Buurman Bertram – of hoe ik mijn grenzen beter leerde kennen

Buurman Bertram zegt dat hij uitvinder is. De wanden van zijn kleine woonkamer zijn bedekt met doorzichtige ladenkastjes vol metalen onderdelen die hij ooit nog ergens voor gaat gebruiken. Het uitvinderschap definieert Buurman Bertram zo sterk, dat hij het noemt als hij zich voorstelt. “Hallo, ik ben Bertram. Ik ben uitvinder.”

Buurman Bertram kleedt zich altijd alsof hij op safari gaat. Of alsof hij klaar is voor een visweekendje met vrienden. Hij draagt beige afritsbroeken die, afhankelijk van het weer, kort of lang zijn, en draagt daarboven meestal een groen T-shirt met daarover iets dat zich het beste laat omschrijven als een beige gilet met veel vakjes, waarvan ik denk dat ze net zo vol zitten als de ladenkastjes in zijn woonkamer.

Buurman Bertram heeft een scharnier uitgevonden. ‘Nou zeg jij natuurlijk: scharnieren bestaan al,’ begint hij zijn verhaal over zijn uitvinding meestal, ‘maar een scharnier als dit is er nog niet. Dit scharnier is zo soepel en dit scharnier beweegt zo fijn, dat we lachen om onze huidige scharnieren zodra dit scharnier op de markt is.’

Buurman Bertram heeft een muur vol deuren en ramen die nergens naar leiden. Hij gebruikt ze om scharnieren te testen. In het midden van de muur zit een grote voordeur, daaromheen kastdeuren, een koelkastdeur en kleine kiepraampjes. Als Buurman Bertram gefrustreerd is, slaat hij zo hard met zijn wanddeuren dat mijn muren ervan trillen.
Als je bij Buurman Bertram op bezoek gaat, wijst hij de twee rode keukenkastdeuren aan, vraagt je ze te openen en te sluiten, en verlangt dan van je dat je zegt dat je duidelijk merkt dat het linkerdeurtje soepeler opent en sluit.
‘Dat komt door mijn uitvinding,’ zegt hij dan.

Buurman Bertram vertelt graag over patenten en octrooien. Er is geen patent op het scharnier aangevraagd, daar is Bertram nog mee bezig. Het valt niet mee ergens patent op te krijgen, vertelt hij vaak. En hoewel Bertram er graag over vertelt, is het te ingewikkeld om uit te leggen wat het probleem nu eigenlijk echt is. Dat het iets te maken heeft met grote jongens en de bank is wel duidelijk. Dat Bertram denkt dat de rechter, misschien uiteindelijk zelfs het Europees Hof er iets over zal zeggen ook.

Ik spreek Buurman Bertram weinig. Hij doet wel eens een toenaderingspoging, maar ik heb al genoeg vrienden en ook in mijn kennissenkring is eigenlijk geen ruimte voor hem. Buurman Bertam vroeg wel eens of ik koffie wilde komen drinken en ik zei dan altijd dat ik het te druk had. Als ik in de tuin zit, vraagt Buurman Bertram of ik last heb van de overhangende takken van de appelboom. Ik zeg dan altijd dat het niet zo is. Soms vraagt hij dan nog of ik ook een biertje wil, hij heeft nog koud staan. Ik bedank dan vriendelijk en ga vaak maar binnen zitten, ook al is het warm genoeg om tot laat in de tuin te zitten. Binnen is Buurman Bertram niet.

Een paar maanden geleden werd er om vijf over voor tien ‘s avonds aangebeld. Het was donker buiten, het waaide hard en Buurman Bertram wilde me iets vragen.
‘Heb je toevallig een nieuw elektrisch apparaat?’ vroeg hij me.
‘Nee’, zei ik.
‘Mijn radio stoort,’ zei Buurman Bertram. Hij hield een rode transistorradio vast, er stak een meterslange antenne uit. Buurman Bertram stak de radio de lucht in en begon heen en weer te lopen op mijn stoep.
‘De afgelopen dagen stoort de radio steeds. Elke avond om tien uur. En als ik hier loop, merk ik dat het bij jou vandaan komt.’
‘Ik heb niets nieuws in huis,’ zei ik.
‘Iedere avond rond tien uur hoor ik ruis op de radio,’ zei Buurman Bertram. ‘Wat doe je ‘s avonds rond tien uur?’
‘Niets,’ zei ik.
‘Jouw keuken is toch achter in je huis? Ik heb de indruk dat de storing daar vandaan komt. Mag ik even kijken?’
Buurman Bertram deed een stap naar voren en ik sloot de voordeur gauw zo ver dat Buurman Bertram niet naar binnen kon stappen.
‘Ik heb hier geen tijd voor,’ zei ik. ‘Ik ga slapen.’

Twee weken later vierde ik mijn verjaardag. Het huis was zo vol, dat ik met een deel van de visite in mijn slaapkamer zat. We hadden veel gedronken en voerden ernstige gesprekken.

Rond een uur of een werd er aangebeld. Ik wilde opstaan om open te doen, maar wat vrienden die in de woonkamer zaten waren me voor. Ik hoorde ze lang praten bij de voordeur. Na een minuut of tien kwam een vriendin van me de slaapkamer in om te vertellen dat ze kennis hadden gemaakt met een aardige buurman, Bertram, dat hij aan had gebeld om te vertellen dat iemand zijn fietslampje had laten branden, dat hij zo vriendelijk was geweest om hem uit te doen en dat hij dacht dat hij daarom wel een biertje had verdiend. Meteen na deze mededeling spoedde mijn vriendin zich naar de woonkamer, om een biertje te drinken met Buurman Bertram.

‘Ik ga even in de woonkamer kijken’ zei ik tegen de slaapkamervisite.

Al op de gang hoorde ik Buurman Bertram hard lachen, harder dan alle visite bij elkaar, harder dan Kendrick Lamar die over de radio klonk. Ik voelde een woede opkomen, maar besloot het rustig aan te pakken.

Buurman Bertram zat wijdbeens op een stoel. In zijn rechterarm had hij bier vast, zijn linkerarm had hij uitgespreid over de eettafel waar hij naast zat Ik ging tegenover hem zitten. De kamer viel stil, maar Bertram sprak door. Over scharnieren, natuurlijk. Ook toen iedereen mijn kant opkeek, bleef Bertram doorpraten over zijn uitvinden. Na een minuut had hij door dat er meer op mij gelet werd dan op hem. Hij keek me even aan, moest hard lachen en zei tegen de rest: ‘moet je haar nou zien zitten, ze wil helemaal niet dat ik hier ben!’
‘Meen je dit nou?’ vroeg ik, ‘zit je nou in mijn huis mijn bier te drinken en recht in mijn gezicht te lachen, omdat je het grappig vindt dat je hier zit, terwijl weet dat je niet welkom bent?’

Buurman Bertram hield een glimlach. De slaapkamervisite kwam de woonkamer ingelopen.
‘Ik ga al,’ zei Buurman Bertram.
‘Nee,’ zei ik. ‘ Mijn vrienden hebben gezegd dat je wat mocht drinken en jij wil hier kennelijk heel graag zijn, dus je blijft zitten en je drinkt je bier op. Daarna ga je.’
Buurman Bertram dronk de fles Grolsch leeg terwijl niemand in de ruimte nog maar een woord durfde te zeggen. Toen stond hij op, bedankte me en liep de kamer uit.

Ik liep naar de laptop om andere muziek op te zetten, Gold, Spandau Ballet, en draaide de volumeknop ver open.


Dit verhaal las ik voor tijdens de presentatie van het festivalmagazine van poëziefestival Dichters in de Prinsentuin, dat volgend weekend in Groningen plaatsvindt.

Het huis van mijn broer VII

Floris vertelde dat hij zijn PlayStation aan Sandra geleend had. Ik had het druk en besloot om langs te gaan op de dag dat ze zou verhuizen. Dan kon ik in de gaten houden of de verhuizing normaal verliep en meteen naar de PlayStation vragen.

Op de avond voor de verhuisdag stuurde ik Sandra een bericht.
‘Morgen kom ik langs om post op te halen.’
Sandra reageerde binnen vijf minuten.
‘Vanaf maandag ben ik weg, dan kan je langskomen voor de post.’
Een minuut later kreeg ik nog een bericht.
‘Er is namelijk geen nieuwe post.’
‘Bedankt,’  schreef ik terug, ‘maar ik kom toch even. Ik moet namelijk ook wat spullen van Floris meenemen.’
Het duurde even voordat ik een reactie kreeg.
‘Moet dat per se morgen?’

Ik besloot de volgende dag zo vroeg mogelijk langs te gaan.

Toen ik opstond bleek dat Sandra me om drie uur ’s nachts nog een bericht had gestuurd. Ik het bericht vroeg ze welke spullen ik op moest halen en wat ik in vredesnaam te zoeken had in het huis van een ander. Ik antwoordde dat ik eraan kwam.

Om half negen stond ik voor de deur van het huis van mijn broer. Ik stak mijn sleutel in het slot, draaide hem naar links en wilde de deur openen. De deur bleek potdicht te zitten, kennelijk had Sandra de deur gebarricadeerd.

Ik probeerde aan te bellen, ik klopte op het raam en belde Sandra. Ze reageerde niet. Na vijf minuten gaf ik het op en stuurde haar een bericht.
‘Sandra, ik kan het huis niet in. Als je me niet binnen laat, moet ik de politie bellen. Dit lijkt me allemaal niet handig als je beveiliger wil worden.’

Ik belde Floris en vroeg hem om Sandra een bericht te sturen waarin hij zei dat ze me binnen moest laten. Het leek me handig om dit te kunnen laten zien als ik de politie echt zou bellen. Floris stuurde Sandra meteen een bericht waarin hij zei dat ze voor elf uur de deur voor me moest openen.

Om de tijd te overbruggen ging ik naar mijn werk. Ik klaagde eerst een kwartier tegen mijn collega, die het verhaal wel vermakelijk leek te vinden. Om half twaalf pakte ik mijn telefoon om te zien of Sandra gereageerd had. Dat had ze niet, al zag ik wel dat ze mijn bericht gelezen had. Ik belde Sandra weer en deze keer nam ze op.

‘Wat is er in vredesnaam aan de hand?’ vroeg ik.
‘Dat kan ik jou beter vragen,’ zei Sandra bits.
‘Waarom laat je mij het huis niet in?’ vroeg ik.
‘Ik heb de deur altijd op slot, tegen de dieven.’
‘Onzin,’ zei ik.
‘Ik wil ’s ochtends geen bezoekers in mijn huis,’  zei Sandra. ‘Juist jij zou moeten weten hoe belangrijk dat is als je ’s nachts pas laat gaat slapen.’
De logica van deze opmerking ontging me, maar de manier waarop Sandra tegen me sprak stond me niet aan.
‘Jij mag wel even denken om je toon,’  zei ik. Ik voelde hoe ik rood werd en durfde niet in de richting van mijn collega te kijken, die vlak naast me zat.
‘Mijn toon? Jij mag zelf wel even denken om je toon,’ zei Sandra.
‘Wie denk je wel niet dat je bent?’ zei ik. ‘Je hebt het nota bene aan mij te danken dat je nog in dat huis mocht wonen. Ik wil niet dat je op deze manier tegen me spreekt.’
‘Ik praat altijd zo,’ zei Sandra.
‘Dan praat je tegen mij maar anders,’ antwoordde ik. ‘Ik fiets nu naar het huis van Floris en je laat me binnen.’

Nadat ik op had gehangen durfde ik mijn collega nog steeds niet goed aan te kijken.
‘Ik ben zo terug,’ zei ik. ‘Ik ben even naar het huis van Floris.’

Over een week verschijnt Het huis van mijn broer VIII.
Eerder verschenen Het huis van mijn broer I, II, III
, IV, V en VI.