Sleutels geven

Ik had besloten hem mijn huissleutels te geven. Ik heb moeite met visite, maar hij mag altijd naar binnen. Het leek me logisch dat hij dan ook zelf naar binnen zou kunnen komen. Een vriendin nam de reservesleutels die bij haar lagen voor me mee (“het is wel duidelijk op welke plek ik ben komen te staan”), ik had de sleutels vervolgens op een bereikbare plek in het voorvak van mijn tas gedaan en ging naar hem toe.

Nog voordat ik de sleutels kon geven, kregen we onenigheid. Of nee, we begrepen elkaar verkeerd. Het was niets dramatisch, maar het overhandigen van huissleutels zou het wel tot iets dramatisch gemaakt hebben, dus ik besloot ze in mijn tas te houden. Later hadden we goede gesprekken die ik niet wilde onderbreken voor het geven van sleutels. Eigenlijk gebeurde er die avond verder niets wat het onderbreken waard was. Een goed moment vinden bleek lastiger dan ik dacht. 

Pas de volgende ochtend dacht ik een moment gevonden te hebben. Hij vertelde iets over een sleutelbos die hij naar zijn werk gebracht had. Ik greep dat aan, het was een bruggetje, van bruggetjes moet je eigenlijk geen gebruik maken, bruggetjes zijn stom, maar ik wilde die sleutels gegeven hebben.
´Wacht,´ zei ik en ik sprong over hem heen het bed uit. ´Nu je het over sleutels hebt, ik heb nog wat voor je.´
Alsof het normaal is om te vergeten dat je je huissleutels voor je verkering mee hebt meegenomen en om er de volgende ochtend in bed dan ineens aan te denken.

Hij gaf me zijn sleutels ook. Ik weet nog steeds niet of het beter is om eerste of tweede te zijn met het geven van sleutels.

Elkaars sleutels hebben bleek nog ingewikkelder dan sleutels aan elkaar geven. Toen hij naar mijn huis kwam, belde hij gewoon aan. Dat is logisch, het zou gek zijn als hij ineens binnen stond. Aan de andere kant: waarvoor geef je elkaar je sleutels?

We vonden het beiden handig dat ik zijn sleutels had, omdat mijn fiets bij hem in de kelder moet staan en hij steeds vier trappen naar beneden moest lopen om de deur naar de kelder te openen. Maar toen ik voor zijn portiekdeur stond, wist ik even niet wat ik moest doen. Zelf naar binnen gaan, mijn fiets in de kelder zetten en naar boven lopen? En daar dan aanbellen bij zijn voordeur? Ik besloot om niet zelf zijn portiek binnen te gaan, maar om aan te bellen bij de portiekdeur.
‘Heb je de sleutels mee?’ klonk het door de intercom. 
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik zet even mijn fiets in de kelder.’
Met een zoem liet hij me binnen. Ik zette mijn fiets weg en op het moment dat ik de kelderdeur weer op slot wilde draaien, stond hij ineens achter me. Vier trappen naar beneden gelopen, terwijl het niet nodig was. Hij gaf me een kus.
‘Wilde je even kijken of het me allemaal wel lukte?’ vroeg ik. Zijn aanwezigheid maakte me wat onzeker. 
‘Nee,’ zei hij. ‘Ik kwam gewoon maar naar beneden. Het voelde een beetje raar om maar boven te blijven zitten.’

De baas van de psychiater

Ik mocht de psychiater wel. Tijdens het intakegesprek voor lichttherapie waarschuwde hij me voor bijwerkingen. Hij vertelde dat de kans ontzettend klein is, maar dat sommige mensen manisch worden van lichttherapie. Toen ik zei dat manisch worden me uitstekend leek, dat ik had gehoord dat je daar nog mooier van gaat schrijven, raakte hij er niet van in paniek. Dat vond ik een goed teken.

Het duurde even voordat ik moe genoeg was om lichttherapie te krijgen. Ik moest wekelijks vragenlijsten invullen, zodat de artsen in de gaten konden houden hoe het met me ging. Als er uit de lijsten zou blijken dat ik een winterdepressie kreeg, zouden ze contact met me opnemen. Toen ik halve etmalen in bed lag belde ik zelf maar.

Lichttherapie bleek iets wonderbaarlijks. Vijf ochtenden achter elkaar zat ik drie kwartier voor een grote lichtbak. Zo ongeveer elke twee minuten moest ik even recht in de lamp kijken. Op de eerste dag leek ik nog vermoeider voorheen. Op de tweede dag werkte ik in een half uur de mail weg waar ik al anderhalve week tegen aan zat te hikken. Op de derde dag deed ik de was. Op de vierde dag deed ik de helft van mijn afwas.

Om er zeker van te zijn dat de therapie echt had gewerkt, wilde de psychiater me na afloop even zien.

‘Hoe gaat het met je?’ vroeg hij.
Ik vertelde over hoe goed het met me ging. En ik vroeg of ik de volgende keer wat eerder mocht komen, omdat ik niet weer halve etmalen in bed wilde blijven liggen.
‘Dat mag zeker,’ zei de psychiater. ‘Je mag gewoon bellen. En misschien moet je de vragenlijsten ook wat eerlijker invullen.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Als je in moet vullen of je moe bent, kijk dan naar hoe lang je in bed ligt. En niet naar of daar oorzaken voor zijn, om daar vervolgens rekening mee te houden in je antwoorden. Niet denken: ik lig de hele dag in bed omdat ik een slecht gedicht heb geschreven. Gewoon invullen dat je erg vermoeid bent.’
‘Daar ligt het momenteel niet aan,’ zei ik.
‘Weet je dat mijn leidinggevende poëzie schreef? Van den Hoofdakker. Hoe heet hij? Kopland.’
De psychiater had me al eens over hem verteld en ik las onlangs dat Kopland een autoriteit was op het gebied van lichttherapie. Dat vond ik mooi.
‘Hij schreef niet onaardig,’ zei de psychiater. ‘Hij won er wel eens prijsjes mee.’
Ik moest een beetje lachen om de prijsjes.
‘Het was geen beroerde carrière’, zei ik.
‘We hadden wel eens discussies.’ De gedachten van de psychiater leken wat af te dwalen.
‘Over poëzie?’ vroeg ik.
‘Nee, nooit over poëzie. Ik heb daar niets mee. Als het over poëzie ging zei Van den Hoofdakker zei altijd: ik kan jou beter een bord aardappelen geven.’