Twee dagen maart

Het is nog twee dagen maart, zei iemand me. Er begon me wat te dagen.

De zon scheen de afgelopen tijd. Ik kleedde me aan, deed de gordijnen open, zette  viooltjes in de tuin en was blij dat ik weer gelukkig was.
‘Hoe gaat het?’ vroegen mensen me.
‘Goed,’ zei ik dan, ‘de zon schijnt.’
De mensen zeiden dan dat ze zich nu ook veel beter voelden.

Maar ik begreep de afwas niet. De ongeopende enveloppen. De waslijst aan dingen die ik nog moest doen. De vuilniszak in de gang. De gesprekken die ik voerde. Hoe kon het dat niet alles liep zoals het moest, terwijl de zon scheen?

Het is nog maar maart. In april wordt het beter, dat weet ik en zeg ik tegen iedereen. Toch verwar ik ieder jaar het opgewekte gevoel dat de zon me geeft, met het hebben van draagkracht. En ik klim tegen de wand van de put op. Naar boven, daar zijn de bloemen. Er gaat geen jaar voorbij, zonder dat ik een paar keer weer op de bodem beland, voordat ik werkelijk buiten ben.

Vroeger sprong ik eens van de hoge duikplank. ‘Zou je dat wel doen?’ vroeg mijn moeder. Terwijl zij haar rode schouders nog eens dik insmeerde, landde ik met mijn rug plat op het water. Soms denk je dat iedereen kijkt, als je valt. Soms lijkt de wereld niet te bestaan.

Een man

1.
Er was eens een man die naar me luisterde toen ik wilde praten. Hij zat op de bank en ik vertelde over hoe het allemaal echt niet langer ging. Hij knikte met zijn hoofd, soms schudde hij ermee en als ik hem de gelegenheid gaf, kwam hij met bezwaren. Ik luisterde niet. De man wachtte tot ik uitgesproken was en zag hoe ik vertrok. 

Het duurde dagen voordat ik rustig was en nadacht. De man wilde nog eens met me praten.

2.
Er was eens een man die me verwachtte. Toen ik eenmaal bij hem was, was ik zo moe, dat ik meteen op zijn bank ging liggen. Ik wilde een dekentje en hij stopte me in. Ik dacht eraan hoe ik dat normaal gesproken niet van iemand zou tolereren. Terwijl hij voor ons kookte, viel ik in slaap.

Aan tafel vertelde ik dat het bijzonder is dat ik hem voor me laat zorgen.
‘Wacht even,’ zei de man, ‘ik kook voor je en moet er dankbaar voor zijn dat dat mag?’
‘Ja,’ zei ik. De man schepte zichzelf nog wat noodles op.

3.
Er was eens een man die op zaterdag met me naar Ikea wil.

Mug

In mijn kamer vliegt een steekmug. Neefje, zeggen we in Groningen. Het dier heeft de vervelende gewoonte steeds de ruimte om mijn hoofd op te zoeken. Ik sla haar in een reflex weg en verbaas me over het geweld dat ze kan verdragen. Binnen een halve minuut vliegt ze weer binnen sla-afstand.

Ik zou de mug dood willen maken, om van het gezoem af te zijn. Dat kan ik niet. Ik ben bang dat ze door haar korte levensduur een andere tijdsbeleving heeft dan ik. Dat de korte klap waarmee ik haar leven beëindig, voor haar niet slechts een seconde duurt. Dat de doodsklap een urenlange kwelling is, waarbij haar (nog zonder bloed gevulde) lijf langzaam geplet wordt tussen mijn muur en een oude krant. Dat ze haar vleugels hoort kraken. Haar lijfje voelt scheuren. Dat ze zoemt en spartelt tijdens een moment dat voor mij te kort is om waar te nemen.

Poëzie #7

Treffen

Ik verzin je in de ogen die me kruisen
de schouders die me raken in voorbijgaan
als ik mij gejaagd een weg baan
door overvolle winkels, straten
steeds zou jij het kunnen zijn

Als wij elkaar dan hebben
handen in elkaar, de wangen vastgeplakt
hoe weet ik dat de adem in mijn hals van jou is
hoe weet jij dat ik ben wie jij dacht dat ik was
of wanneer dit is ontstaan

We stonden allebei al aan

Als je droef bent

Als je droef bent, lach. Maak jezelf mooi en als iemand zegt dat dat niet nodig is, omdat jullie niets bijzonders gaan doen, zeg haar dan dat je je mooi maakt omdat je droef bent. Zeg sowieso hoe je je voelt. Lach erbij, maar zeg dat je droef bent, want het benoemen neemt iets van de emotie weg. Leg niet uit waarom je droef bent, hoe het kwam en wanneer en waar, want dat maakt het juist erger.

Draag glitter.

Drink. Begin met Desperados. Zeg dat je desperaat bent. Zeg ‘ja, want ik voel me zuur’, wanneer de barman vraagt of je er limoen in wil. Drink bier en het mixdrankje dat je in je handen gedrukt krijgt en liever niet had willen hebben, maar drink vooral veel bier. Luister naar muziek. Sluit soms je ogen en vergeet dat er andere mensen zijn. Open je ogen, dans met een vriendin en vergeet dat er andere mensen zijn dan jullie twee. Stel je aan. Wees luid. Maak obscene gebaren, doe dingen waar je je al tien jaar lang te oud voor voelt en vergeet dat er ook mensen aanwezig zijn die je kent.

Heb leuke gesprekken. Maak iemand boos. Probeer het goed te maken.

Koop chips bij een avondwinkel. Stop de chips in je tas.

Stel je voor aan een uitsmijter, vraag hem hoe je zijn naam spelt en ontvang een tegoedbon voor een gratis cocktail. Haal de cocktail. Drink de cocktail. Eet stiekem van de chips in je tas. Stap een haast lege dansvloer op. Dans wild. Bewonder de outfits van dansende mensen die veel jonger zijn dan jij. Wil ook een Kill Bill-pakje.

Val.

Ga naar een plek waar je vroeger vaak kwam. Maak je neus blauw met het krijt dat bij de pooltafel ligt. Luister wanneer je gezegd wordt dat je geen andere lichaamsdelen moet krijten, omdat iedereen je kan zien. Luister wanneer je gezegd wordt dat je het krijt niet mee naar huis mag nemen.

Volg degene die weet waar jullie heen moeten gaan. Dans hard. Dans hard met iemand die je niet kent. Dans alsof jullie het ingestudeerd hebben, maar maak soms een onhandige misstap. Lach. Vertrek zonder iets te zeggen.

Wil naar huis. Zoek je fiets. Verbaas je over de plek waar je je fiets vindt. Zeg dat je best naar huis kan fietsen. Zeg dat je echt naar huis kan fietsen. Zeg dat je zelf naar huis fietst. Zeg dat je een volwassen vrouw bent. Zeg dat het lief is, maar dat je niet komt logeren. Zeg dat je je wel redt. Zeg dat je echt naar huis kan fietsen. Zeg dat je de zorgen waardeert, maar dat je nu naar huis gaat fietsen. Zeg dat je belt als je thuis bent.

Fiets naar huis. Ga in bed liggen. Bel om te zeggen dat je veilig aangekomen bent.

Huil een beetje.

Bed

Ik lig in bed, het weer is mooi. Het is niet de eerste mooie dag van het jaar, maar de komende dagen wordt het kouder en als ik in bed blijf liggen op een mooie dag, is de eerstvolgende mooie dag gegarandeerd een werkdag, zodat ik me dan weer slecht voel over het missen van deze mooie dag.

In mijn tuin staan trays met bloemen. Gisteren heb ik slakken gevangen en uitgezet bij de sloot een heel eind verderop. Het wordt een mooi jaar, dacht ik. Als ik nu al begin de slakken te vangen, zullen er deze zomer bloemen in mijn tuin staan. Dood maak ik de slakken niet. Ik dood geen dieren. Ik zeg dat ik dat niet doe vanwege mijn liefde voor dieren, maar waarschijnlijk heb ik geen zin in schuldgevoelens. Ik geloof niet dat ik kan genieten van bloemen, wanneer ik me schuldig voel.

Ik herinner me zomers die ik volledig in bed heb doorgebracht. Dat klopt niet, want ik had werk en ongetwijfeld leuke dingen te doen, maar als ik denk aan de tijd dat ik samenwoonde, is het sterkste beeld dat bij me opkomt is hoe de scherpe zon door kleine gaatjes in het weefsel van de dikke, rode gordijnen scheen. Op loeihete juli-middagen leek het een sterrenhemel.

De beste remedie tegen uit bed komen, is uit bed komen. Als ik de wind op mijn benen voel, weet ik dat ik een goede beslissing genomen heb. Er is altijd een reden om toch te blijven liggen. Een aanleiding of een verzachtende omstandigheid die de keuze om niet op te staan de juiste laat lijken. Als ik niet opsta en het blijft de komende dagen droog, zullen de bloemen in de tray verdorren. Over een dag of vier zal ik naar buiten lopen, de bloemen zien, er nog een paar kunnen redden en me schuldig voelen over het nabije leven dat door mijn nalatigheid tergend langzaam eindigde.

Piepjes

Ik hou ervan hoe caissières na het scannen van een Italiaanse bol, een bakje hummus, een avocado, instantsoep, een zak zoute pinda’s, een appel en een pak maandverband het woord ‘dan’ gebruiken wanneer ze ‘dat is dan 8 euro en 34 cent’ zeggen. Alsof de prijs een conclusie is waar ze tijdens het scannen van de barcodes (7 piepjes lang) in gedachten naartoe geredeneerd hebben.

Antwoord

We staan voor de spiegel en ik heb net haar grijze haren gekamd. Meestal doet ze het zelf, soms doe ik het. Omdat haar haren alle kanten opstaan en ik ze met een beetje water in bedwang krijg. Of vanwege de aandacht die ik haar kan geven.

Met mijn vlakke hand bescherm ik haar ogen tegen de haarlak die ik spuit.
‘Dat doet de kapper ook,’ zegt ze.
‘Ja,’ zeg ik. ‘Je ziet er mooi uit.’

Ze bekijkt zichzelf in de spiegel en is tevreden. Ik sta nog met de bus haarlak in mijn hand. Ze kijkt naar de haarlak en ziet iets op mijn arm.
‘Wat is dat?’ vraagt ze.
Ik heb altijd een hekel gehad aan deze vraag. Het duurde lang voordat ik doorkreeg dat mensen niet werkelijk wilden weten wat ‘dat’ is. De eigenlijke vraag was: hoe komt dat? Of misschien wilden ze alleen zeggen: ik heb het gezien. Dit is de eerste keer dat de vraagsteller het antwoord op de vraag niet weet.
‘Een litteken,’ zeg ik.
‘Oh?’ antwoordt ze. Ze zet haar vinger aan het uiteinde van de streep die haast bij mijn pols zit en volgt de lijn tot aan mijn elleboog.
‘Ik heb er meer,’ vertel ik. De littekens horen bij me en ze is geïnteresseerd. Ik laat de andere strepen zien. Ze zijn allemaal aardig goed verborgen wanneer mijn armen naar beneden hangen.
‘Hoe komt dat?’ vraagt ze.
Ik kan vertellen over het gezandstraalde raam van de voordeur en harde wind die bomen boog alsof ze van elastiek waren, maar soms is een antwoord precies wat iemand nodig heeft.
‘Het is van vroeger,’ zeg ik.
‘Oh,’ zegt ze weer. Ze zet haar vinger nu op een haast spiraalvormig litteken. ‘Mooi.’

Wesp

Terwijl ik met de fiets voor het stoplicht stond te wachten, vloog er een wesp in mijn haar. Ik was te verrast om met een gilletje of overdreven bewegingen te reageren, waardoor ik vermoed dat ik eigenlijk niet bang ben voor wespen. Ik hoop dat ik dat de rest van het jaar kan onthouden.

Met een zachte handbeweging veegde ik het dier de open lucht weer in. Ik was blij met de wesp, omdat het de eerste was die ik dit jaar zag. Een aankondiging van wat nog komt.

Sport

We stonden in de regen tot mijn voeten zo koud en gerimpeld waren dat het thuis nog een paar uur duurde voordat ik geloofde dat ze uiteindelijk weer normaal zouden functioneren.

We waren het veelvuldig met elkaar eens. Het was mooi. En het was mooi geweest.

Het ging goed met ons. Dat stelde me gerust.

‘Ik hoef geen voetbal meer te kijken,’ zei ik. Alsof het me ooit verplicht was.
‘Nee,’ zei hij.
‘Maar er is een nieuwe sport in mijn leven.’
Hij vroeg welke.
Ik zei dat hij moest raden. Ik haat het als anderen dat bij mij doen. ‘Het is iets Amerikaans, dus je moet er lang voor opblijven.’
‘American football,’ zei hij. ‘Dat is best tof.’
‘Fout.’
Als het geen American football was, wist hij het niet.
‘MMA.’
Hij lachte. Ik vroeg waarom.
‘MMA,’ zei hij.
Al het over sport gaat, praat ik alleen anderen na. Ik zei dat MMA ontzettend in opkomst is en hier ook groot zal worden.
‘Ja,’ zei hij. ‘Dat geloof ik wel.’