Geen homodag

Het is vandaag twintig februari en het is geen homodag. De lucht is grijs en de wegen zijn nat, iedereen laat het wel uit z’n wintergedeprimeerde hoofd om de zebrapaden in regenboogkleuren over te schilderen, maar ik maak me druk.

Ik las net iets waar ik het niet eens over wil hebben, omdat het nergens over ging en ik niet vind dat ik een aanleiding moet aandragen om me druk te mogen maken, maar ik maak me druk.

Ik maak me druk. Ik maak me druk, want we praten nog steeds over tolerantie en we praten over acceptatie en we praten en we praten en intussen kijken we nog steeds om als twee mensen van hetzelfde geslacht hand in hand over straat lopen. Ik ook. Als ik twee mensen van hetzelfde geslacht hand in hand over straat zie lopen kijk ik om, altijd onbedoeld, maar ik doe het wel en denk ‘zag mijn moeder dit nu maar’ en dat is vreselijk, want die twee mensen zien niet wat ik denk, ze zien dat ik kijk. En ik kijk.

Ik maak me druk, want ik kan met mijn moeder nog steeds geen goed gesprek voeren over hoe het voor haar is om op vrouwen te vallen. Mijn moeder maakte mij met mijn vader, ze waren getrouwd en ik weet zeker dat de meest stabiele mensen gekweekt worden in gezinnen waarin iedereen zichzelf kan zijn, dus ik snap niet waarom er nog mensen zijn die denken dat twee mannen samen geen kind op kunnen voeden.

Ik maak me druk, want (en dit verhaal heb ik al veel vaker verteld) ik was eens met mijn moeder en haar vriendin naar de Gay Parade en ik vond alles eerst zo mooi, het weer en de boten en de blije mensen en mijn moeder en wij samen een dagje weg. Toen ik naar een boot vol jonge mensen keek besefte ik dat mijn moeder iets zag dat ze nooit had kunnen meemaken: op jonge leeftijd jezelf leren zijn, je niet schamen voor wie je bent, je seksualiteit ontdekken als je lichaam nog vers is. Daar werd ik zo intens verdrietig van, dat ik het nut van die hele parade ineens veel beter begreep.

Ik maak me druk en ik kan allerlei verhalen vertellen, over die paar keer in mijn puberteit dat ik op een meisje viel en hoe dat later nooit weer gebeurde en ik daardoor niet weet hoe ik mezelf moet definiëren, of over hoe mensen zaken ‘gay’ noemen die niets met homoseksualiteit te maken hebben, of over dat ik schrok toen ik uit huis ging en voor het eerst een homoseksuele man ontmoette, want ik vond mezelf best ruimdenkend, maar in de plaats waar ik opgroeide bestond homoseksualiteit niet echt, of over al die keren dat ik zelf een belachelijke opmerking heb gemaakt en later leerde dat dat een belachelijke opmerking was, of over alle mensen die niet vertellen over wie ze werkelijk zijn, over alles waar niemand aan denkt op dagen dat we niet stilstaan bij homoseksualiteit en wat dat betekent in deze maatschappij, ik kan allerlei verhalen vertellen, maar ik doe het niet, ik heb er geen zin in, ik wil gewoon dat sommige dingen anders zijn en ik maak me vandaag gewoon druk.

Februari

Voordat ik begin met het stellen van vragen over werk of de liefde, begin ik met het hoeslaken met inktvlekken waar ik nu op lig. Het laken volstaat. De rode kleur staat me aan. Toch denk ik dat ik alleen genoegen neem met een donkerbevlekt hoeslaken, omdat de winkels ver van huis lijken en mijn afvalemmer snel vol is.

Ik blijf gewoon liggen.

Het is februari. Ik ben eenendertig jaar en weet inmiddels hoe het gaat. In maart zal er ineens een donkere put om me ontstaan, waar ik via een ingebouwde ladder meteen weer uit ontsnap. Ik ken mezelf en de gedachten en de put en de ladder, ik lach erom, kijk daar ontstaat de put al, haha, wat denk ik malle dingen, straks ben ik mezelf weer. En toch raak ik er intussen zat van mezelf niet serieus te kunnen nemen, en vraag ik me tot het zien van de ladder altijd af of je vanuit de schaduw niet gewoon het beste zicht hebt.

Ik

1.
Het is fijn om op een nieuwe school of werkplek te beginnen. Op een plek waar niemand je kent, kan je jezelf opnieuw vormgeven. Vandaag liep ik over bevroren paden richting de receptie van een vakantiepark om een pasje voor de wasserette te halen. Mijn hakken waren veel te hoog, mijn jurkje was ordinair kort. Op een plek waar je niet weer komt, heb je nog meer vrijheid om jezelf vorm te geven.

2.
Vorige maand presenteerde ik een open podium. Ik stelde me voor als Jirke. Zo hebben mijn ouders me niet genoemd. Wanneer ik mijn zelfverzonnen naam noemde, sprak ik automatisch zachter. Dat had ik niet verwacht.

3.
Laatst zat ik met een groep mensen aan tafel. Ik kende bijna iedereen, maar niet iedereen kende elkaar. Er waren mensen die me kenden als iemand die grapjes maakt. Er waren mensen die me op mijn slechtst gezien hebben. Er waren mensen die weten hoe ik eruitzie in mijn nakie. Ik was me bewust van de versies waarin ik verschijn en een ogenblik lang voelden ze allemaal even onecht.

Vakantie

Mijn wangen zitten onder de rode bulten. Ze verschenen ’s avonds na de tweede ronde in de sauna. Ik voelde me fris, schoon, leeggezweet en zag eruit alsof ik iets afschrikwekkends opgelopen had. Het komt door de chips, geloof ik. De hele maand januari heb ik geen chips gegeten. Ik zag er uitstekend uit. In het vakantiehuisje heb ik dagelijks chips gehad.

Ik wilde lezen, schrijven en dingen bezoeken, maar ben tot weinig gekomen. Ik wilde tijd voor bezinning. Soms heb je slechts een aantal seconden nodig om tot de conclusie te komen dat je je op een geasfalteerd pad bevindt.

Daniël Vis op Speyksessie 7

Van de Youtubefilmpjes die ik zag toen ik poëzie vorig jaar pas net ontdekte, is dit fragment van Daniël Vis me het meest bijgebleven.

Ik ben óók een veganist met puistjes op de aanzet van haar borsten, dacht ik verheugd en geschrokken. En toen: ‘ook’ denken is onzin, want dit meisje hoeft niet te bestaan. Of veganist te zijn. Of puistjes te hebben. Vervolgens: wat maakt het uit en wat een stem heeft deze man.

Rafels

1.
Mijn favoriete beenwarmers zijn grijs. Misschien heeft mijn eerste vriendje ze nog gezien. De rek is eruit, waardoor ze oncharmant naar beneden zakken. Ik neem me regelmatig voor een elastiek te maken waarmee ik ze hoog kan houden. Dat doe ik nooit en ik draag ze toch. Dat komt door de mooie rafels. Een van de beenwarmers rafelt aan de onderkant. De slierten verschillen in lengte, enkele zijn minstens vijftien centimeter lang. Alsof ze bij een Portugees oorlogsschip horen.

Wanneer ik de beenwarmers buitenshuis draag, stop ik de rafels bij mijn schoen in. Niemand hoeft ze te zien, ze zouden kunnen denken dat de slierten te maken hebben met een gebrek aan persoonlijke verzorging.

2.
Na het bekijken van een aantal schilderijen, kreeg een beetje door welke ze kon waarderen. ‘Deze, bijvoorbeeld?’ Ik wees naar een schilderij dat niet af was. In donkere lijnen was een deel van een plant getekend. Stukken van de plant waren minutieus ingekleurd. Groene stelen, piepkleine roze bloemblaadjes. De grove lijnen leken zomaar ergens te beginnen of te eindigen. De plant liep over in het papier.

Om het schilderij zat een lijst: hierbinnen zit de kunst, daarbuiten is niets.

3.
Wanneer is een vriendschap een vriendschap? Wanneer is een relatie een relatie?

Het moment waarop je naar elkaar uitspreekt dat je samen verder wil, is slechts een moment. De onzekerheden naar dat moment toe, zijn echt. Het getuur op je telefoon. Het inhouden van je buik. Net als de stapelende gebeurtenissen die leiden naar het moment dat een van beiden besluit (of als je geluk hebt: dat je samen besluit) dat het zo niet meer gaat.

‘Het is uit’ zijn maar woorden. Het ogenblik waarop die woorden uitgesproken worden, markeren niet het punt waarop het afgelopen is. Na de woorden zijn er tranen, gedachten, angsten en onverwachte ontmoetingen die beiden oncomfortabel laten glimlachen.

Uit bad

Het schuim staat zo hoog dat het knettert in mijn oren. Het is onmogelijk om een boek te lezen, de woorden zouden verzwolgen worden door witte bellen. Het lijkt alsof het bad gevuld is met koud water, in werkelijkheid is het bad nog maar voor de helft vol. Dat kan ik door de schuimlaag niet zien.

Wanneer begint het moment dat je uit het bad wil?

Ik kijk door het grijsgeworden water naar fletse tatoeages en moet plassen. Ik plas niet in bad, daar ben ik te oud voor, hoewel ik zou kunnen vinden dat ik oud genoeg ben om zelf uit te maken of ik in bad wil plassen. Na het badderen douche ik me altijd, dat moest vroeger en dat ben ik blijven doen. Badwater is vies, zei mijn moeder. De kleur van het water is het bewijs van deze bewering. Ik kan geen argument bedenken om niet in vies water te plassen.

Voordat ik besluit op te staan, probeer ik zo lang mogelijk vast te houden aan het plezier dat ik eerder nog had. Rondom mijn voeten zit wat schuim.

Ik buig voorover om de stop los te maken. Als ik me weer achterover laat zakken, merk ik hoe warm het water nog is. Langzaam voel ik de waterlijn langs mijn lichaam trekken, over mijn schouders, mijn borsten, mijn buik, heupen, knieën en onder mijn rug langs.

Ik wilde dat ik de stop had laten zitten.

Het huis zal koud voelen. Ik zal met mijn rimpelige voeten in de plassen op de tegels stappen. Ik zal me afdrogen en met de vochtige handdoek de tegels drogen. Ik zal alles schoon achterlaten. Ik zal mezelf zien in de spiegel, wanneer ik mijn haren kam. Buiten het bad is de werkelijkheid niet te dempen door met je oren net onder water te liggen.

Gepast

Er zijn beslissingen die je binnen drie seconden moet maken. Langer nadenken en van je ene been op het andere wiebelen is ook een beslissing, maar de verkeerde. Weglopen alsof ik niets gemerkt had, was een uitstekende keuze geweest. Ik besloot het te vertellen, want je weet maar nooit. Ik sprak een medewerkster in een grote, witte trui aan. Ze had verwassen paars haar, een ontblote schouder en ik had haar eerder naar een collega zien lachen.

‘Het probleem is dat het bonnetje er nog aan vast zit,’ zei ik. Ik bloosde en ze zag het. ‘Zo heb ik hem vanmorgen uit mijn kast gehaald. ‘Onhandig greep ik naar het prijskaartje dat achter in mijn rok zat en probeerde het onder mijn jas vandaan te halen. ‘Kijk.’
‘Ik begrijp niet wat je bedoelt,’ zei ze. Ze begreep me uitstekend. Aan de manier waarop ze naar me glimlachte, zag ik dat ze dacht dat me iets mankeerde. Ze zocht de blik van een collega. Al vlug stond er op zestig centimeter rechtsachter me een zwaar opgemaakte dame met haar haren in een hoge staart.

‘Ik kwam het pashokje uit en voelde iets in mijn rug prikken. Het prijskaartje. Ik heb deze rok hier eerder gekocht en ben vergeten het kaartje eraf te halen.’
De medewerkster fronste en kreeg een kleur, net als ik. ‘Wat ik hier mee moet, dat weet ik niet,’ zei ze.
Toen pas zag ik dat ze nog maar een jaar of zestien kon zijn. Zij was een meisje van zestien, ik was een dubbel zo oude vrouw met vet haar en een merkwaardig verhaal.

‘Ik weet het ook niet,’ zei ik. Ik wil de rok best hier laten, maar dan moet ik in mijn panty naar huis.’
‘Het is raar,’ zei het meisje. ‘Ik weet niet wat ik ervan moet vinden.’
‘Snap ik.’
‘Je had het kaartje er thuis af moeten halen.’ Het meisje keek meer naar haar collega dan naar mij. Er ontstonden vlekken in haar nek.
‘Ik ben bekend met de gebruiken.’
‘Wat ik hier mee moet, dat weet ik niet. Je had het ook beter meteen bij binnenkomst kunnen vertellen.’
‘Ik voel het prijskaartje pas prikken sinds ik uit het pashokje kom.’
Om te bewijzen dat ik werkelijk geen dievegge was, hield ik de hangers met kleding in mijn rechterhand omhoog. ‘Deze ga ik zo afrekenen.’
Ik vroeg me steeds sterker af waarom ik niet meteen naar de kassa gelopen was, de nieuwe kleding afgerekend had en naar huis was gegaan.
‘Nou, ja, toe maar dan, voor deze keer.’ Er klonk onmacht in haar stem. ‘Wat ik hier mee moet.’
‘Ik begrijp het,’ zei ik. ‘Je kan hier niets mee. Maar als er een controle is, dan kan ik zeggen dat ik jou gesproken heb.’
Er is nooit controle, dacht ik. Ik ben nog nooit gecontroleerd. En al als ik al gecontroleerd zou worden, zou er niet gezocht worden naar een prijskaartje aan de binnenkant van mijn rok.
‘Het is raar,’ zei ze nog eens.
‘Ik ga afrekenen,’ zei ik. ‘Bedankt.’
Het meisje keek even naar beneden, rechtte toen haar rug en keek me strak aan. ‘De volgende keer haal je de kaartjes er thuis gewoon af.’