Over mensen dromen

Ik heb vannacht over een dichter gedroomd. Hij troostte me. Ik herinner me niet dat ik verdrietig was, misschien is het fijn om getroost te worden zonder droef te zijn. De dichter is langer dan ik ben. In mijn droom kwam hij achter me liggen in bed. Een grote, veilige lepel.

Ik vertelde mijn vriend over de droom. Hij luisterde. Ik zei dat het er heel platonisch aan toeging vannacht. De dichter valt niet op vrouwen, dat was in mijn droom ook zo. 
‘Ja,’ zei mijn vriend. ‘Dat zegt natuurlijk niets over jouw gevoelens.’
Daar had ik niet aan gedacht.

Ik droom vaak over mensen. Toen ik in een callcenter werkte, droomde ik regelmatig over collega’s. In dat callcenter heb ik geleerd dat anderen het niet per se willen weten als je over ze gedroomd hebt. Ik vond het meestal leuk als ik me bij het zien van iemands gezicht een droom herinnerde. De ander schrok soms als ik erover vertelde, dus ik besloot de dromen vaker voor me te houden. Toen ik eens droomde dat ik met een teamleider naar de bioscoop was geweest en het hem vertelde, omdat ik dacht dat hij het wel kon waarderen, reageerde hij zo ongemakkelijk dat ik het helemaal afleerde om anderen over hun nachtelijke bezoekjes te informeren.

Later droomde ik over Freek Vonk. Het was een merkwaardige, vrij expliciete droom. Ik werd wakker en vond het erg grappig dat ik zo’n rare droom had gehad. Enthousiast vertelde ik mijn toenmalige vriend onmiddellijk over de plek op mijn lichaam waar Freek zijn ejaculaat had achtergelaten. Hij kon er niet om lachen.

Het is lente

Ik zou bijna zeggen: een depressie is ook maar relatief.

Gisteren at ik met een aantal mensen waarvan er één weet hoe het vorig jaar echt met me ging. De rest ken ik sinds november. Ik vertelde dat dat ik de beste winter had sinds ik op mezelf woon en nog nooit zo ontevreden ben geweest over hoe het met me gaat. In de afgelopen maanden heb ik twee keer lichttherapie gehad en de grootste winst daarvan is dat ik met een helder hoofd terug kan kijken op hoe ik gefunctioneerd heb.

‘Je hebt depressies en je hebt depressies,’ zei iemand.
Ik vertelde dat ik vorig jaar thuis letterlijk tot aan mijn kuiten in het afval stond. Om een depressie uit te leggen heb je geen metaforen nodig, dacht ik. Maar een metafoor is gemakkelijker te gebruiken dan een omschrijving van de werkelijkheid. Dat ik een laag afval op de vloer had liggen vertel ik met gemak, want ik heb het al twintig keer verteld. Ik heb erop geoefend. In mijn hoofd zitten nog tientallen voorbeelden gevangen.

Vorig jaar vond ik dat ik wel redelijk functioneerde. Ik was moe, maar ik werkte veel. Het was een rommel, maar die kon ik opruimen. Er lagen enveloppen, maar die kon ik openen. Er zaten ladders in mijn panty, maar ik kon nieuwe halen. Ik at borrelnootjes, maar ik zou kunnen koken. Ik deed het allemaal niet.

Deze winter valt het allemaal wel mee. Tenminste, ten opzichte van vorig jaar. En ten opzichte van de jaren ervoor. Ik kan gewoon door mijn huis lopen. In de keuken is genoeg plek om te koken. Er hangt geen slecht voorgevoel in mijn hoofd. Misschien zorgt dat voor ruimte om te kijken naar hoe het echt gaat. 

‘Sinds je een relatie hebt, spreken we elkaar niet veel meer,’ zei een vriendin vorige week. 
Ze had ongeveer gelijk. Ik kreeg een relatie op het moment dat de winter in mijn hoofd begon. Ik kreeg een relatie op het moment dat ik tien uur per nacht begon te slapen. Ik kreeg een relatie toen ik moeite kreeg met het openen van post.
‘Ik mis je,’ zei ze. Daar schrok ik van. Ik verwachtte niet dat iemand me zou missen.

Ik keek naar de post die er nog lag en opende die. De energieleverancier wilde dat ik de meterstand doorgaf. Ergens tijdens mijn gedeprimeerde geestestoestand van vorig jaar besloot ik dat ik de verwarming het liefst constant op 23 graden wilde hebben, daar had ik niet meer aan gedacht. Ik ruimde op. Ik schreef een verslag. Ik opende de gordijnen. Ik stuurde wat mensen een bericht. Ik deed de was. Ik bakte een taart.

Ik denk na over hoe het volgende winter beter kan.

Elf dingen die ik wil zeggen als mensen me vragen hoe het leven bevalt nu ik mijn werk heb opgezegd en alle tijd heb om te schrijven

1.
In de winter valt alles tegen.

2.
Een paar maanden geleden hoorde ik iemand zeggen dat ze een periode niet had geschreven en zich daar zorgen over had gemaakt. Een ander had haar toen verteld dat het niet erg was dat ze niet schreef, omdat het een goed teken was dat ze zich er zorgen over maakte. Ik maak me geen zorgen en hoop maar dat me daar zorgen over maken voldoende is.

3.
Gisteren werkte ik achter een bar. Ik leerde er dat je al gauw Mooie Dame heet als mensen je naam niet kennen. Een klant zei “ik kan gewoon heel slecht tegen vooruitgang” en ik schreef dit op een viltje. Ik deed het viltje in mijn tas, las vanmorgen de uitspraak terug en vond deze een stuk minder opmerkelijk dan toen ik hem opschreef.

4.
Ik las stapels gedichten, vond alles stom en vroeg me af of ik niet gewoon stiekem toch een hekel aan poëzie heb.

5.
De afgelopen week was ik op vakantie. Ondanks mijn voornemens las en schreef ik zo ongeveer niets. Ik wilde met mijn vriend de 36 vragen om te stellen om verliefd te worden beantwoorden. Dat was onnodig, maar van een beetje bestendiging is nog nooit een relatie op de klippen gelopen. Ondanks dat hij instemde met het beantwoorden van de vragen, kwam het ook daar niet van.

6.
Ik weet soms niet wanneer ik ten onder ga aan mijn eigen verwachtingen of een gebrek daaraan.

7.
Laatst was ik op mijn oude werk, ik speel er soms nog in het theater dat de bewoners op vrijdagavond bezoeken. Het was een goede beslissing om te stoppen met dat werk, al weet ik niet zo goed wat ik nu met de vrijgekomen ruimte aan het doen was. De bewoners weer zien was moeilijk. Ik moest huilen toen ik vertrok.

8.
Ik ruim mijn huis tegenwoordig wat op. Mijn moeder zei dat ik nog niet eerder in de winter alles zo netjes had. Bij het schoonmaakbaantje dat ik heb, verrekte ik binnen een uur mijn pols zodanig dat ik mijn andere werk een tijdje moest laten liggen.

9.
Het allemaal niet weten is een voortdurende toestand, dat moet ik mezelf altijd blijven voorhouden.

10.
Ik doe veel leuke dingen. 

11.
Tegenwoordig heb ik veel tijd en weinig geld. Ik vind weinig tijd erger dan weinig geld en ben benieuwd of ik daar over een jaar nog zo over denk.