Van je afspoelen

Het laatste restje shampoo spoelt uit mijn haar. Ik kantel mijn hoofd naar achteren, zodat het water op mijn voorhoofd valt en zeg ‘ik weet het niet’. Ik praat zo zelden hardop tegen mezelf, dat ik ervan schrik als ik het doe.

Op mijn opleiding leerde ik hoe ik over emoties kan praten met mensen met een verstandelijke beperking. Er zijn slechts een paar emoties. Deze emoties laten zich uitstekend vangen in zwart-witte plaatjes. Een cirkel met daarin twee stippen als ogen en een gekromde streep voor de mond. Blij. Een cirkel met twee stippen, de gekromde streep nu naar beneden gericht en een traan. Droef. Streepjes als wenkbrauwen. Boos.

Het is moeilijk om over emoties te praten als je een laag IQ hebt, of autisme. Maar volgens het boekje leg ik kaarten met zwart-witte afbeeldingen voor iemand op tafel, glimlach, vraag ‘hoe voel je je?’ en ineens is er van alles mogelijk.

De beste gesprekken die ik op mijn werk heb met bewoners, voer ik niet aan tafel. Ik gebruik geen plaatjes. Er wordt niets afgebakend. Niemand hoeft van mij te zeggen of hij bang is of boos. Iedereen is bang. Ik ook. De beste gesprekken die ik voer, zijn kort. Ik zeg: het valt allemaal niet mee, he? De ander zegt: nee.

Ik heb me gewassen, maar blijf staan. Emoties, denk ik, zijn meer zoals het kleurenpalet in Paint. Ik tekende vroeger patronen in Paint en koos graag mooie kleuren uit het palet. De mogelijkheden leken oneindig. Ik kon er zelfs de helderheid van een kleur regelen. Als ik een kleur uitgekozen had, voegde ik deze toe aan ‘aangepaste kleuren’. De kleuren in dit overzichtje kon je later gemakkelijk nog eens gebruiken. Dat deed ik nooit.

Ik pak de zeep nog eens, om niet het idee te krijgen dat ik lummel. Een tweedimensionaal palet lijkt me bij nader inzien toch te beperkt. Ook als je de helderheid zelf kan regelen.

Het water blijft stromen. Als de temperatuur van het water eenmaal goed is, hoef ik niet meer aan de kraan te draaien, hoe lang ik ook blijf staan. Ik kijk naar beneden. In het afvoerputje zitten haren. Niemand stoort zich eraan, toch verwijder ik ze regelmatig.

Hoeveel bewezen dimensies zijn er inmiddels?

Van Facebook

Afgelopen zomer besloot ik dat Facebook genoeg van mijn leven had genomen. Ik probeerde mijn eenzaamheid in een hoek te drijven door het steeds maar verversen van een internetpagina waarop ik berichten zag van mensen die me op straat haastig voorbij liepen.

Anderen voor de gek houden is eenvoudiger dan jezelf foppen, al weet ik niet of dat echt waar is.

Toen ik mijn account verwijderde, kreeg ik ongeruste berichten. Alsof je ophoudt te bestaan, wanneer je online wat slechter te vinden bent. Je kunt niet zonder Facebook, zeiden anderen. Onzin, zei ik.

Ik wist toen niet dat ik ooit iets zou organiseren. En dat ik dat onder de aandacht zou willen brengen.

Twee dagen geleden logde ik weer in. Mijn zogenaamd gewiste account bestond nog.

Ik verwijderde tactisch vrienden, oude berichten en foto’s waarop ik een relatie heb. De stroom berichten op het nieuwsoverzicht stopte ik, door bij iedereen op ‘stop met het zien van berichten, maar blijf bevriend’ te klikken. Ik schreef me uit bij Facebookgroepen. Uren kostte het me.

Facebook hebben is tot daar aan toe, dacht ik. Maar het zal me niet weer gebeuren dat het onredelijk veel tijd van me vraagt.

Thuislucht

Mijn huis ruikt naar vuilnis. Wanneer ik na een werkdag mijn voordeur open, komt met de dikke warme lucht de geur van afval mee naar buiten.

De geur is op zijn sterkst op de drempel tussen de gang en de keuken. Als ik inadem, protesteert mijn lichaam. Mijn maag reageert. Het duurt nooit langer dan een minuut, voordat ik gewend ben aan de toestand en de geur weer kan verdragen. Het duurt nooit langer dan vijf minuten, voordat ik de lucht niet bewust meer ruik.

Ik zou op kunnen ruimen. De zak die in de gang staat ontdoen van het teveel aan inhoud. Dichtknopen. Weggooien. De zak uit de vuilnisemmer in de keuken pakken. Dichtknopen. Weggooien. Een nieuwe afvalzak pakken. De restanten van het aanrecht in de zak werpen. De verpakkingen van de grond. De zakdoekjes van de bank. De proppen in de hoek. Dichtknopen. Weggooien.

Ik zou alle borden, kommen en kopjes in het huis kunnen verzamelen en de restanten met een vieze vork van ze afschrapen. Of, wanneer het al te laat is, ze te weken zetten in een sopje. Ze afwassen. In de kast zetten.

Dit doe ik niet.

Schoonheid is overschat. De waarde van een bloemenparfum ontgaat me. IJle luchtjes doen niets dan maskeren.

De geur in mijn huis omhelst me en zegt me dat alles klopt.

Er is geen man, geen bed, geen bad waar ik me zo in kan wentelen, als in de geur van mijn woning. Ik heb nog nooit een zoen gehad die me zo wist te omvatten als de lucht van vuilnis dat deed.

Als ik me niet goed voel, ruim ik niet op. Ik heb niet opgeruimd. Als je niet opruimt, staat er vuilnis in je huis. In mijn huis staat vuilnis. Als er vuilnis in je huis staat, ruikt je huis naar vuilnis.

Mijn huis ruikt naar vuilnis.

Alles is juist.