Veranderd

Je zou me kunnen corrigeren en zeggen dat ik veranderd ben. Ik zou je niet tegenspreken. Ik ben veranderd, zoals ik continu verander. Elk mens staat na een nacht slaap op als een ander mens. Haren op een kussen. Van houding gewisseld. Bewogen. Dromen gedroomd.

Je vertelt me over de hoeveelheid vissen in de Noordzee. Wat ik je wil zeggen, is dat de wereld veranderd is. In de kroegen staan nu jongens die mijn rimpels zien. Hun blikken zijn niet de blikken die ik ken. De meisjes in de binnenstad zijn gladder dan vroeger. Hun haren. Hun huid.

Niet alleen kassamedewerkers noemen me mevrouw, ook willekeurige mensen van mijn eigen leeftijd. Ze trouwen, krijgen kinderen.

Alles wat vroeger tot mijn mogelijkheden behoorde, heeft zich vastgezet. Als mossels. De zeewind slaat de tranen uit mijn ogen en onder mijn voeten prikken de rotsen.

Nette mensen

Er bestaan nette mensen.

Ik bedoel, er bestaan mensen die netjes zijn. Opgeruimd. Mensen met spullen die een vaste plek hebben. Mensen die regelmatig hun tas opruimen. Mensen die eerst de prijsstickers van nieuwe borden halen, ze afwassen en dan pas gebruiken. Mensen met kreukloze kussens.

Er zijn ook mensen die altijd opruimen. Mensen zoals ik. Mensen die hun verloren horloge na een uur zoeken vinden op de plek waar je hem zou verwachten. Mensen die geen horizontaal vlak leeg kunnen houden. Mensen met zes nagelknippers en zevenentwintig eenzame sokken in alle prints van de kinderbehangafdeling.

In Boer zoekt Vrouw zag ik eens een vrouw met een woonfolderhuis zonder spullen. In haar kamer stond een kast met rieten manden. De manden waren leeg. Als ik me niet vergis, had de vrouw een kind. Het zou me niets verbazen als haar televisie een dummy bleek.

Een nette woning ziet er aantrekkelijk uit. Als ik te gast ben in een opgeruimd huis, voel ik me rustig. Ik luister bij binnenkomst met verbazing naar de excuses die gemaakt worden over de troep, als er eens een tijdschrift op de salontafel is blijven liggen.

Ik verlang naar zo’n opgeruimd huis en weet niet goed waarom. Soms denk ik dat ik blij zou zijn in een net huis. Vaker denk ik dat ik wil voldoen aan de norm. Mensen oordelen over rommelige en vieze woningen. Vandaar dat een programma als ‘Mijn Leven in Puin’ het goed doet op tv. En dat het normaal is om je gasten te vertellen dat ze maar niet op de koffiekopjes op het aanrecht moeten letten.

Ik snap niet hoe anderen hun huis geordend houden. Het lijkt niet aan een tekort aan spullen te liggen. Ik heb nog nooit een opgeruimd mens in paniek zien raken, doordat hij tijdens het koken ontdekte geen zeefje te hebben. Of pureepers. Opgeruimde mensen hebben alles en alles ligt altijd precies waar het hoort te liggen.

Misschien heeft het te maken met patronen. Misschien ontwikkelen opgeruimde mensen automatisch patronen in hun handelen en gaat dat gestructureerde handelen vooraf aan een nette omgeving.

Ik fiets meestal dezelfde routes en zit altijd op mijn grijze stoel, dus ik ben niet compleet routineloos. Toch houd ik niet van vaste patronen. Veel dingen doe ik steeds op verschillende manieren. Ik heb geen lievelingstrui.

Mijn spullen hebben geen vaste plek, maar belangrijker is dat mijn plekken geen vaste spullen hebben. Dat zorgt ervoor dat elke plek een potentiele boekenkast is. Of geschikt is voor een vuil bord. Plekken zonder vaste spullen maken het onmogelijk om op te ruimen. Opruimen betekent voor mij dat ik spullen naar de plek breng die hun vaste plek zou moeten zijn. Die plek is vaak bezet door een voorwerp dat zich ook onmogelijk ineens laat opbergen. De keten die ontstaat, lijkt soms eindeloos.

Misschien valt er in mijn consequent volgehouden onopgeruimdheid ook een patroon te ontdekken.

Een pen en een boekje

Ze had enorme ogen. Grijs, met lange wimpers.

Haar broertje was bang voor het ritje in de boomstamattractie. De rij was lang en traag. Haar vader sprak het broertje toe. Dicht tegen zijn moeder aangekropen, hoorde het jongetje argument na argument over de veiligheid van de attractie.

Een veelvoorkomende schrijftip is dat je ‘zeggen’ moet gebruiken, als iemand iets zegt. Geen ‘snotteren’, bijvoorbeeld. Nou. Deze man blafte. Bulkte. Donderde de zinnen uit zijn mond. Schoot geruststellingen naar zijn zoon als een semi-automatisch wapen. Het jochie vroeg moeder om zijn knuffeldoek, legde het vale stuk stof met een hand tegen zijn wang en gebruikte zijn andere hand om de punt het van het ding een stukje in zijn neus te steken.

Ze wilde haar broertje geruststellen en vader was het daar niet mee eens. Hij keek haar aan (dat denk ik tenminste, zeker weten doe ik het niet, want hij droeg een donkere pilotenbrul) en zei, zoals alleen hij dat kan, dat zij zich niet met de opvoeding heeft te bemoeien. Ze klom op het ijzeren hekje dat de slingerende rij mensen in bedwang hield, veegde haar haren uit haar gezicht en staarde.

‘Hier, drinken’, zei vader. Hij gaf haar een fles water van blauw glas. De rest van het gezin had al wat gedronken en de fles moest leeg. Hij had er al te lang mee rondgelopen. Ze hoefde niet. Ze moest. Ze nam de fles aan, zette hem aan haar lippen en kantelde haar hoofd wat. ‘Goedzo,’ zei vader, toen ze de fles teruggaf. Ze had geen slok gehad.

‘Is die mevrouw Nederlands?’ vroeg ze haar vader. Ze knikte naar me. Hij dacht van wel, want ik sprak Nederlands. ‘Of ze moet uit Zuid-Afrika komen.’

Ze vertelde dat ze voor de houten achtbaan een uur had moeten wachten. Ik zei dat ik de rij te lang had gevonden. De achtbaan in het donker vonden we beiden een van de mooiste. Ze had in het winkeltje na afloop een doodshoofd willen kopen, maar dat mocht niet van haar vader. Ze had een pen en een boekje gekregen, want ze schreef graag. Ik vroeg haar waar ze over schreef. Ze schreef over van alles. Over wat ze meemaakte of wat ze op de televisie zag. Het valt niet altijd mee om te schrijven, vertelde ze. Als je iets opschrijft alsof je het zelf hebt meegemaakt, moet dat op een heel andere manier dan wanneer je het opschrijft alsof een ander het meemaakt. Ik vroeg hoe oud ze was. Negen. Toen ik zei dat ik onder de indruk was van haar overwegingen, werden haar ogen net een beetje groter.

Na afloop de rit over de roze Dora de Explorer-berg, liep het gezin voor me. Het broertje huilde onbedaarlijk. Ik dacht aan Mathilda en hoe elke ouder onbedoeld geschenken geeft.

Strepen en stippen

Er waren lessen die ik graag volgde op de middelbare school. Biologie, omdat de onderwerpen me zonder uitzondering interesseerden. Geschiedenis, vanwege de vertelkunst van meneer Visser. En Nederlands, ondanks dat mijn ontluikende liefde voor poëzie een stille dood stierf in dat klaslokaal.

Ik denk dat elk lokaal waarin een docent Nederlands huist plint-posters aan de muren heeft hangen. De leraar die van poëzie houdt, geniet van de gedichten op deze posters. De docent die dat niet doet, heeft eenvoudig zijn poëtische plicht vervuld. Ik vond de posters niet mooi en de gedichten op de posters vaak kinderachtig of moeilijk.

Ik herinner me het volgende gedicht, met punaises aan een witgesausde muur gestoken (hoewel het goed mogelijk is dat we het op een gekopieerd A4 uitgedeeld hebben kregen):

Vader

vader kocht ooit
een verzameld werk
een bundel gedichten
van degelijk merk

bij wat hij mooi vond
zette hij strepen
een enkele keer
een uitroepteken

bij tijd en wijle
herlees ik die
zeer summiere
biografie

in een code
van strepen en stippen
steeg het water
hem naar de lippen

Willem Wilmink
Bron

Ik deed de vierde klas twee keer. De enige les waarvan ik me kan herinneren dat ik hem twee keer gevolgd heb, is de les waarin dit gedicht besproken werd. Beide keren volgde er een ellendige stilte op de vraag ‘waar denken jullie dat dit gedicht over gaat?’

De eerste keer dat ik de les volgde, doorbrak de bebaarde leraar Nederlands het zwijgen, zoals alleen docenten dat kunnen. Eerst een aanmoedigend woord. ‘Nou?’ Vervolgens iemand aanspreken. ‘Frank, heb jij een idee?’ Daarna stelde hij de vragen die je op weg moeten helpen. ‘Waar doen die strepen en stippen jullie aan denken?’ Om uiteindelijk wéér het antwoord zelf te geven.

De tweede keer dat ik de les volgde, kon ik indruk maken met wat ik me herinnerde van de vorige keer. ‘Goh, ja. Vader zette strepen en uitroeptekens in de bundel, daardoor staan er strepen en stippen in. Een code van strepen en stippen doet me ook denken aan morse. En aan SOS. Ik denk dat deze persoon in die bundel zag dat het niet zo goed ging met vader.’

Mijn leraar was blij. Waarschijnlijk omdat de les zo gemakkelijk verliep.

Ik voelde me schuldig, alsof ik had gespiekt. Daarom biechtte ik meteen op dat ik had herhaald wat ik eerder had horen zeggen. Dat het geen inzicht was. Of plezier in het lezen van het gedicht.

Dat gaf niets, kreeg ik te horen. ‘Je antwoord was goed.’

Zulks dankbaar werk

Ik heb leuk werk.  Ik heb zwaar werk. Ik vraag me wel eens af hoe ik de dag tot een goed einde moet brengen.

Ik werk met een groep bijzondere mensen. Ze maken me aan het lachen. Zetten me aan tot nadenken. Zingen met me. Willen liever niet dat ik er ben. Slaan me. Pakken mijn hand vast. Zijn bang voor me. Moeten mijn hulp accepteren.

De mensen waar ik mee werk, wonen in een instelling. Mijn werkgever.

De mensen waar ik mee werk, doen niet mee in de maatschappij. Dat is te moeilijk, niet in de laatste plaats voor de maatschappij.

Er bestaat een romantisch beeld van het werk dat ik doe. Iemand slaat zijn arm om een onzeker meisje met het syndroom van Down, zegt dat ze er mag zijn en ze kan er weer tegenaan. Mijn werk voldoet bijna nooit aan dit plaatje.

Gelukkig zitten mijn dagen meestal vol goede momenten. Maar wanneer het erop aankomt, volstaat het niet mijn arm om iemand heen te slaan.

Ik werk met angstige mensen. Mensen die bang zijn, kunnen boos worden.

Als ik iemand help die bang is, écht bang, lijken de geruststellende woorden die ik zeg voornamelijk aan mezelf gericht. Als ik iemand help die bang is, moet ik soms grenzen stellen. Of iemand ‘uit de situatie halen’, zoals het zo netjes genoemd wordt.

Mijn werk draait erom dit soort momenten tot een minimum te beperken. De momenten waarop een bewoner het niet meer weet, en ik soms ook begin te twijfelen. Daar waar de maatschappij ophoudt begripvol te zijn en betaalde krachten het overnemen. En zoals ik een politie-agent niet bedank voor een bekeuring, bedankt een bewoner mij niet als zo’n moment zich toch voordoet.

Dat hoeft ook niet.

Veren

Verdriet is het ding met veren, dacht ik steeds. Verdriet is het ding met veren. Verdiet. Is. Het. Ding. Met. Veren. Ik heb het boek nooit gelezen, maar dit bleef zich afspelen in mijn hoofd. Er was slechts ruimte voor een paar woorden.

Verdriet kan geen veren hebben, daarvoor is het veel te zwaar. Of verdriet moet sterke vleugels hebben en van lood zijn. Een loden balletje met lange vleugels. Een balletje dat zich laat zakken, wanneer je met open mond je hoofd achterover gooit, als een zwaardslikker. De bal glijdt langzaam naar je maag, met de vleugels gestrekt achter zich aan. Ze blijven achter, steken langs je slokdarm omhoog, als je in de spiegel je huig probeert te bekijken, kan je net het puntje zien.

Hoe weet je waardoor je ledematen zo licht voelen? Je denkt dat het opluchting is, lastenverlichting, maar alles is relatief. Het lijkt of je armen door ijle lucht bewegen, terwijl ze vastzitten aan een ernstig verzwaarde romp.

Kamperen

Het eerste dat we zagen waren de bouwhekken. ‘Shit,’ zei ik. ‘Ik had om een bevestiging van de bevestiging moeten vragen’.

Een paar dagen eerder had ik binnen een paar seconden antwoord gekregen, na het doen van de online reservering. We waren welkom, het totaalbedrag (inclusief tent) was 83 euro en de wifi was gratis. Ik had de bevestiging niet helemaal vertrouwd, maar vertikte het na te vragen of we écht welkom waren. Nu de camping van een afstand gezien gesloten leek, vreesde ik dat de voormalige eigenaar het had verzuimd de automatische beantwoording uit te zetten.

Zoals altijd viel het mee. De hekken bleken niet de hele camping af te sluiten en de deur naar de receptie stond open. Volgens het uitgebreide schema met openings- en pauzetijden op het raam was de receptie gesloten. Ik stapte naar binnen. Het rook er naar hond. Het molentje met kleine kaartjes waarop de nabije bezienswaardigheden aangeprezen worden, stond buiten handbereik achter de balie.

Een jongen kwam aanlopen. Hij droeg een vaalblauw t-shirt met kleine gaatjes en wilde ons helpen. Een smoezelige Zwitserse herder volgde de jongen en zocht zijn plek onder een tafeltje, achter de balie. Na wat gebruikelijke handelingen, legde de jongen ons uit waar we de tent konden opzetten.
‘En de wifi?’ vroeg ik.
‘We hebben geen wifi,’ zei de jongen. Hij sprak bijzonder langzaam en keek me niet aan.
‘Op jullie website staat wat anders. En ik heb een plek bij jullie gereserveerd, omdat hier wifi is,’ zei ik.
‘Ja,’ sprak de jongen, ‘ik kan er niets aan doen. Want er is geen wifi. Dus kan ik er niets aan doen.’
‘Maar waarom zetten jullie dat dan niet op de bevestiging?’ probeerde ik. Ik weet niet waarom ik een discussie aanging, want geen wifi, is geen wifi. Dat begreep zelfs de jongen.
‘Dat had al veranderd moeten zijn. Maar ik kan er niets aan doen.’
‘Is goed.’

De camping bleek alle verwachtingen te overtreffen. Caravans stonden tussen aanstaande vakantiehuisjes. Witte bouwblokken verraadden de vorm. Puntdakjes. Op willekeurige plekken lagen bulten. Bulten met bouwafval. Bulten met snoeiafval. Bulten met zand. Tegen een achtergrond van gestapelde grijze platen stond een camper met daarnaast een tafel, twee stoeltjes en schone kleding aan een droogmolen. De camping was het perfecte decor voor een film over een relatie die het niet redt, al zou je ook kunnen zeggen dat het er te dik bovenop lag.

Het fijne aan een tent is dat je zelf het uitzicht kan bepalen. Op een overvol vakantiepark, zet je de tent op met de ingang naar het keurig gemaaide heggetje. Je buren vinden je ongezellig, misschien zelfs asociaal. Maar je ziet ze nooit weer. Op een wanordelijke camping, zet je de tent op met de ingang richting een hoopje snoeiafval en een begroeide zandbult. Ik word vrolijk van zandbulten. Ze doen me denken aan vroeger en dat onkruid met roze bolletjes met kleine zaadjes erin.

Uitzicht is allesbepalend, dacht ik. ’s Ochtends besloot de jongen van de receptie dat het tijd was om op een maaitractor het gras rondom onze tent te maaien. Met de rits nog dicht, was het moeilijk in te schatten of we gevaar liepen. In een open tent voelden we ons bekeken. Dat de receptiejongen iedere keer dat hij langsreed naar binnen keek en groette, versterkte dat gevoel.

Ik liep naar de doucheruimte. Ik droeg mijn spullen in een tas van Albert Heijn, voelde het zand tussen mijn voeten en slippers ophopen en dacht: het is jammer dat we niet wat langer kunnen blijven.

poëzie #4

Wezen

Je houdt van dierlijk, beestachtig,
als een mol in mijn aarde
maar denkt dat mensen verheven zijn
Ik weet hoe het zit, bouw burchten als bevers
Mijn bed laat net genoeg ruimte voor mij

Tussen kranten en schillen
mijn huis is met schimmel gestuukt
trekbandzakken zijn dragende muren
Ramen ontstaan onder druk
Continu

Poëzie #3

Boomkor

Hoe houden vissers zich staande
op een schokkende kotter
Ogen als splinters
de vingers verkrampt
Als apparaten sorteren ze
een stroming happende platvis
schollen in scholen
op lopende band

Rubber handen strippen, snijden
smijten de levende lijken op ijs
tot een van hen grijpt
naar onverklaarbare bijvangst

In een waterdichte vuist
zit een meerman die zojuist
haast bezweek
onder het stikkende gewicht
van een natte massa vis

Het kokkelige zeewezen
beweegt zijn lippen
Zijn blik brandt
Hij slaat zijn vingers stijf
rond de gele plastic drietand
die weken geleden nog
in een portie kibbeling stak
Heft zijn arm
Vloekt en foetert
Schreeuwt onhoorbaar
Zijn keeltje rauw
Over vader, oceanen
en gevaar

Voor de vissers bestaat niets
dan razende machines
het klappen van de regen
de kermende zee en
even het gelach
over hoe dat malle zeebeest
net een ventje is