Uren in de nacht

De dagen zijn lang. Wakker worden, omdraaien, omdraaien, omdraaien, deken van je afslaan, opstaan, uitkleden, douche aanzetten, inzepen, afspoelen, afdrogen, tanden poetsen, kleding uitzoeken, aankleden, haren kammen, make-up opsmeren. Voor je van huis vertrekt bedenk je hoeveel dingen er nog op de lijst staan. Reizen, werken, eten. Iemand bellen. Elke taak is onder te verdelen in kleinere taakjes. De kleine taakjes bestaan uit ontelbare handelingen.

Wanneer je moet slapen, blijf je wakker. Soms tot het licht is. ’s Ochtends weet je nauwelijks meer wat je gedaan hebt. Je telt op je vingers de uren terug en ontdekt dat je een volle werkdag op de bank gezeten hebt. De minuten leken seconden en waren nergens mee gevuld.

De tijd vliegt als je het naar je zin hebt, zegt iedereen. Ik geloof dat de mens nog veel inzichten te verwerven heeft met betrekking tot tijd, maar we zullen niet ontdekken dat tijd werkelijk kan vliegen. Met het naar de zin hebben, viel het ook wel mee.

Wakker geworden

Mijn schenen doen pijn.

Ergens in mijn hersenen bevindt zich een knop waarmee de snelheid van mijn functioneren geregeld wordt. De knop zit haast dichtgedraaid. Ik wil aan mijn schenen voelen om te zien of ik een wond heb, ik vermoed een schaafwond, maar eerst moet ik de knop zien te vinden. Het lijkt alsof mijn hoofd gevuld is met Napoleonballen.

Mijn slaapkamer bevindt zich aan de straatkant van het huis. Er rijden auto’s. Er spelen kinderen. Uit hun geluiden kan niet opmaken of ze plezier hebben of ruzie.

Ik lig onder een wit dekbed zonder overtrek. Het overtrek ligt aan het voeteneinde van mijn bed. Een bergje panterprint. Ik herinner me niet dat ik het overtrek van het dekbed af heb gehaald.

Naast mijn kussen ligt mijn telefoon. De accu is leeg.

Ik heb hem gebeld, weet ik nog. Ik kwam thuis en heb hem gebeld. Het gesprek ben ik kwijt. De herinneringen zijn op. Laat het een redelijk gesprek geweest zijn. Laat me gezegd hebben hoe lief ik hem vind.

De suis in mijn oren is niet constant. Het geluid lijkt steeds iets aan te zwellen, het gaat gelijk op met het bonzen in mijn hoofd.

Ik vond het zo lief

‘Het is zo lief,’ zei ik altijd, ‘het is lief dat hij altijd met me belt als ik ’s avonds laat vrij ben. Wanneer de trein de stad binnenrijdt is het al na elf uur. Daarna moet ik nog zeker twintig minuten fietsen. Het is donker, hoor, in de straten. De lantaarnpalen branden, maar er zijn weinig mensen op straat en laatst reed er een hele tijd iemand achter me. Er had van alles kunnen gebeuren. Vorige maand las ik dat er iemand overvallen was bij de Albert Heijn en sindsdien rijd ik een stukje om als ik door het donker naar huis moet. Ik wil er niet meer langs. Maar hij belt met me, we hebben het nergens over, maar hij belt met me totdat ik thuis ben, totdat ik binnen ben, totdat ik de deur dicht heb gedaan en totdat ik de sleutel heb omgedraaid. Totdat ik veilig ben.’

Veiligheid zit niet in een telefoon tegen je hoofd houden, leerde ik vorig jaar. Veiligheid zit in met beide handen het stuur voelen en de wind tegen beide oren horen suizen. Veiligheid zit in zien wat er om je heen gebeurt. Twee verliefde meisjes op een bankje, een duif die een grappige landing op een lantaarnpaal maakt. Veiligheid zit in opmerken dat de Blokker weer dagkaarten voor de trein verkoopt en dat iemand die je vaag kent van vroeger verderop een steeg inwandelt. Veiligheid zit in Gold van Spandau Ballet opvangen in het voorbijgaan van een kroeg.