Voor altijd samenblijven

Soms loop ik liever om als ik hem in de verte zie. Het is een aardige man, maar ik heb niet altijd zin in een praatje. Hij wel. Toen ik hier net woonde en in mijn tuin zat, ontdekte ik hoe vaak hij rondjes over de binnenplaats van ons huizenblok loopt. De heggen zijn hier laag en hij knoopte iedere keer dat hij langskwam een praatje aan, soms wel drie keer op een middag. Ik maak nu nauwelijks nog gebruik van mijn tuin, er wonen hier meer mensen die behoefte hebben aan contact.

Als het mooi weer is bouwt hij met behangtafels vol spullen een rommelmarkt voor zijn huis. Ik heb nog nooit iets van hem gekocht, wel vraag ik hem als ik langsloop hoe het gaat met de zaken. Lange tijd ging het goed, dan vertelde hij wat hij uitgestald had, alsof ik de spullen zelf niet kon zien liggen. Een wasmand, videobanden, oude emmers, een tinnen kannetje. Merkloze Barbiepoppen. De afgelopen maanden liep de verkoop terug.
‘De mensen zijn zuinig,’ zei hij. ‘Maar ik moet bezig blijven.’

Een paar weken geleden stond hij in de opening van zijn voordeur. Het was mooi weer, maar de behangtafels stonden er niet. Hij droeg de morsige gele polo die hij meestal draagt.
‘Geen zaken vandaag?’ vroeg ik.
‘Nee meid,’ zei hij. Daarna bleef hij stil, dat was ik niet gewend.
‘Hoe gaat het ermee?’
‘Niet zo goed,’ zei hij. ‘De vrouw, hè? De nieren. Nog maar vier procent. Dat is niet best. Ze ligt de hele dag op bed.’
Zijn stem was nog zachter dan anders.
‘Het gaat snel. Twee weken geleden was er niets aan de hand.’
‘Och,’ zei ik. ‘En nu?’
‘Afwachten,’ zei hij. ‘Verder kan ik niets doen.’

Na een paar dagen zat ik vijf auto’s voor zijn huis geparkeerd staan. Toen ik hem tegenkwam durfde ik hem niets te vragen. Hij begon uit zichzelf te vertellen.
‘Het is gebeurd,’ zei hij. ‘Gisterochtend. Ik zat bij haar en ze was zomaar weg.’
Ik dacht aan het grote huwelijksfeest dat hij vorig jaar had gegeven, waar hij maar vol trots over bleef vertellen. Hoe lang ze samen waren, hoeveel mensen er op het feest waren gekomen, hoeveel kleinkinderen hij had.
‘Jullie waren lang getrouwd, toch?’
‘Eenenzestig jaar, meid.’
Oscar en ik hebben het soms over hoe lang we samen blijven. Voor altijd. Oud worden vind ik onvoorstelbaar, zoals ik het me als kind niet in kon denken dat ik ooit volwassen zou zijn.
‘Dat is heel lang,’ zei ik.
‘Ja,’ zei hij. ‘Ik moet gewoon door. Het is niet anders.’

Nu loop ik wat vaker langs zijn huis. Hij staat steeds in zijn deuropening en buiten wordt het alsmaar kouder.

Afspraak verzetten

‘Met de assistente van dokter Welinga. Ik bel om te vertellen dat mevrouw van Zomeren volgende maand op vakantie is.’

Twee weken geleden was ik bij de huisarts.
‘Het gaat niet zo goed,’ had ik gezegd. ‘Ik wil een doorverwijzing naar de psycholoog en totdat ik daar terecht kan wil ik gesprekken met mevrouw van Zomeren.’
Het leek de huisarts heel verstandig.
Mevrouw van Zomeren is zijn praktijkondersteuner. Ze heeft een grijs kapsel en ik vertrouw haar meer dan de psychologen die ik te spreken krijg. Ze is aardig en lijkt nooit op te kijken van de dingen die ik zeg.

‘We moeten de afspraak van 17 september verzetten,’ zegt de assistente. ‘Kan je aanstaande maandag om drie uur?’
‘Nee,’ zeg ik.
‘Dan is er pas halverwege oktober weer ruimte voor je.’
‘Ik heb afspraken met mevrouw van Zomeren totdat er plek is bij de psycholoog,’ zeg ik. ‘Er viel net een brief op de mat. Ik heb een intakegesprek op 31 januari 2019.’
‘Oh,’ zegt de assistente. ‘Dat duurt nog best lang.’
‘Het gaat niet zo goed met me,’ zeg ik.
‘Ojee,’ zegt de assistente. Ze klinkt verbaasd en ik vraag me af of ze dacht dat ik de afspraak met mevrouw van Zomeren alleen had gemaakt om bij te kunnen praten en de doorverwijziging naar een psycholoog alleen had gewild omdat het me leuk leek om nieuwe mensen te ontmoeten.
‘Nou,’ zegt de assistente, ‘Als het niet goed met je gaat, moet je maandag gewoon komen.’
‘Maandag kan ik echt niet,’ zeg ik. ‘Noteer me maar voor oktober.’
‘Is goed. Je moet het het zelf weten. Als je je bedenkt, dan bel je maar. Ik kan alleen niet garanderen dat de plek van maandag dan nog vrij is.’
Ze aarzelt even voor ze het gesprek afsluit.
‘Fijn weekend!’

Mannen

1.
Ik complimenteer een man met de manier waarop hij op zijn lip beet. Hij deed het zonder seksuele bijbedoeling, waarschijnlijk vanwege jeuk.
‘Dat wil ik ook kunnen,’ zeg ik. ‘Als ik probeer sexy te doen, ziet het er altijd lullig uit.’
De man vertelt dat het niet zo moeilijk is en bijt nog eens op zijn lip.
Later vertelt hij me waar hij werkt.
‘Dan ken je Oscar vast,’ zeg ik. ‘Oscar is mijn vriend.’
‘Ik dacht dat je me net wilde versieren,’ zegt de man.
‘Ik gaf je alleen maar een compliment.’
‘Wat gek,’ zegt de man. ‘Eigenlijk merk ik het nooit als iemand me probeert me te versieren.’
‘Dat probeerde ik ook niet,’ zeg ik.

2.
Ik praat met een man die ik net ken. We hebben het over een voorstelling die we beiden zagen. De man vond hem mooi, ik niet.
‘Het ergste was nog dat de ex van mijn vriend naast me zat,’ zeg ik. ‘Zij vond de voorstelling kennelijk grappig, want ze lachte de hele tijd.’
Ik doe de ex van Oscar na. Het klinkt overdreven en ik weet niet of dat aan haar lach of aan mijn imitatie ligt.
De man lacht. Ik zie het als een aanmoediging.
‘Waarom zijn exen altijd zo vreselijk? En waarom hebben ze altijd van die walgelijke lichamen die mooier zijn dan dat van mij?’

Later op de avond ga ik met de man en meer mensen die ik net ken naar de kroeg. De ex komt binnen en gaat bij de groep zitten.

3.
Oscar heeft ijs voor me gekocht en leest me voor uit Forel Vissen in Amerika tot ik in slaap val. Als ik wakker word ligt Oscar nog steeds naast me. Ik heb niet door dat ik geslapen heb en vraag me af hoe het kan dat Oscar ineens een veel dikker boek in handen heeft.