Het verschil

Soms bekijk ik alle de contacten in mijn telefoon. De contactlijst vertelt een geschiedenis, maar op alfabetische volgorde in plaats van chronologisch.

Ik noem maar weinig mensen bij hun achternaam. Veel mensen kregen de naam van onze gezamenlijke werkgever als achternaam. Bij anderen gebruikte ik de naam van het tijdschrift waar ze voor werken of de band waarin ze spelen. Dat vind ik overzichtelijk.

Er bestaat in mijn telefoon een familie Tinder, vol veelbelovende mannen met mooie hoofden, interessante bezigheden en leuke grapjes. Ik heb geen van hen ooit ontmoet. De gesprekken vielen stil, kwamen nooit op gang of ik had bezwaren.

Wanneer ik tussen de contacten iemand zie waarvan ik alleen de voornaam heb genoteerd, moet ik soms even denken over wie het is. Bij een mannennaam bleef ik even hangen. Het was het laatst toegevoegde contact, ik was vergeten hem Tinder te noemen.

Vertrekken

Gisteren was mijn laatste werkdag en dat vertelde ik pas gisteren op de groep. De bewoners schrokken. Ik had het moeilijk en moest steeds een beetje huilen. Dat had ik liever niet willen doen, ik wil het niet ingewikkelder maken dan nodig. Aan de andere kant: de bewoners mogen best weten dat ik ze ga missen. We hadden geen geveinsde band.

Er waren gisteren momenten waarop ik niet de begeleider was en een bewoner niet de bewoner. Er was iemand die voorzichtig een hand op mijn arm legde en zei dat hij had gezien dat ik verdrietig was en het wel begreep, ik ben tenslotte nog jong. Het was even zoals het óók is: hij de oudere man met levenservaring, ik de jongere vrouw die minder van het leven heeft gezien dan hij.

Iemand schreef iets moois voor me. Iemand bleef herhalen dat ik wegga, dat ik écht wegga, dat ik niet meer kom werken, dat ik niet meer terugkom, dat ik er morgen niet meer ben, dat we elkaar bijna niet meer zullen zien, dat ze moet wennen als ik weg ben. Iemand bleek onverwacht het vermogen te hebben om me af te leiden, en wees me op een schilderij als hij zag dat ik het moeilijk had. Iemand gaf klopjes op mijn arm en zei ‘stil maar, stil maar’. Iemand wilde niet dat ik nog grapjes maakte. Iemand die liever stil is sprak de hele dag niet tegen me en gaf me chocolade vlak voor ik vertrok.