Echt

Iemand vond me echt. Ik was het ermee eens. Ik vertel liever hoe het werkelijk zit, dan dat ik onterecht een rooskleurig beeld van mezelf schets. Terwijl we daarover spraken, bedacht ik me dat daar eigenlijk weinig echts aan is. Mensen horen graag gênante verhalen en dat weet ik. Ik wil dat anderen me aardig vinden. En naar me luisteren. Dus vertel ik die verhalen.

Ik deelde dit inzicht met mijn gesprekspartner. Ik ben veel minder echt dan ik lijk.
Hij vind het waarschijnlijk heel echt dat ik dit tegen hem zeg, dacht ik. Die gedachte deelde ik ook met hem.

De kleine dingen

Het hoefde voor hem allemaal niet meer. Hij had zijn redenen, maar een levenseinde leek me toch een voorbarige beslissing. Bovendien moest hij nog in bad.
‘Ik kan je niet missen, hoor,’ zei ik.
Met opbeurende woorden kom je soms een eind, tot aan de badkamer misschien, maar je lost er niet alles mee op.

Ik waste zijn haren en keek naar mijn pols.
‘Ik heb de armband waar je zo’n hekel aan hebt weggedaan,’ zei ik.
‘Mooi,’ zei hij tevreden. ‘Eindelijk. Heb je ook een nieuwe broek?’
Ik knikte. ‘Je kan niet dood op de dag dat ik een nieuwe broek aanheb, hoor.’
Hij was het volledig met me eens. Ik spoelde de shampoo uit zijn haren.

Waarom ik niet stil kan zijn

1.
Een paar maanden geleden bleef ik bij iemand slapen, nadat we naar een feest waren geweest. Er logeerde ook een man die ik nauwelijks kende.

Ik had niet aan zijn gedachten gedacht.

Ik stond met een piep in mijn oren in de woonkamer voor me uit te staren. De man wilde me helpen met het uittrekken van mijn jas. Ik zei dat ik zelf mijn jas wel uit kon trekken. Hij probeerde me gerust te stellen. Ik zei dat ik zelf mijn jas wel uit kon trekken. Hij probeerde mijn jas uit te trekken. Ik zei dat ik verdomme jaren had gedaan over het aangeven van mijn grenzen en dat ik het zou waarderen als er naar me geluisterd werd als ik dit deed. De man zei dat het goed was dat ik dit aangaf, dan zou hij er voortaan rekening mee houden. Ik brieste iets over altijd rekening moeten houden met de grenzen van anderen, maar hij kon niet beloven dat hij dat zou doen.

Ik zat onder de glitter en herinnerde me hoe hij me eerder op mijn billen had geslagen.

2.
Een week geleden reed ik op een fietspad. Een auto die me tegemoetkwam reed breed en de bestuurder stak zijn hand uit het raam, waardoor ik niet verder kon fietsen.
‘Je hebt geen licht op je fiets,’ zei hij.
‘Ja, doei. Waar is je zwaailamp?’ zei ik. Ik wilde vlug doorfietsen. Het was donker en twee mannen in een auto reden me klem op een fietspad. In de stad, maar toch. De auto reed een stukje achteruit, waardoor ik niet weg kon komen.
‘Even serieus,’ zei de man door het geopende raampje. ‘Waarom heb je geen licht?’ Ik zag dat de bijrijder een portofoon aan zijn arm droeg.
‘Mag ik je legitimatie zien?’ vroeg ik, in plaats van alsnog gauw weg te fietsen. De man pakte een kaartje en zwaaide het snel voor mijn gezicht langs.
‘Nee,’ zei ik, ‘langzaam, anders kan ik het niet zien.’ Er stond ‘politie’ op het kaartje. En een fotootje. ‘Mijn fietslampjes zitten nog op mijn andere fiets.’
De kennelijke politieman vond het geen goed excuus. Ik kreeg voor deze keer geen boete, als ik maar lopend door het donker naar huis ging.

3.
‘Weet je waar ik blij mee ben? Met seks. Ik wist toch niet helemaal hoe dat precies zou gaan worden na de EMDR.’
Tot nu toe was de avond vrij luchtig geweest. Een vriend nam een slok van zijn bier. ‘EMDR?’
Ik vertelde over een nare ervaring, meer dan tien jaar geleden. En wat voor verlammende invloed dat had gehad. Al die jaren lang. Op mij, en op mensen die dicht bij me stonden. Ik vertelde over hoe ik er niet over verteld had. Dat was gek, want ik was lange tijd altijd open over al mijn avonturen. Totdat ik iets vervelends meemaakte.

Ik dacht dat het aan mij had gelegen, (allerlei clichés klopten: er was van alles met instemming aan voorafgegaan, anderen hadden gezegd dat deze man niet oké was, ik had wat gedronken), maar ‘niet zo zeuren’ als reactie op ‘nee’ is ondiscutabel verkeerd. De eerste van wie ik dat hoorde, was een psycholoog.

Over loyaliteit

1.
Vriendinnen die daten zijn goud waard. Ze doen meer dan de gesettelde vriendin beroep op een luisterend oor, dus het is handig als je flexibel bent, maar je krijgt goede verhalen te horen. Een luisterend oor hebben is goud waard.

Verhalen uit de datingcategorie zijn meestal luchtig. Soms tamelijk verbijsterend. Een vriendin vertelde me onlangs na vier bier dat haar scharrel haar tijdens de seks in haar gezicht sloeg. Meerdere malen achter elkaar. Niet zachtjes. Niet liefdevol. Hard. Met de vlakke hand op de wangen. Pets! Pets! Pets! Hij dacht dat ze het fijn zou vinden.

2.
Ik ontdek dat ik steeds mildere dingen over een man vertel, naarmate ik hem langer ken. In de ogen van anderen is milder saaier, vermoed ik.

3.
Ik was gisteren voor het eerst in iemands huis. Ze liet me vijf minuten alleen, omdat ze haar kat naar binnen haalde. Ik kon ongegeneerd haar boekenkast bestuderen. Daarna kreeg ik thee in een schommelstoel. Ik had binnen een kwartier mijn schoenen uit en zat met mijn voeten op haar stoel. We praatten. Ze zei ‘wat een fuckboy’ over iemand die niet meer in mijn leven is. Of dat terecht is, is niet relevant.

Iets doen

Ze noemen me impulsief. Daar zit wat in.

Hoewel ik me heb verzoend met de manier waarop ik functioneer, heb ik me voorgenomen om het nemen van een belangrijke beslissing nu eens anders aan te pakken. Het ervaren van sterke impulsen is een gegeven, maar ik kan besluiten niet direct te handelen (als ik dit soort dingen zeg, denk ik vaak aan dat ik niet in vrije wil geloof en vervolgens denk ik bijvoorbeeld:
1. alles is zinloos
2. hoe kan het dat ik mijn handelen altijd bespreek alsof ik er controle over heb?
3. waarom heb ik een bonuskaart en heeft AH mijn bankgegevens hier stiekem aan gekoppeld?

Gedachten lopen merkwaardige routes. Ik zou willen dat ik bewust net zo goed kon associëren als onbewust. Wanneer ik iets heel raars denk, probeer ik (associatie voor associatie) terug te wandelen langs de wegen die mijn gedachten gemaakt hebben. Ik kom nooit uit bij de gedachte die ik voor het laatst bewust had.

Wat is het nut van de gedachten die je je niet kan herinneren?) als ik de neiging heb om te handelen. Daarom mag ik over een jaar vanaf nu iets ingrijpends doen, dat ik het liefst vandaag al zou doen. Als je dingen uitstelt, worden ze enger. De takelhelling aan het begin van een achtbaan. Vroeger schreef ik alle mogelijke verlopen van een telefoongesprek op, voordat ik een instantie belde.

Ik twijfel nu. Drie anderen weten van mijn plan. Twee daarvan zeggen dat het een goed plan is. De ander zegt dat het een slecht plan is. Ik hecht aan haar mening. Soms als ze haar mening heeft gegeven, controleert ze of ik het niet vervelend vind dat ze dat heeft gedaan.

Ik twijfel er ook over of ik het plan met anderen had moeten bespreken. Helder nadenken is al lastig zonder directe invloed van buitenaf. Aan de andere kant: als ik na een jaar overwegen in eenzaamheid mijn dierbaren verras met het nemen van een ingrijpende beslissing, zouden ze kunnen denken dat ik gewoon impulsief handel.

Voor wie wil ik eigenlijk doordachte beslissingen nemen?

PS In een schrijfles leerde ik dat ik geen vragen moet stellen in een tekst. Ik weet niet zeker of eindigen met een vraagteken nóg meer strafpunten oplevert, maar voor de zekerheid gebruik ik dit postscriptum om te eindigen met een punt

Als we gefilmd waren

We zitten op de bank. Nee, ik lig en hij zit. Ik heb een been over zijn benen geslagen. Mijn andere been ligt onder hem en slaapt bijna, maar ik wil niet van positie veranderen. We delen een dekentje en kijken Boer zoekt Vrouw. We verbazen ons over een kleine zoen en worden vrolijk van een verliefde boer. We zijn het ontzettend eens met een deelnemer die om een eigen kamer vraagt in het hotel waar ze met ‘haar’ boer verblijft.

Ik eet twaalf paaseieren en hij eet er geen. Hij vindt een van de deelnemers een leuke vrouw en dat vind ik stom. We zien hoe een hoopvolle deelnemer van haar boer te horen krijgt dat het niets wordt. Ze huilt en ik ben toch blij voor haar. We hebben overal een mening over. Ik haal mijn tintelende been onder hem weg.

‘Wat nou als wij gefilmd waren,’ zeg ik.
Hij begrijpt meteen wat ik bedoel. ‘Ja. Toen bij de bushalte, bijvoorbeeld.’
‘Hoe heel Nederland gezien zou hebben hoe ik daar stond, met mijn armen over elkaar. En dat we allebei zeiden dat het leuk was.’
Ik denk terug aan hoe we daar tegen elkaar deden. En ik denk terug aan alle andere momenten die vermakelijke televisie op hadden geleverd. Die keren dat ik een beetje lelijk deed, omdat ik het moeilijk vond te wennen aan de manier waarop hij dingen aanpakte. Niet omdat hij alles verkeerd doet, maar doordat ik de tijd nodig heb om aan dingen te wennen. Ik denk terug aan hoe we alles steeds uitgepraat hebben met elkaar. Dat was soms ongemakkelijk. Het had vast prachtige televisie opgeleverd. Ik denk aan die keren dat hij iets zei en ik iets anders begreep.

Ik denk aan dit moment, hoe we hier nu samen zitten, hoe het nu voelt en hoe dit allemaal nooit gebeurd zou zijn als er op cruciale momenten camera’s aanwezig waren geweest.

Zekerheid

Ik zei dat ik me goed voelde, maar niet zeker wist hoe het met me ging (ik had me immers al vaker vergist de afgelopen weken (zoals op die dag dat de zon scheen en ik dacht dat ik volmaakt gelukkig was toen ik wat violen in een plastic bloempot pootte)), en terwijl ik dat uitsprak realiseerde ik me dat de terugkeer van twijfel altijd betekent dat ik me werkelijk weer bij elkaar heb geraapt, wat ik een beangstigende zekerheid vond.

Lelijke geschiedenis

Vannacht bestelde ik een krant uit 1942. Er staat bewijs in voor een familiegeschiedenis, waarvan ik niet meer weet dan dat niemand het iets vond om over op te scheppen.

Ooit begon ik met het uitzoeken van deze geschiedenis, maar het bleef erbij. Ik ben rommelig van geest en er waren meer belangrijke zaken. Het is vast geen groots verhaal. Ik vermoed dat het gaat over lafheid en meeloperij. Over angst. Dat vind ik genoeg reden om me er uiteindelijk weer in te verdiepen.

Het gaat om het verhaal, niet om de erfenis, dacht ik steeds. Wat mijn overgrootouders deden, zegt niets over wat ik doe. Ik voel me niet schuldig. Ik voel me verantwoordelijk voor de kennis die ik heb, en wat ik met die kennis doe. Niemand anders dan ik zal dit verhaal willen leren kennen. Als ik sterf, is het weg.

Iemand met familieverhalen aan de andere kant van dezelfde geschiedenis, zei dat ik me niet verantwoordelijk ben voor mijn eigen familiegeschiedenis. Het raakte me. Ik voelde het een beetje in mijn keel en schrok daarvan.

Iets geleerd

Ze laat haar handen zakken en kijkt me met open mond aan. We zijn samen aan het werk en praten ondertussen over van alles. De vraag die ik nu stel is reden om even te stoppen met haar werkzaamheden. Ze zwijgt. Hoe moet ze weten of dit een onzinnige vraag was, of dat ze me niet goed begrepen heeft?
‘Of kan dat niet?’ vraag ik haar.
Ze begrijpt meteen dat het een van mijn onzinnige vragen was. ‘Nee, natuurlijk kan dat niet.’
‘Waarom niet?’
‘In 1959 was ik niet geboren, dus dan kon ik toen niet jarig geweest zijn. Je bent wel een beetje dom, soms.’

Ze heeft verstand van data en jaartallen. Meer dan ik. Als je vraagt op welke weekdag 12 september 2022 valt, weet ze binnen een paar seconden te vertellen dat dat op een maandag is.
Verder is praten over data en jaartallen lastig. Net als praten over andere dingen. Ze kent veel woorden, maar weet niet altijd wat ze betekenen. Bovendien spelen er allerlei ingewikkelde zaken mee, als je met elkaar praat. De bedoelingen van de ander, bijvoorbeeld. Of het goed willen doen.

‘Hoe ging het ook alweer?’ vraag ik, terwijl ik doorga met handdoeken vouwen, ‘als 1 april dit jaar op een zaterdag valt, is het volgend jaar op een zondag?’
Ze lacht. Dit is een gemakkelijke vraag. ‘Ja,’ zegt ze, ‘Elk jaar schuift het een dag op. Behalve na een schrikkeljaar, dan schuift het 2 dagen op.’
‘Heb je zo’n trucje ook voor maanden?’ vraag ik.
‘Ik begrijp niet wat je zegt,’ zegt ze.
‘Als 1 april op een zaterdag valt, hoe weet je dan op welke dag 1 mei valt?’
Dat snapt ze. ‘Dan valt 1 mei op een maandag. April heeft 30 dagen. Na een maand met 30 dagen, schuift het 2 dagen op.’
Ik ben onder de indruk. Het lijkt ineens zo simpel, dat ik niet weet waarom ik dit zelf nooit heb bedacht. ‘Dus als een maand 31 dagen heeft, schuiven de weekdagen van de maand daarop 3 dagen op?’ vraag ik haar.
‘Ja. En februari heeft 28 dagen en daarom lijken februari en maart op elkaar.’
Natuurlijk. Na 28 dagen zijn er precies 4 weken voorbij. De eerste dag van maart valt daardoor op dezelfde dag als de eerste dag van februari.
‘Wauw,’ zeg ik.
‘Maar niet in een schrikkeljaar,’ zegt ze ter verduidelijking. ‘November heeft ook dezelfde dagen als februari en maart. November lijkt op februari en maart, maar niet in een schrikkeljaar. En mei lijkt op januari van het volgende jaar. Januari lijkt op oktober. Maar niet in een schrikkeljaar. September en december lijken ook op elkaar. Juni lijkt op niets.’
Ze pakt een handdoek van de stapel en gaat weer aan het werk.
Ik stop met vouwen.

Geïnteresseerd geraakt? Hier vind je meer informatie over het berekenen van weekdagen.

Of het mocht

Je had het al eerder willen vragen. Toen je je tassen naast zijn bank zette. Toen je voor zijn staande spiegel je haren in een knot deed. Toen het gespreksonderwerp zich er voor leende. Je deed het niet.

Toen je je spullen (die binnen een etmaal allemaal een andere plek in zijn woonkamer hadden gevonden) inpakte, vond je weer een moment. ‘Vind je het goed dat ik mijn borstel hier laat liggen?’ Je vroeg het achteloos. Hij vond het prima.