Sneeuw

1.
Een paar dagen geleden liep ik door een witte stad naar huis. Het was mooi buiten. Op de asfaltweg was de sneeuw vies en drabberig, maar in het felle licht van de lantaarnpalen glinsterde de grijsgereden sneeuw toch. 

2.
Overal liggen nu plassen water. Hier en daar staan restanten van sneeuwpoppen. Ik moet denken aan de kippen op de kinderboerderij waar ik vroeger kwam. Een vrijwilliger vertelde me dat ze bij elkaar kruipen om warm te blijven.

3.
Ik zit met vragen over hoe sneeuw functioneert. De antwoorden zoek ik niet op, omdat ik weet dat ze me zullen vervelen.

De blik van een ander

Toen ik vorige week na een date voor mijn huis stond te zoenen, wist ik dat er een moment zou komen waarop ik iets moest zeggen. Voor je huis met iemand staan zoenen is leuk, maar je kan het geen uren volhouden. Je moet vanzelf een keer naar de wc, je krijgt dorst en bovendien staat je date te wachten op of je ‘het was leuk, tot de volgende keer’ of ‘kom, we gaan naar binnen’ zegt.

Ik vroeg de man mee naar binnen.

Wie me kent weet dat ik dat niet zomaar doe. Dat heeft niets te maken met mijn opvattingen over wanneer je wel of geen seks zou moeten hebben, maar ik heb liever geen anderen in mijn huis. 

Er zijn meestal twee manieren waarop ik naar mijn huis kijk, afhankelijk van hoe ik me voel. Als ik tevreden ben zie ik hoe het zou moeten zijn, of hoe het kan worden. Mijn boekenkast is geordend en ik heb mijn boeken allemaal gelezen. Er liggen plinten langs de muren. De hoeken zijn vrij van rommel. Er bestaat geen gruis. De resten van het feestje dat ik in oktober gaf zijn opgeruimd.  

Als ik minder goed gestemd ben, zie ik hoe mijn huis eerder is geweest. De rommel heeft zich zo opgestapeld dat er orde in is ontstaan. Er loopt een pad van mijn stoel naar de deur. De gordijnen zijn dicht. Het stinkt en het is onduidelijk waar de geur vandaan komt. Van overal, misschien. Wat je ook wil doen in deze woning, je weet niet waar je moet beginnen.

Wanneer er iemand op visite komt, dringt diegene me een andere blik op. Onbedoeld. Ik kan niet anders dan proberen te achterhalen hoe de ander mijn huis ziet. Ik zie waar iemands ogen op blijven hangen als hij mijn kamer rondkijkt. Ik zie of iemand gemakkelijk achterover leunt, of rechtop op de bank blijft zitten. Ik weet uitstekend wat ‘goh, wat heb je veel spullen’ betekent. 

Je huis zegt iets over wie je bent. Hoe je je huis inricht. Hoe je met je huis omgaat. Wie je erin toelaat. Kennelijk ben ik introverter dan ik dacht te zijn.

Gefotografeerd worden vind ik misschien nog lastiger. Gelukkig is het steeds gemakkelijker om te proberen de werkelijkheid overeen te laten komen met het beeld dat ik van mezelf heb. Ik weet ongeveer hoe ik moet kijken om voordelig op de foto te komen. Wanneer een vriendin een selfie van ons maakt, laat ik haar de foto meteen wissen als ik vind dat ik er lelijk opsta. Instagram heeft flatterende filters. 

Ik weet dat ik mezelf voor de gek hou, maar het is comfortabel.

Toen ik gefotografeerd zou worden door een fotograaf die ik waardeer, wist ik dat er geen ruimte zou zijn om mezelf voor de gek te houden. Ik ken de portretten die hij van daklozen maakt. Ze zijn confronterend. De mensen op de foto worden niet opgepoetst. Ze zijn zoals ze zijn. Het zijn foto’s die je niet zomaar door iemand laat maken. Soms kijkt iemand je vanaf de foto direct aan. Ook dat is confronterend: enkele daklozen herken ik, terwijl ik ze nog nooit gesproken heb. Op een bepaalde manier heb ik via een foto dan meer contact met iemand, dan we ooit in het echt gehad hebben.

De fotograaf stelde voor me thuis te fotograferen. Of in een louche bar. Hoewel een louche bar aanlokkelijk en vooral veilig klonk, nodigde ik de fotograaf thuis uit. 

Ik beloofde hem niet op te ruimen.

De fotograaf nam een blik mee die ik niet kende. ‘Wauw,’ zei hij toen hij mijn woonkamer binnenstapte. ‘Hier kan je goede foto’s maken.’

De fotograaf was druk. Hij praatte veel. Dat beviel me. Als iemand anders ook druk is, voel ik me sneller op mijn gemak. De fotograaf vertelde over zichzelf. Of nee, we hadden een gesprek. Ik vertelde over mijn moeite met visite en over schrijven. De fotograaf vertelde over zijn angsten, over fotografie en over zijn vrouw. 

Ik vertelde dat ik me ongemakkelijk voel als ik op de foto gezet word. De fotograaf zei ongemak iets goeds te vinden. Dat ben ik met hem eens en gek genoeg nam dat wat van mijn ongemak weg. Dat de fotograaf een broek met een scheur droeg hielp ook.

Ik schonk appelsap in. 
‘Lekkere appelsap,’ zei de fotograaf.
Ik vertelde dat het biologisch was. Zoiets dacht hij al.

De fotograaf trok mijn gordijnen verder open dan ze dit jaar geweest waren. Ik verbaasde me over de hoeveelheid licht die binnenviel. De fotograaf vertelde dat ik een donkere kamer heb. Hij vond dat iets positiefs, al maakte het het fotograferen wat moeilijker en weet ik zeker dat mijn huis niet zijn smaak is. 

We wilden elkaar muziek laten horen, maar in ons enthousiasme luisterden we geen nummer uit. Uiteindelijk zette de fotograaf muziek op waar hij goed bij kon werken. Hiphop.

Er werden stoelen verschoven en ik maakte me nauwelijks druk over de rommel die ik al maanden onder stoelen had geveegd. Ik werd op plekken neergezet, zonder dat ik me gedirigeerd voelde. Ondertussen bleven we praten. Over geloof en idealen. Over afkomst. De fotograaf haalde een andere camera uit zijn tas. Hij vertelde nog iets over zijn vrouw. Ik vertelde over een man in mijn leven. Iemand die ik tot voor kort nog een date noemde.

Ineens, haast zonder dat ik doorhad dat ik er beland was, zat ik op een kruk voor mijn boekenkast. De fotograaf zat voor me, de camera was intimiderend dichtbij. 

‘Nu recht in de lens kijken,’ zei de fotograaf. En ik keek recht in de lens. 

Twee soorten mannen

Voordat je de deur uitgaat moet je weten dat er twee soorten mannen bestaan: er zijn mannen voor wie het moment begint zodra ze er klaar voor zijn, dat is wanneer jij je mooie ondergoed draagt, jullie beiden goed gedoucht zijn en hij een handdoek over zijn kussen heeft gelegd omdat jouw haar nog nat is, daarnaast zijn er mannen die er klaar voor zijn zodra het moment zich aandient en zo lang het moment duurt, zij hebben geen moeite met plakkerige lichamen en oplopende onwelriekendheid, maar lijken er wonderlijk genoeg soms juist plezier aan te beleven.

Een groot stuk taart

Ik at taart met een vriendin.

Eerder dit jaar, toen we een dag samen met de trein ergens naartoe waren, at ik patat met haar. Ik een kilo, zij een kleine portie. Ze was onder de indruk van de hoeveelheid die ik wegwerkte, ik was onder de indruk van haar vermogen te functioneren op zo’n kleine hoeveelheid brandstof. 

We kenden elkaar nog maar een paar maanden en waren nog niet eerder een hele dag met elkaar opgetrokken. Ik herinner me dat we in een bus stonden die dag. Het was vol, we moesten staan. Ik was zenuwachtig voor wat we gingen doen en ratelde. De vriendin vroeg me tot mijn vreugde vrij direct om te stoppen met praten. ‘Stop,’ zei ze gewoon. Ik vond het leuk dat ze dat deed. Niet iedereen durft dat. Ze had er even over getwijfeld, vertelde ze.

Nu was de vriendin jarig. Ik at taart met haar, of eigenlijk at zij een groot stuk taart en ik alleen maar een plak cake. Ik had geen honger omdat ik nerveus was voor een date. Of misschien wilde ik geen dikke buik, alsof een stuk taart enig verschil zou maken. 

De vriendin kreeg een boek van Raymond Carver, waarvan ik zeker wist dat ze het mooi zou vinden. Ik durf nooit goed toe te geven dat ik het boek niet enorm fantastisch vind. Ik heb vast iets gemist, of had mijn aandacht er niet bij toen ik het las.

We bespraken van alles. De liefde, natuurlijk. Ik maakte een drama van wat ik vertelde en de vriendin zei dat ze niet wist wat ze moest zeggen. Of ze me gerust moest stellen. Dat hoefde niet, het drama hoort bij alles wat ik doe. Zij houdt dingen kleiner en dat is waarom ik wist dat ze het boek mooi zou vinden. Ze heeft oog voor subtielere zaken dan ik. Hoewel je kan zeggen dat ik dat subtiele zaken mij ook niet ontgaan, als ik ze opblaas tot een drama. En hoe weet ik zo zeker dat zij dat nooit doet?

Toen ik het boek kocht wist ik precies door welk verschil het kwam dat ik wist dat ze het boek zou waarderen. Ik weet het nu niet meer. 

De vriendin vertelde later dat ze het boek mooi vindt. Ik zal het herlezen.

Denken

1.
Een vriendin liet me weten James Dean gezien te hebben in de supermarkt. Hij was mijn type. Ik probeerde te bedenken of het de echte geweest was of iemand die op hem leek. Het leek me niet onmogelijk dat James Dean een half brood afrekende bij Jumbo. Beroemdheden moeten zich toch ergens bevinden. Wel vond ik het gek dat ik niet wist hoe James Dean er tegenwoordig uitzag, ik herinnerde me alleen oude foto’s. Pas nadat ik had besloten dat het een dubbelganger geweest moest zijn, snapte ik dat het alleen een dubbelganger geweest kón zijn.

2.
Ik wisselde berichten uit met een leuke man. Hij stelde een vraag en zei daarbij te hopen niet als een redman te klinken. Shit, dacht ik. Wat is een redman? Soms heb ik er weinig moeite mee om dom over te komen, maar in deze situatie wilde ik me van mijn beste kant laten zien. Ik probeerde met behulp van Google uit te zoeken wat de man bedoelde. Redman is een rapper, maar daar doelde hij vast niet op. Net voor ik de man wilde vragen wat een redman is, bedacht ik dat ik de term even eerder zelf geïntroduceerd had. Ik vergeleek mannen die hun hulp aanbieden en me willen redden met manke jagers die op zoek zijn naar kreupele herten.

3.
In de Herestraat wordt gewerkt aan een nieuwe winkel. De zaak opent binnenkort voor publiek, nu lopen er alleen nog werkmannen met helmen in en uit. De gevel is al grotendeels klaar, zodat iedereen alvast kan zien wat voor waardevolle toevoeging er aan het huidige winkelaanbod gedaan wordt. Stradivarius staat er met witte letters op geschreven. Wauw, denk ik. Een vioolwinkel op zo’n locatie. En ook nog eens in zo’n groot pand.

Man in bed

Er ligt een man in mijn bed.

We waren wakker voor de wekker ging. Ik dacht dat hij mij had gewekt en hij dacht dat ik hem wakker had gemaakt. De haren achter op mijn hoofd zijn getoupeerd en heb beloofd koffie te zetten.

Iets klopt niet, denk ik. Ik heb iets gemist.

Er bestaan mannen die goede dingen weten te zeggen. Dat je mooi bent, of slim, dat ze je graag beter willen kennen of dat ze nog nooit eerder iemand hebben ontmoet die wat voor willekeurig compliment dan ook is. Die opmerkingen werken aardig bij mij, al weet ik dat ze inwisselbaar en slechts deels gemeend zijn. De mannen die goede dingen zeggen, zeggen de goede dingen met een duidelijk doel voor ogen en dat vind ik op een bepaalde manier best overzichtelijk. Ik vind het ook wel een compliment wanneer iemand effect bij me wil bereiken met een opmerking. 

De man in mijn bed zei geen goede dingen. Niet van dat inwisselbare, tenminste. Hij gaf een puntenslijper, zei lieve dingen als inhoudelijke reactie op iets wat ik zei, was soms onhandig en maakte me veel aan het lachen. Nu probeer ik uit te vinden hoe mijn koffiezetapparaat werkt en ik weet niet wat ik met mijn argwaan moet.

Er is een plan, denk ik, een vooropgezet plan. Een complot.

Er ligt een man in mijn bed.

Ik denk aan de mensen die wij beiden kennen. De meesten weten niet dat we elkaar zien. Voor zover ík weet, tenminste. Ik probeer te bedenken of ik iemand gekwetst heb. Misschien is er iemand boos, al kan ik niemand bedenken.

Ik denk aan de lieve dingen die ik vannacht heb gezegd, omdat hij lieve dingen zei. Ik denk aan de dingen die ik eerlijk heb verteld, omdat hij me dingen vertelde.

De koffiepot pruttelt.

Ik denk aan hoe hij me gezien heeft. Wat hij van me gezien heeft. Hoe we samen lagen. Hoe ik moest lachen. En ik denk aan hoe ik de afgelopen tijd gehecht raakte aan mijn onafhankelijkheid. Kennelijk is het toch gemakkelijk om me ergens te krijgen waar je me ten val zou kunnen brengen.

Ik loop door de gang en veeg voordat ik mijn slaapkamer binnenstap wat rommel van mijn voetzolen.

‘Breng je me dat hier? Wat lief,’ zegt de man.
‘Nou,’ zeg ik. ‘Het is maar koffie, hoor.’

 

Het verschil

Soms bekijk ik alle de contacten in mijn telefoon. De contactlijst vertelt een geschiedenis, maar op alfabetische volgorde in plaats van chronologisch.

Ik noem maar weinig mensen bij hun achternaam. Veel mensen kregen de naam van onze gezamenlijke werkgever als achternaam. Bij anderen gebruikte ik de naam van het tijdschrift waar ze voor werken of de band waarin ze spelen. Dat vind ik overzichtelijk.

Er bestaat in mijn telefoon een familie Tinder, vol veelbelovende mannen met mooie hoofden, interessante bezigheden en leuke grapjes. Ik heb geen van hen ooit ontmoet. De gesprekken vielen stil, kwamen nooit op gang of ik had bezwaren.

Wanneer ik tussen de contacten iemand zie waarvan ik alleen de voornaam heb genoteerd, moet ik soms even denken over wie het is. Bij een mannennaam bleef ik even hangen. Het was het laatst toegevoegde contact, ik was vergeten hem Tinder te noemen.

Vertrekken

Gisteren was mijn laatste werkdag en dat vertelde ik pas gisteren op de groep. De bewoners schrokken. Ik had het moeilijk en moest steeds een beetje huilen. Dat had ik liever niet willen doen, ik wil het niet ingewikkelder maken dan nodig. Aan de andere kant: de bewoners mogen best weten dat ik ze ga missen. We hadden geen geveinsde band.

Er waren gisteren momenten waarop ik niet de begeleider was en een bewoner niet de bewoner. Er was iemand die voorzichtig een hand op mijn arm legde en zei dat hij had gezien dat ik verdrietig was en het wel begreep, ik ben tenslotte nog jong. Het was even zoals het óók is: hij de oudere man met levenservaring, ik de jongere vrouw die minder van het leven heeft gezien dan hij.

Iemand schreef iets moois voor me. Iemand bleef herhalen dat ik wegga, dat ik écht wegga, dat ik niet meer kom werken, dat ik niet meer terugkom, dat ik er morgen niet meer ben, dat we elkaar bijna niet meer zullen zien, dat ze moet wennen als ik weg ben. Iemand bleek onverwacht het vermogen te hebben om me af te leiden, en wees me op een schilderij als hij zag dat ik het moeilijk had. Iemand gaf klopjes op mijn arm en zei ‘stil maar, stil maar’. Iemand wilde niet dat ik nog grapjes maakte. Iemand die liever stil is sprak de hele dag niet tegen me en gaf me chocolade vlak voor ik vertrok.