Aftellen

Ik tel de dagen tot mijn laatste werkdag af. Drieëntwintig, tweeëntwintig. Meestal tel je af naar leuke dingen. Je verjaardag. De vakantie. 

Eenentwintig. 

Vanaf het moment dat ik mijn ontslag indiende om meer te kunnen lezen en schrijven, kreeg ik het drukker. Ik vertelde de wereld wat ik wilde doen. Veel mensen vinden het een dapper besluit. Ik geloof dat zij denken dat dapper een vriendelijk woord is voor dom, of op zijn best: onverstandig. Andere mensen zijn oprecht enthousiast. Sommigen hebben werk voor me, of tips.

Ik werkte aan de aanvraag voor een stipendium. Ik droeg gedichten voor. Ik redigeerde teksten. Ik nam een fantastische opdracht aan.

Mijn nieuwe leven wacht niet tot ik de dagen afgeteld heb en ik neem intussen nog steeds de trein naar mijn werk. Mijn oude werk. Het werk waar ik van houd.

Ik ben opgevoed met het idee dat je maar van één persoon tegelijk mag houden. Of dat juist is weet ik niet. Op dit moment zijn er zaken waar ik zoveel van houd, dat ze geen ruimte laten voor elkaar. (Laat staan voor romantische liefde.)

Hoe vertel ik straks dat ik niet meer kom werken, omdat ik liever letters op papier zet? Ik kan voor mezelf nauwelijks beargumenteren dat dat belangrijker is dan wat ik nu doe, laat staan dat ik het kan uitleggen aan de mensen waar ik voor zorg.

Twintig.

Hij heeft een moeilijke dag achter de rug, maar heeft een vrolijk moment.
‘Als ik aan iemand zou vertellen hoe je eruit ziet, zou ik zeggen dat je twee benen hebt.’
‘En?’
‘En een buik.’
‘Jij hebt ook twee benen en een buik. Eigenlijk lijken we best op elkaar.”
Hij kijkt naar me, lacht dan hardop en knikt. We lijken in niets op elkaar.
‘En we hebben allebei haar op ons hoofd,’ zeg ik, hoewel hij geen vlecht heeft en ik geen blonde stekels .
‘Ja, maar ik vertel niet over je haar.’
‘Waarom niet?’
‘De mensen moeten ook wat te ontdekken hebben.’
Ineens is hij rustiger. Hij laat zich achterover zakken in zijn stoel en bekijkt me weer, maar nu met aandacht. Hij zoekt naar iets. Iets wat de mensen aan me kunnen ontdekken.
Ik houd me stil.
‘Hoe kleine oortjes dat je hebt,’ zegt hij en wijst naar de zijkant van mijn hoofd, ‘want je hebt maar marmottenoortjes.’

Negentien.

Invloed

Ik troost mezelf met de gedachte dat ik altijd alleen zal blijven. Als ik niemand iets verschuldigd ben, ben ik dat ook mezelf niet. 

Toen ik net alleen was, hoorde ik van alle kanten dat ik niet meteen weer een relatie moest beginnen. Dat ik eerst een tijd eenzaam hoorde te zijn. Mezelf moest vinden. Ik heb vaak iemand gemist. Dat doe ik soms nog, maar inmiddels geloof ik niet meer dat dat iets te betekenen heeft.

De mensen die me waarschuwen voor seks zonder betekenis zien de waarde niet in van een exact afgemeten hoeveelheid bevestiging krijgen. Ze weten niet welke verhalen ongemak oplevert. Wat dat betreft kan je beter knokig in elkaars armen liggen terwijl je het beiden niet meent, dan ontdekken dat jullie lichamen (ook als jullie geen seks hebben) perfect in elkaar passen.

Als ik iets leuks moet vertellen over mijn langste relatie, vertel ik graag over hoe hij me toestond om voor onze vakantie naar Parijs de hotels met de slechtste beoordeling te boeken. Er is genoeg te beleven in Parijs, als je maar de moeite neemt om goed te zoeken.

Vorige week hoorde ik dit gesprek: 
“En toen gingen we naar Simplon en daar hebben we gezoend.”
“Het was in Vera.”

In het afgelopen jaar heb ik een narratief ontwikkeld dat ik met iedereen deel, maar aan niemand toevertrouw.

Ik weet niet of ik nog met de waarheid kan leven.

Aantrekken

Er zijn mannen die zich ten onrechte van alles aantrekken, zoals de man die dacht dat ik mijn hooggehakte pumps speciaal voor hem droeg, terwijl ik ze aan had getrokken om mijn gewicht tijdens het lopen niet op mijn pijnlijk beblaarde hakken te laten komen.