Elf dingen die ik inmiddels wel genoeg heb gezegd

1.
Het gat zat er al toen ik de panty vanmorgen aantrok.

2.
Dat geeft helemaal niets.

3.
Dan ik.

4.
Sorry, ik bedoelde het niet zo.

5.
Ik heb geen interesse in uw klantenkaart

6.
Ik heb ook geen interesse in Healthy Magazine.

7.
Ja, leuk, laten we binnenkort onze agenda’s trekken.

8.
Was er iets niet duidelijk toen ik ‘nee’ zei?

9.
Jij kan het ook niet helpen.

10.
Natuurlijk, dat wil ik wel doen.

11.
Dat ik een buik heb, betekent niet dat er een baby in zit.

Kussen I

Na drie keer oogcontact begreep ik het. We waren elkaar tegengekomen tussen al deze mensen en nu moest er iets gebeuren. 

Dat was ook het moment waarop ik besefte dat ik niet meer wist hoe het moest. Ik bedoel, het oogcontact was tot dan toe per ongeluk gegaan. Hij had erbij gelachen, maar ik ving zijn blik slechts doordat ik om me heen had gekeken. Het is immers raar om constant naar het plafond te kijken als je danst en bovendien was er met al die lampen nauwelijks een plafond te zien.

Ik keek zijn richting nog eens op en had meteen weer oogcontact. Ik keek vlug weg. Er was een vervolgstap, maar ik wist niet meer welke. Het was te lang geleden. Ik draaide me weg, danste de andere kant op. De vervolgstap zou vast iets met kijken te maken hebben. Ik moet óók lachen, dacht ik. Net als hij. Laten merken dat ik dit leuk vind. Dat ik hem leuk vind.

Ik draaide me om. Ik keek. Hij stond ineens twee meter dichter bij me dan een ogenblik eerder, toch lukte het me om te lachen. Hij lachte ook en had prachtige tanden. Ik concentreerde me vlug weer op het dansen.

Kennelijk was de lach de juiste vervolgstap, want hij kwam naast me staan. Ondanks de luide muziek (iets te funky naar mijn smaak) was hij prima te verstaan. ‘I find you very attractive.’
O god, dacht ik. I find you attractive too, maar wat moet ik nu zeggen? ‘Thank you,’ zei ik en ik danste.
‘What is your favorite colour?’
Mijn lievelingskleur verschilt van dag tot dag, maar dat ging ik niet uitleggen, al was de man nog zo attractive. ‘Green,’ zei ik, want tegen green is nou eenmaal niets in te brengen.

De man lachte. Ja. Wat een lach. Ik danste. De muziek leek er iets beter op te worden.

O, wacht. Nu moest ik iets vragen, natuurlijk.
‘What is your favorite colour?’ vroeg ik. 
‘Grey,’ antwoordde de man.
‘Grey,’ herhaalde ik en ik lachte nog maar eens, want wat moest ik anders ook doen. ‘Really?’ 
‘Really.’
‘That’s so…’ Ik wist niet wat ik moest zeggen. Grijs. Echt? Ik dronk mijn bier in een teug op en liet de plastic beker op de plakkerige vloer vallen. 

De man danste een beetje houterig. Ik begreep niet hoe we onze lichamen ooit synchroon zouden kunnen krijgen, maar de man bewoog zich naar me toe. Hij legde zijn hand op mijn heup en ik werd me er van bewust dat iets in me veranderd was dat niets te maken had met ‘het verleerd zijn’. Zijn arm probeerde mijn bewegingen te volgen en ik geloofde hem niet. Zijn bewegingen. Zijn lach. En zijn woorden. Zijn lievelingskleur was geen grijs. Wat een onzin. Natuurlijk was zijn lievelingskleur geen grijs. Een grijs shirt zou hem niet eens mooi staan. Hij had het alleen gezegd, zodat ik verbaasd kon reageren. Hoe heb ik vroeger in alle ernst zoveel stomme antwoorden aan kunnen horen?

Hij kuste me. Zijn lippen waren droog en bewogen stug.

 

 

Snakkerd

‘Wanneer kan ik naar je komen luisteren?’ vroeg iemand me.
‘Wanneer is De Schreef?’ vroeg een ander.
‘Laat je het weten als je eens in Utrecht bent?’ vroeg een derde.
‘Wanneer was het ook alweer?’ vroeg de eerste me later voor de zekerheid.
En ik dacht: zouden anderen weten dat ik op wil treden, dat ik voor wil lezen?

Het was een gevecht met de Groninger in me. Die zei ‘tou eem’ en ‘nait neudeg’ en ‘kist t ook loaten’ en ‘snakkerd’. Vooral ‘snakkerd’.

Snakkerd won. Er staat nu een agenda op dit blog.

Poëzie #6a

Ik richt mij niet ten gronde maar trek met een vlijmscherp mes lijnen in het tapijt
Lijmresten poederen de lucht als ik de donkergrijze mat van jouw vloer afruk
Zonder stofmasker werk ik door, de ruwe bult in de hoek groeit met de dag
Ik kijk er soms naar om en zie: de tijd brandt er de rafels af

Love is a concept by which we measure our pain, lieverd.

Weet je nog hoe ik als kleermaker bij de gashaard zat
de hitte op mijn rug gericht mijn huid zo warm
en rood dat je dacht dat ik voorgoed zou blijven
gloeien. Al die keren dat ik zonder te kijken
achter mijn rug de knop om wilde zetten

Op mijn armen draag ik nog de plekken

 
Voor Dichters in het Donker bekeek ik het kleine stapeltje gedichten dat ik vorig jaar schreef en schrok. Ik zou zo ongeveer alles moeten herschrijven. Wat een pretentieuze pulp. Ik werd er een beetje droevig van. Dit gedicht herschreef ik, er bleef weinig van over, het werd bovenstaande versie. Volgend jaar zal ik me hier weer voor schamen. Dan zal ik een #6b schrijven.

Iemand om het mee te delen

Als iets belangrijks eindigt maak je onbewust een opsomming van wat er voor het einde was. Zo ben je voorbereid op wat er gaat komen. Toen bijna een jaar geleden mijn lange relatie eindigde, wist ik ongeveer wat me te wachten stond. In mijn eentje eten. Geen knuffels. Alleen slapen. Niet meer voor zijn gaskachel zitten. Geen kabel-tv meer kijken.

Een brein kan geen complete relatie bevatten, ontdekte ik. Er zijn altijd dingen die je niet doorhebt.

De kwestie die me het meest verraste was: aan wie moet ik nu vertellen dat ik hoofdpijn heb?

Als ik tijdens mijn relatie hoofdpijn had, belde ik hem op. Ik wist precies wat hij ging zeggen.
‘Heb je de oefeningen wel gedaan?’
‘Nee,’ zei ik dan.
‘Doe de oefeningen maar,’ zei hij. En daar luisterde ik naar.

Hij kende oefeningen tegen spanningshoofdpijn. En het was altijd spanning, als ik hoofdpijn had. Het voelde alsof de spieren die van mijn schouders naar mijn nek liepen van stug rubber gemaakt waren. Ik moest van hem mijn linkeroor naar mijn linkerschouder brengen. Ik moest mijn rechteroor naar mijn rechterschouder brengen. Ik moest dit herhalen terwijl ik met mijn kin naar achteren een gekke bek trok. Ik moest een rollende beweging maken met mijn hoofd.

Altijd wilde ik dat hij de oefeningen voordeed. Dat we elkaar aankeken en precies hetzelfde deden. Hij kreeg er steeds minder trek in, maar deed het meestal toch.

Vanmorgen werd ik wakker en ik had het koud. Ik had in mijn slaap mijn dekbed van me afgeschopt. Mijn keel deed zeer als ik slikte. Ik voelde druk op mijn oren en in mijn linkeroor knapte een raar geluid. Wat stom dat ik nu niemand heb om dit aan te vertellen, dacht ik. Dat diegene dan kon zeggen dat hij ook niet wist wat het geknap in mijn oor te betekenen had.

Ik trok mijn dekbed weer over me heen en besefte dat ik het hele jaar nog geen hoofdpijn had gehad.

Poëzie #8

Hij zei dat ik niet hoefde te doen alsof ik het lekker vond
Hij droeg Axe, het was mijn eerste keer. We wisten beiden niet
dat pijn en plezier in dezelfde spieren liggen

Jaren later sliep ik op woensdagen bij een man
die de rest van de week naar een Aziatische partner zocht
Na zestien weken slokte hij tot maandag mijn gedachten op
Voordat de dagen elkaar zouden raken, bedankte ik voor wat we hadden
en wachtte tot er niets anders overbleef dan een lichamelijke reactie op Davidoff

Mijn oudtante Tjaaktje was een van de eerste Veenkoloniale marktstrategen. Zij onderwees me:
Verleiden is niets meer dan iemand ongemerkt een bekend verhaal te laten herbeleven
Het hare speelde in een geurloze kamer en ging over trots
die af te meten was aan de diepte van groeven in een bleek gelaat

Ik zal parfum gaan dragen

Dichters in het Donker

Over tien dagen lees ik ergens gedichten voor. ‘Wat leuk,’ zeggen de mensen. Ze hebben het verkeerd begrepen. Er is weinig leuks aan. Voornamelijk veel engs. En gênants. Wat ik schrijf, rammelt. Wat ik voordraag, hapert. De enige manier om daar wat aan te doen, is te blijven schrijven. Te blijven voorlezen. Dat is niet leuk. 

Ik denk aan de eerste keer seks. En de tweede en derde. Hoe het daarna al snel leuker werd. Misschien wordt dit niet leuker en ga ik er toch mee door.

Over weggaan en blijven

Ze liegt nooit tegen me. Ze verzwijgt dingen, maar dat is eigenlijk altijd uit onzekerheid. Als ze het koud heeft, vraagt ze niet om een trui. Wanneer ik haar aan tafel zeg dat ze door mag eten, zegt ze niet dat ik haar gekwetst heb. Ze buigt haar hoofd een beetje, kijkt strak naar haar bord en eet. Ik probeer zo vaak mogelijk te zeggen dat ik niet boos op haar ben. Dat ik blij met haar ben. Meestal gelooft ze me en veegt ze met haar ringvinger haar haren uit mijn gezicht.

’s Middags vertelde ik mijn leidinggevende dat ik per 1 januari stop met werken. En ik vertelde het mijn collega’s. De bewoners vertelde ik nog niets. Je vijf maanden zorgen maken over iets is lang.

Mijn baan opzeggen was een lastige beslissing. Ik hou van mijn werk. Ik hou van mijn werk en de band die ik met bewoners heb is echt. Het voelt oneerlijk om te vertrekken. Als ik gestopt ben met mijn werk, heb ik meer tijd om te lezen en schrijven. Ik weet niet wat me dat op zal leveren of hoe ik in mijn levensonderhoud ga voorzien. In december zal ik ander werk moeten zoeken, iets dat minder van me vraagt en minder verdient, denk ik. De uitkomst zal sowieso zijn dat ik weet wat er gebeurt als ik stop met werken om meer te kunnen lezen en schrijven. Dat is waardevolle informatie.

’s Avonds speelden we een spel met opdrachten. Klap je handen achter je hoofd. Hoeveel honden staan er op dit plaatje? Maak het geluid van een kip. Het was gezellig en het was al een paar weken geleden dat ik er ’s avonds was.
‘Wat doen jullie dit goed,’ zei ik, want iedereen deed het werkelijk goed.
‘Voor jou,’ zei ze. ‘We doen ons best, want je bent er.’ 

We dronken koffie. Ik las voor uit Het kleinste zaadje en we hadden het over de enorme zonnebloemen die in tuin staan. Volgens mij zijn ze haast vier meter hoog.
‘Ik ben niet naar Bea geweest,’ zei ze ineens. 
Er zijn bewoners die je moet helpen herinneren aan afspraken, maar het bezoek aan Bea regelt zichzelf altijd. Ze gaat elke vrijdagavond bij Bea op de koffie en heeft volgens mij nog nooit een afspraak overgeslagen. Soms neemt ze een tekening voor Bea mee. 
‘Sorry, zei ik, ‘ik heb er ook helemaal niet aan gedacht. En nu is het te laat om te gaan.’
Ze lachte en nam een slok van haar koffie. ‘Ik dacht, ik zeg maar niets.’
‘Wilde je niet naar Bea?’ vroeg ik. ‘Dat had je gewoon kunnen zeggen, dan hadden we afgebeld. Nu zit ze op je te wachten.’
Het bleef even stil.
‘Ik dacht, ik zeg maar niets. Straks moest ik toch heen. En ik wil gewoon bij jou zijn.’