Wat goed gaat

Mijn gedachten vervelen me de laatste tijd. Ik denk aan relaties, mijn afgelopen relatie, alleen zijn en wat ik wil in het leven.

Ik denk aan hoe goed alles is. Aan dat wat niet werkt, voorbij is. Aan de mensen die ik ontmoet. Aan de muziek die ik luister. Aan de leuke dingen die ik doe.

Dat klopt natuurlijk niet. Aan zaken die echt goed gaan, hoef je niet te denken. In mijn hoofd geen gedachten over de maandelijkse huurafschrijving of het zuurstofgehalte in de lucht.

Er is iets slechts aan de dingen die goed gaan en ik probeer mijn vinger er op te leggen. Vorige week had ik hoofdpijn en ik bedacht me dat niemand wist dat ik hoofdpijn had. Er waren genoeg mensen. Er was niemand die ik durfde te bellen, alleen maar om te zeggen dat ik hoofdpijn had. De hoofdpijn ging voorbij, net als anders. Ik stond de volgende dag op en ging naar mijn werk. Net als anders.

Ik probeer te begrijpen wat ik mis. Iemand, zeggen ze. Dat kan kloppen, maar ik doe mijn best om dat onbelangrijk te maken.

Ik verlang naar tevreden met mezelf onder een dekentje zitten, een boek lezen, hele zakken zelf leegeten. Des te beter dat lukt, des te zwaarder voelt mijn hoofd.

Soms verlang ik naar een friend with benefits, en het voordeel is dan: hij heeft bij de kringloopwinkel een discman gekocht en mix-cd’s voor me gebrand. Of: ik kriebel in zijn haar als we een serie kijken op de bank. Of: hij helpt me met mijn afwas. Of: ik weet hoe slecht zijn vloer geïsoleerd is en heb op de markt dikke sokken met anti-slipnopjes gehaald.

Of: ik heb iemand om te bellen als ik hoofdpijn heb.

Wintertijd

Ik houd van terugkerende discussies, maar niet van allemaal. Discussies met een groter onderliggend probleem, vind ik vervelend. Herhaaldelijke gesprekken over het vouwen van de was, terwijl het eigenlijk gaat om elkaar alleen nog maar bij de naam kennen. Of de jaarlijkse strijd om Zwarte Piet. De argumenten aan beide kanten zijn duidelijk, de uitkomst onvermijdelijk.

De discussie over de wintertijd is me lief. Die over de zomertijd ook. De artikelen op nieuwswebsites markeren voor mij, haast nog meer dan het ingaan van de wintertijd zelf, het begin van een nieuwe periode. Een periode met sjaals, chocolademelk en een slechte huid. Een periode waarin ik extra goed op moet ruimen, in verband met muizen. Een periode met lampjes en onlogisch verdriet.

Ik ben tegen het afschaffen van de zomertijd. De zomertijd is mijn favoriete tijd. Ik functioneer beter in de zomer, al vraag ik me af of dat samenhangt met de lengte van de dagen. Het verzetten van de klok in het voorjaar, zegt me dat alles beter zal worden in de komende maanden.

Ik geloof niet in een god, maar heb tradities nodig. Twee keer per jaar een ingrijpende verandering in mijn ritme, is een traditie van grote waarde.

Twee keer per jaar gesprekken over het voortbestaan en het nut van de traditie, zorgen ervoor dat het niet slechts het draaien aan wijzers is, het drukken op knoppen, maar dat het echt ergens over gaat.

Repeat

Toen mijn allereerste vriendje en ik voor het eerst uit elkaar gingen, dacht ik dat ik moest bewaken wat we samen hadden gehad. Onze voorbije verkering was zo bijzonder, dat ik zeker wist dat ik alles dat wij ooit samen hadden gedaan, nooit met een ander zou doen.

Er waren veel redenen om op die gedachte terug te komen, maar het mechanisme achter deze achterhaalde overtuiging blijkt een diepgehechte.

Vorige week kwam Run For Your Life voorbij in een playlist. Ik had mijn hand bij de knoppen en ik klikte meteen door naar het volgende nummer, nog voordat ik besefte wat ik hoorde. Het doorklikken voelde als een daad van agressie. Ik sloeg uit reflex een mug dood en mijn wangen gloeiden.

Hij luisterde The Beatles, dus zette ik het op. Ik wilde horen wat hij hoorde en ging het waarderen. Ik ging het waarderen en mijn hersenen hebben zijn naam erop geplakt. Zijn geur. Zijn gebaren, zijn gezicht, de grove textuur van zijn vest en de dingen die hij heeft gezegd. Ik ging het waarderen en kon niet zien hoezeer het aan hem gekoppeld was, doordat we samen waren.

Ontdekken wie je bent, doe je niet door te zoeken op onbekende plekken. Jezelf terugvinden doe je door als de bliksem op je wang te bijten, achterom te kijken en te nemen wat je wil hebben. Als je eenmaal iets afgesloten hebt, is het lastig om te halen wat je toebehoort.

Gisteren wekte mijn radiowekker me met een nummer dat ik herkende. Ik moest opzoeken van wie het was, want het duurt lang voordat ik ’s ochtends in staat ben behoorlijk te denken. Het bleek het enige nummer van Arctic Monkeys te zijn dat ik ken én waardeer.

Oja, dacht ik. Is ook zo.

Daarna schrok ik. Ik heb het de rest van de dag geluisterd.



Crush

Onbereikbare crushes horen bij een bepaalde leeftijdscategorie. Dat dacht ik. Toen ik een tiener was, las ik in de Tina dat het normaal is dat je verliefd wordt op een popidool. Dat is veilig. De volgende verliefdheid is op een onbereikbare jongen uit een hogere klas. Iets minder veilig. Pas wanneer je er echt klaar voor bent, word je verliefd op de onhandige slungel die links van je zit bij wiskunde en aan het einde van de dag vaak een beetje stinkt.

Mijn eerste crush zat in de band Hanson. Ik had eerder al posters van de Backstreet Boys in mijn kamer hangen, maar die hingen er om dezelfde reden dat ik ook eens besloot paard te rijden: ik wilde net zo zijn als de populaire meisjes. Ik wist niet wie van de Backstreet Boys ik de leukste vond. Ik koos voor Kevin. Ik was bang voor zijn mannelijke wenkbrauwen, maar niemand wilde Kevin en dat vond ik sneu.

Toen ik Hanson leerde kennen, wist ik meteen: ik wil Zac. Het langharige jongetje was drummer en de jongste van het MMMBop-trio. Ik behangde mijn kamer met posters, had een tas en een glas met een afbeelding van de bandleden en droomde niet alleen weg bij het debuutalbum, maar ook bij de kerst-cd.

Het meisje uit mijn klas waar ik het meest tegenop keek, vond Hanson maar stom. Niet alternatief. Zac vond ze de minst erge van de broers, omdat hij drumde. Het meisje dat voor me zat bij Nederlands kon Hanson wél waarderen, want ze had gehoord dat de jongens in de Here God geloofden. Ik was het vatbaarst voor de invloed van het alto-meisje. Aan het einde van de eerste klas vond ik dat ik Hanson ontgroeid was en ging op zoek naar alternatieve muziek.

Bibberend stond ik in de Veendammer Free Record Shop. In het schap met alternatieve cd’s had ik een exemplaar van Cradle of Filth gevonden. Ik had de band voorbij zien komen op de T-shirts van stoere jongens en het sprak me enorm aan dat alle bandleden er uitzagen of ze deel uitmaakten van The Addams Family. Ik had een blonde boblijn, een blauwgeruite jas en het idee dat ik een grote underground ontdekking had gedaan. Ik hoefde alleen nog maar de moed te verzamelen om te vragen of ik de cd mocht beluisteren, voordat ik hem kocht. Of ik wel serieus geïnteresseerd was, had de verkoopster gevraagd.

Het duurde niet lang tot ik een kwade puber was. Hanson verdween in de prullenbak, ik kocht een zwart oogpotlood en mijn Nijntje-agenda werd volgeplakt met afbeeldingen van Cradle of Filth. Mijn nieuwe crush was Dani. Net als Zac had Dani lang haar. Dat was meteen de enige overeenkomst tussen de heren. Dani zong over seks en dood en liet zich fotograferen terwijl er bloed uit zijn mond liep. Ik had nog nooit iemand zo volwassen en indrukwekkend gezien. Ik droomde dat Cradle of Filth in Nederland op zou treden, dat mijn ouders me naar het concert lieten gaan en dat Dani me zou zien staan in het publiek. We hebben het mooi gehad.

Na Zac en Dani volgden inderdaad de onbereikbare jongens uit hogere klassen. Langharige, want zo had ik dat geleerd. Mijn favoriet had een ringbaard, we noemden hem Baardje. Later ben ik Baardje eens op een verjaardag tegengekomen. Hij bleek Martijn te heten en ik heb hem verteld over hoe ik giebelend tussen de kapstokken naar hem heb gegluurd. Martijn nam het ter kennisgeving aan.

Volgens de Tina-theorie zouden de onbereikbare crushes verleden tijd moeten zijn, na het krijgen van je eerste vriendje. De theorie leek lang te kloppen, tot ik afgelopen zomer in de Prinsentuin een dichter met ongemakkelijke armen zag. Hij stopte met voordragen toen de klokken van de Martinitoren begonnen te luiden en ging verder toen ze stil waren. Of tot ik die dichter afgelopen zomer op het Tuinfeest naast een man met lang haar op een podium zag staan, en ik niet naar de man met het lange haar keek. Of tot ik ineens weer vrijgezel was en de stilte tijdens de afwas vulde met een radio-interview met de dichter. Dat ik terugspoelde om te horen of hij ‘een vriendin’ zei, of ‘mijn vriendin’.

Een merkwaardige crush is het. Hij praat in interviews niet over zijn eerste vriendinnetje, maar over zijn kinderen en moeilijke periodes in zijn leven.

Zijn naam staat niet in mijn agenda gekrast. Ik heb geen mok. Ik heb geen posters. Slechts een bundel en betamelijke, maar gênante dromen.

Geur

Dus zo ruikt een schimmelinfectie, dacht ik eerst. Ik kende de verhalen van vriendinnen. De geur was niet echt vies, eerder zoetig en muf. En ik had geen jeuk. Maar ik wist niet wat het anders zou kunnen zijn. Ik rook het iedere keer dat ik naar de wc ging.

Later herinnerde ik me de cursus op mijn werk. Het ging laatst over epilepsie en hoe epilepsie hebben niet automatisch betekent dat je de heftige aanvallen hebt die wel eens voorbij komen op tv. Er zijn mensen die last hebben van kleine schokjes in het lichaam. Er zijn mensen die hallucineren. Iemand vertelde dat hij epilepsie heeft, in principe aanvalsvrij is, maar soms wel last heeft van geurhallucinaties. Hij ruikt dan gas. Als hij denkt gas te ruiken, controleert zijn vrouw het fornuis.

Epilepsie, dacht ik. Dat kon het wel eens zijn.

Mijn hypochondrie bemoeide zich er inmiddels mee. Ik ben jarenlang bang geweest om gek te worden. Banger dan om dood te gaan. Het gebeurde dat ik angstig werd doordat ik dacht dat ik me dingen verbeeldde, dat ik hallucineerde, terwijl alles zich werkelijk voor me afspeelde. De gedachte aan de epileptische geurhallucinatie deed me even geloven dat dit wel eens het begin van het einde kon zijn. Want steeds een hallucinatie als ik op de wc zat, dat leek me te toevallig om met epilepsie te maken te hebben. Een psychiatrische aandoening leek me logischer.

Uiteindelijk lukte het me een zinnige gedachte op te graven. De gedachte aan de geuren die me omringden nadat ik met de prikpil gestopt was en een spiraal had genomen. Ook toen duurde het even voor ik begreep wat er aan de hand was. Ik had voor het eerst sinds jaren maandverband gekocht en in de jaren dat ik het niet gebruikt had, was het kennelijk geparfumeerd geraakt. Weeïg en muf. Dezelfde geur die nu van mijn wc-papier opsteeg.

Ex

We hadden nog vier kaartjes voor een concert. Een double date. Je kan er eeuwig over spreken of het verstandig is om te gaan, maar de datum dient zich vanzelf aan en we gingen.

Ik was er al niet meer geweest sinds voordat we een relatie kregen. Alles was nog zoals het was. De plaatjes en posters aan de muren. Het randje in de wc waar ik mijn bier toen al stalde tijdens het plassen. Hoe je de deuren naar de zaal hoort rammelen als je op de gang staat te praten.

Na twee haastige drankjes besloot ik dat ik genoeg gedronken had, maar ik negeerde mezelf.

Links voorin de zaal werd ik opgeslokt door het geluid. Soms sloot ik mijn ogen. Als ik weer keek, stond de zanger ineens vlak voor me op het podium. Of bovenop een paar boxen.

Na afloop van het concert werd ik opgeslokt door het ongemak. Het gebrek aan remmingen zorgde ervoor dat ik alles benoemde. Hoe gek de situatie was. Wat ik grappig vond. Waar ik het moeilijk mee had. De rest zweeg diplomatiek. Ik zag hoe blikken gewisseld werden en benoemde dat ook. De stiltes werden steeds groter en ik kreeg steeds meer de behoefte ze te vullen met taal.

Ik word regelmatig onzeker genoemd. Ik vind mijn onzekerheid terecht en de zelfverzekerdheid van anderen vaak onbegrijpelijk. Mensen klagen meer over anderen dan over zichzelf. De ander heeft het altijd gedaan, maar de helft van de wereldbevolking die het standaard verkeerd doet, heb ik nog nooit ontmoet.

‘Het valt ook niet mee om nu al iets leuks te gaan doen samen’, zei de vriend nadat de ex vertrokken was.

‘Ik denk dat hij een betere ex is dan ik’, zei ik.

De stilte die daarop volgde liet ik met rust.

Daten

Daten lijkt me verschrikkelijk. De kans dat ik een grote liefde tegenover me aan een tafeltje vind is klein en bovendien kan ik me goed voorstellen dat ik tegenval en ik wil niet tegenvallen, ik wil dat iemand me zonder verwachtingen leert kennen en dan ontdekt dat ik fantastisch ben.

Op dit moment vind ik mijn bank een comfortabele plek. De ruimte op mijn bank bevalt me goed. Links van me liggen kussens. Rechts van me liggen boeken, een eenpersoonsdeken en een zak paprikachips die ik zelfstandig bijna leeg heb gegeten. Ik weet niet wat hier iets aan toe zou kunnen voegen. Meer dan dit zoek ik niet.

Misschien moet ik ontdekken wat ik wil. Dat ik wat wil. Misschien gaat daten niet over het zoeken naar iemand, maar over het vinden van wat je zoekt en mis ik waardevolle ervaringen, doordat ik denk dat alles compleet is.

Ik sluit mijn ogen, zit aan een houten tafel waarop een waxinelicht in een smoezelige houder brandt. Ik kijk uit op de deur, het is rustig in de zaak. Niemand heeft me iets gestuurd en het geluid staat al uit, maar ik kijk nog eens op mijn telefoon. Ik drink kleine slokjes cola, zodat er straks geen leeg glas voor me staat.
Een jonge man met donkere krullen opent de deur, stapt binnen, hij heeft iets te veel vet in zijn haar. Hij draagt lage wandelschoenen, zijn veters zijn zo strak aangetrokken dat ze haast niet meer zichtbaar zijn, als je de strik met enorme lussen niet meetelt. Zijn vale spijkerbroek kreukt en is te kort, hij draagt dikke zwarte sokken. Dat geeft allemaal niets, ik vind dat leuk.
De man komt bij me aan tafel zitten, stelt zich voor, lacht, trekt zijn jas uit. Hij draagt een groene kabeltrui. Hij bestelt bier, stelt me vragen, praat, bestelt eten. Hij heeft volle wimpers en vertelt over zijn werk, over het bedrijf dat hij had, het bedrijf waar hij zich letterlijk voor 110% voor had gegeven, het bedrijf dat niet meer bestaat. Hij vertelt kort over zijn ex, vraagt naar mijn voorbije liefdesleven. Hij lacht om mijn grapjes. Zijn handen zijn mooi. Hij heeft een hond. We ontdekken dat we laatst naar hetzelfde concert zijn geweest.
Als we uitgegeten zijn, vraagt hij mijn nummer en het klikt, het klikt best, hij is leuk, maar ik weet het niet, ik, twijfel, ik ben er toch niet zo zeker van.

Stokken

De taart moet gemaakt. Het aanrecht moet leeg. De afwas moet afgewassen. De schone vaat moet voortaan in de voorraadkast. De voorraad is kapotgeknaagd. De voorraadkast moet leeg. De voorraadkast moet schoongemaakt. Tegen de deur van de voorraadkast staat een bananendoos met vieze pannen.

De koelkast moet schoongemaakt. De koelkast moet geleegd. De vuilniszak moet verwisseld. Er staan spullen in de gang. Het is niet mogelijk om zonder scheurgevaar met een vuilniszak naar buiten te lopen. De fietsen moeten uit de gang. Het fietsenrekje bij de voordeur is bezet.

De bank moet leeg. Het schilderij moet van de bank. De lijst zit los, dus hij kan niet hangen. De lijst moet vastgemaakt. Er is geen plek aan de muur. Het schilderij moet op het bed gelegd. Het bed ligt haast vol.

De was moet opgehangen. Er komt visite. Er is geen ruimte voor het wasrek.
Er zitten vlekken in de gordijnen. De vensterbank zit vol gele kringen.
Iets stinkt. In de gang staat een vuilniszak zonder vuilnisbak.
Er is geen plek voor de mintgroene kratten met papieren.
Het stopcontact maakt vreemd geluid.
De planten hebben bruine bladeren.
De wasmachine staat niet waterpas.
De verf van de rode stoel laat los.
Er hangen webben in de hoeken.
Er liggen kruimels op de bank.
Het laminaat kiert.
Ik moet douchen.

Op de tegels in de wc zit paars kaarsvet waar geen lavendelgeur meer aan zit.

Poëzie #6

Bodem

Wat mij ten gronde richt
is niet nu zonder jou maar
herinneringen aan jouw vloer
zijn korreliger met de dag
maandelijks breken delen af
scherpe beelden lossen op
tot ik in gedachten aan
de plekken waar ik ben geweest
niet besef dat er in mij
iets wezenlijks ontbreekt

Hoe ik als kleermaker bij de gashaard zat
de hitte op mijn rug gericht mijn huid zo warm
en rood dat je dacht dat ik voorgoed zou blijven
gloeien de vloerbedekking golfde waar het lastig
te leggen was wanneer ik geen sokken droeg
drukten stugge zwarte haren vlakke hoeken
in mijn enkels het groene kleed op jouw bank
was zachter hoe vaak ik die voor de kachel legde
en al die keren dat ik zonder te kijken
de knop achter mijn rug om wilde zetten

Op mijn armen draag ik nog de vlekken

Herder

Vroeger wilde ik in God geloven, maar het is me nooit gelukt.

Gisteren had ik het met een oud-collega over haar nieuwe baan. Ze werkt sinds kort bij een christelijke organisatie, waarvan ik weet dat het geloof er een belangrijke rol speelt.

Ik vroeg me af hoe je hierover spreekt in een sollicitatiegesprek. Als je over je geloof praat, wil je een oprecht gesprek aangaan. Tenminste, dat stel ik me voor. Maar je weet vast ook wat een werkgever wil horen. Kan je je dan mooier voordoen dan je bent? Of bestaat er geen goed of fout, wanneer het om de beleving van religie gaat?

Af en toe begeleid ik op mijn werk een mannenkoor. Dat koor zingt van alles, van De Klok van Arnemuiden tot Poesje Mauw. Ergens daartussen ligt De Heer is mijn Herder. Hoewel ik het doe, heb ik moeite met het meezingen van dat lied. Omdat het huichelachtig voelt om dingen over de Heer te zingen, die ik niet meen.

Door het gesprek over geloof dacht ik na over waar die moeite vandaan komt. Ik kan probleemloos allerlei ongemeende dingen zingen. Hoe kan het dat ik me bezwaard voel, als ik iets over de Heer zing?

Omdat ik niet in God geloof, hoef ik me geen zorgen te maken over wat Hij ervan vindt. Ook andere goden aanbid ik niet. Over wat de mensen vinden van mijn gezongen tekst, maak ik me al helemaal niet druk.

Het enige dat ik kan bedenken, is dat ik toch bang ben dat God het niet leuk vindt dat ik over Hem zing, terwijl ik niet denk dat Hij bestaat. Dat betekent (geloof ik) dat ik voortaan zonder schroom kan beweren dat de Heer mijn Herder is.