en zakt weer wat onderuit in haar stoel. ‘Vertel nu eens hoe het de afgelopen week verder is gegaan.’

Voorbereid zijn

Ik ben niet bang, ik ben op mijn hoede. Alert. Eerder, als ik niet bang was, kroop ik in mijn slaapkamer onder een dubbel dekbed, zette YouTube aan en deed de gordijnen dicht. Nu bekijk ik tijdens het ontbijt de beelden van lege supermarkten in Italië en maak een boodschappenlijst.

Ik maak een boodschappenlijst en om mezelf gerust te stellen (je bent niet bang, je bent niet gek) vertel ik mezelf dat ik alles op deze lijst sowieso nodig heb, dat een gezonde voorraad eten in huis hebben verstandig is, dat het geen kwaad kan ergens een stapel wc-papier te hebben staan.

Om te zien hoeveel eten een verstandig mens in huis moet hebben, bezoek ik een website voor preppers. Als ik zie hoeveel water ik geacht word op te slaan, klik ik de site weg.

Op mijn lijst staan tomaten in blik. Diepvriesgroente- en fruit. Havermout. Sojamelk. Pijnstillers. Maandverband. Een thermometer. Desinfectans. Ik neem mijn grootste boodschappentas mee.

Als ik mijn huis uitstap, zie ik op de hoek van de straat een oudere dame staan. Ze ziet er breekbaar uit en draagt een veel te grote lichtblauwe jas. De vrouw zwaait naar me, ze lijkt me te willen waarschuwen. Ik loop naar haar toe.

‘Sorry,’ zegt ze. ‘Wil je me helpen oversteken? De stoep is zo hoog, het lukt me niet.’
‘Zal ik u een arm geven?’ vraag ik haar.
Ze knikt.

‘Lukt het u om thuis te komen?’ vraag ik.
‘Jawel,’ zegt ze.
‘Ik loop graag met u mee tot aan uw huis hoor.’
‘Vind je dat niet vervelend?’
‘Nee hoor,’ zeg ik. ‘Ik heb alle tijd.’
Met haar magere vingers pakt ze de mouw van mijn jas beet.

‘Woont u hier al lang?’ vraag ik.
‘Ik woon in de flat aan de Vondellaan,’ zegt ze.
‘Oh,’ zeg ik. ‘Heeft u geen rollator?’
De vrouw struikelt haast over een tegel die nauwelijks omhoog steekt.
‘Nee,’ zegt ze. ‘Die heb ik nog lang niet nodig.’
‘Oh,’ zeg ik.

Als we de flat bereikt hebben laat de vrouw mijn arm los, groet me, en loopt zonder me te bedanken naar binnen. Ik loop terug naar waar ik vandaan kwam en vraag me af of het overdreven is om extra benzine in de schuur te bewaren.

Put

Wat ik eerder deed als ik er genoeg van had: alles wissen wat ik geschreven had. Inclusief de naam die ik voor mezelf had verzonnen. Inmiddels heb ik aardig wat namen versleten.

Jirke Poetijn kan ik niet wissen. Jirke begon online, manifesteerde zich als analoog personage en onbedoeld werd Jirke uiteindelijk een deel van mezelf. Werd Jirke mijn naam.

Alexandre Dumas père liet een feuilleton-personage in een put terechtkomen en kon niet bedenken hoe het personage er weer uit moest komen. Hij redde het personage door een aflevering te beginnen met ‘Toen ik weer uit de put was…’

Mijn blog begon met losse observaties. Kleine persoonlijke ontboezemingen. Verzonnen situaties. Bij elkaar werd dat een verhaal dat zich alleen nog maar verder af kon spelen op de bodem van een put. Tussen afval, verloren vriendschappen, verdriet, medicatie en schaamte. Uitstekend materiaal voor latere fictie, misschien.

Ik heb de put van mijn blog gehaald. Dit is nu het eerste bericht op mijn blog. Voorlopig lijkt me dat goed genoeg voor een nieuw begin.